Conclusie
1.Feiten
FPC) en Janshen-Hahnraths Exploitatie B.V. (hierna:
JHE) behoren tot de Janshen-Hahnraths Group, die actief is in de Nederlandse speelautomatenbranche. FPC en JHE worden hierna gezamenlijk aangeduid als
de Werkgevers.
[betrokkene 3]), geboren op [geboortedatum] 1963, is op 15 juni 1992 in dienst getreden van Amusement Activities Nederland B.V. en is in 2008, na een overname door FPC, als medewerker amusementscenter bij FPC in dienst getreden. [8] Hij verdiende in 2016 een salaris van € 2.060,01 netto per maand. [9]
de Werknemers.
JHAR) van toepassing verklaard. In art. 1.2 lid 4 daarvan is eveneens een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen. Art. 6.1 JHAR regelt de pensioenvoorziening. In art. 6.1 lid 5 JHAR (hierna:
de premielastverdeling) is bepaald dat de pensioenpremie geheel voor rekening van de werkgever komt.
PMT), die eind 2013 zou aflopen, niet te verlengen maar door een alternatieve pensioenregeling te vervangen. Tussen december 2011 en november 2013 is de groepsondernemingsraad (hierna:
de GOR) meerdere malen verzocht in te stemmen met een nieuwe dan wel aangepaste pensioenregeling. Steeds heeft de GOR instemming geweigerd. In dit proces werden zowel de Werkgevers als de werknemersvertegenwoordigers bijgestaan door externe deskundigen. Uiteindelijk heeft de GOR in december 2013, met acht stemmen vóór en vijf stemmen tegen, ingestemd met een voorstel waarbij de pensioenregeling bij PMT wordt gehandhaafd, maar wel de hiervoor genoemde werknemersbijdrage wordt ingevoerd. [10] Bij brief van 20 december 2013 heeft de Janshen-Hahnraths Group alle werknemers op de hoogte gesteld van de wijziging in de premielastverdeling. [11]
Verandering Pensioenregeling
twee jaarop de agenda van de OR heeft gestaan dus:
2.Procesverloop
Eerste aanleg: procedure van [betrokkene 2] tegen JHE
het hof) in hoger beroep gekomen van voornoemde vonnissen. Zij hebben na wijziging van hun eis in hoger beroep, zakelijk weergegeven, het volgende gevorderd:
Bovenstaande grafiek laat zien dat vanaf 2013 - zonder maatregelen - sprake zou zijn geweest van een negatief bedrijfsresultaat. In 2015 is de situatie licht verbeterd, maar nog steeds zou in 2015 sprake zijn geweest van een negatief bedrijfsresultaat van ruim € 2,6 miljoen. Dit toont aan dat het noodzakelijk was kostenbesparingen door te voeren om de onderneming winstgevend te laten blijven.
Overeenstemming tussen de ondernemer en de ondernemingsraad over een arbeidsvoorwaardenregeling werkt niet automatisch en dwingend door in de individuele arbeidsovereenkomsten. Indien de ondernemer en de ondernemingsraad het eens zijn over de (wijziging van de) arbeidsvoorwaarden dan dient dit nog verwerkt te worden in de individuele arbeidsovereenkomsten, hetzij door middel van verkregen overeenstemming met de werknemer, hetzij door een beroep te doen op artikel 613 BW Pro.”
3.Juridisch kader art. 7:613 BW Pro (eenzijdig wijzigingsbeding)
Inleiding: twee benaderingswijzen
eenzijdigworden doorgevoerd, dus zonder de instemming van de werknemer, op grond van een eenzijdig wijzigingsbeding. Om de werknemer adequaat te beschermen tegen wijzigingen in zijn arbeidsvoorwaarden is het gebruik van een eenzijdig wijzigingsbeding door de werkgever aan strikte voorwaarden gebonden, die zijn verankerd in art. 7:613 BW Pro.
in absolute zinworden vastgesteld. Er moet daarom aan twee criteria zijn voldaan wil de werkgever eenzijdig een wijziging kunnen aanbrengen in de arbeidsvoorwaarden: (a) de werkgever moet een zelfstandig zwaarwichtig belang hebben bij de wijziging van een arbeidsvoorwaarde én (b) de redelijkheid en billijkheid moeten meebrengen dat het belang van de werknemer(s), dat door de gewijzigde arbeidsvoorwaarde wordt geschonden, moet wijken voor dat van de werkgever. In deze opvatting worden de belangen van de werknemer(s) pas in de beoordeling betrokken nádat is vastgesteld dat de werkgever op zichzelf beschouwd een zwaarwichtig belang heeft.
in relatieve zinworden beoordeeld, namelijk in verhouding tot het door de wijziging geraakte belang van de werknemer(s). Niet is vereist dat de werkgever op zichzelf bezien een zwaarwichtig belang heeft bij wijziging van de arbeidsvoorwaarde. Het komt erop aan of het belang van de werkgever bij de wijziging
zodanigzwaarwichtig is dat, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, het belang van de werknemer(s) bij behoud van de ongewijzigde arbeidsvoorwaarde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid daarvoor moet wijken.
het hof niet toekomt aan een belangenafweging, omdat niet is gebleken van een zo zwaarwichtig belang aan de zijde van [de Werkgever] dat dit als zwaarwichtig in de zin van art. 7:613 BW Pro kan worden gekwalificeerd.” [17] De kantonrechter van rechtbank Oost-Brabant lijkt daarentegen de tweede benadering te hebben gevolgd, zij het niet heel expliciet.
dat arbeidsvoorwaarden niet eenzijdig door toepassing van wijzigingsbedingen kunnen worden gewijzigd, tenzij daar zwaarwichtige belangen voor aantoonbaar zijn”. [22]
bij een collectieve ordening van de arbeidsvoorwaarden, ook van die welke niet bij CAO zijn geregeld. De eis dat hij van iedere individuele werknemer instemming moet verkrijgen voor een wijziging van de arbeidsovereenkomst, zou niet alleen kostbaar en tijdrovend zijn, maar zou bovendien tot gevolg hebben dat na verloop van tijd, wanneer hij verschillende wijzigingen heeft willen doorvoeren, het arbeidsvoorwaardenregime per werknemer verschilt. Wij hebben deze twee belangen, die op het eerste gezicht met elkaar op gespannen voet staan, willen verenigen.
Artikel 613, eerste lid BW gaat er daarentegen van uit dat het eenzijdig wijzigen van arbeidsvoorwaarden slechts mogelijk is indien de werkgever een zodanig zwaarwichtig belang bij de wijziging heeft dat het belang van de werknemer daarvoor in redelijkheid moet wijken. Het is aan de werkgever om dat zwaarwichtige belang aan te tonen.”
Het ligt in de rede dat dit zwaarwichtig belang wordt geacht aanwezig te zijn indien hij collectief overleg heeft gevoerd met de werknemersvertegenwoordigers.”
een rol kan spelen of er overeenstemming is bereikt met de ondernemingsraadover de wijziging in de arbeidsvoorwaardenregeling die de werkgever nastreeft. Het is aan de werkgever om aan te tonen dat er sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang dat het belang van de werknemer daarvoor naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.”
een rol kan spelen” klinken wellicht wat vlak. In de Nota naar aanleiding van het verslag werd nog gesproken van “
een belangrijke betekenis”: [30]
een belangrijke betekenistoekomt bij de vraag of wijziging van een arbeidsvoorwaardenregeling redelijk is.”
volgens de eerste (‘absolute’) benaderinguitleggen en dus twee stappen onderscheiden. Dat zijn er nogal wat.
objectief bepaalbaarzijn. Er moet zich een objectieve omstandigheid voordoen op grond waarvan van de werkgever niet in redelijkheid kan worden verlangd dat hij de op dat moment geldende arbeidsvoorwaarde(n) onverkort blijft toepassen. Dit kan het gevolg zijn van externe of interne factoren. Daarbij ligt het op de weg van de werkgever om het bestaan van de zwaarwichtige reden aan te tonen. (…)
eerstde werkgever het zwaarwichtige belang voor wijziging moet aantonen en
vervolgensmoet worden getoetst of van de werknemer gebondenheid aan de wijziging kan worden gevergd gelet op de weging van belangen. (…)”
twee stappen:
Bovendienmoet dat belang nog worden afgewogen tegen het belang van de werknemer. De belangenafweging kan per individuele werknemer anders zijn.”
naastde eis van een zwaarwichtig belang
een tweede toetsmoment, namelijk de toetsing aan de redelijkheid en billijkheid.”
de primaire vraagdie volgt uit art. 7:613 BW Pro (is sprake van een zwaarwichtig belang?) niet positief werd beantwoord. Aan
de tweede vraag(de belangenafweging) waar de OR een rol kan spelen,
werd daarom niet toegekomen.”
Naastde objectieve toets voor de zwaarwichtige reden geldt het criterium van de redelijkheid. Dat is een subjectieve toets.”
tweede (‘relatieve’) benaderingkrijgt steun van een kleiner aantal [37] maar niet noodzakelijkerwijs minder gezaghebbende auteurs.
niet vereistdat de werkgever
op zich een zwaarwichtig belang heeftbij de wijziging, maar vereist dat het belang van de werkgever bij de wijziging zodanig zwaarwichtig is dat het belang van de werknemer bij behoud van de arbeidsvoorwaarde, daarvoor naar maatstaven naar redelijkheid en billijkheid moet wijken.
Het belang van de werkgever moet dus in verhouding tot het belang van de werknemer zwaarwichtig zijn, zodat het begrip zwaarwichtig relatief is.”
De wet spreekt van een zwaarwichtig belang van de werkgever, maar het gaat niet zozeer om het gewicht van het belang op zichzelf, maar om de relatie tot het belang van de werknemer dat daardoor zou worden geschaad. Zwaarwichtig is derhalve een relatief begrip. Een andere opvatting zou betekenen dat de werkgever zonder instemming van de werknemer geen wijzigingen zou kunnen doorvoeren bij op zichzelf niet zo zwaarwichtige belangen, ook al zou het daarbij in het geding zijnde belang van de werknemer veel kleiner zijn. Dat is onlogisch (…).”
in verhouding tothet individuele belang van de werknemer.”
volgende vraagwaarover in de literatuur verschillend wordt gedacht en die in deze cassatieprocedure aan de orde is, betreft de betekenis van instemming van de ondernemingsraad met een eenzijdige wijziging in de arbeidsvoorwaarden.
zal in beginsel mogen worden aangenomen dat aan het criterium van art. 613 is Pro voldaan.”
een zeer zwaarwegend gezichtspuntbij de beoordeling van de redelijkheid van de wijziging dat als zodanig ook door de rechter in zijn afweging moet worden betrokken.” [44]
zwaarwegend is maar daarmee nog niet van doorslaggevende betekenis hoeft te zijn”. [45]
de instemming van de ondernemingsraad van groot belang is”. [46] Hij voegt daar aan toe:
gewicht legt in de schaalindien moet worden gewogen of er voldoende zwaarwichtige belangen aan de kant van de werkgever aanwezig zijn.”
belangrijk meetellenbij de vraag of er aan werkgeverskant sprake is van een ‘zwaarwichtig belang’ om een wijziging in de arbeidscontracten door te voeren.”
JAR2012/126 (harmonisatie beloningssysteem na overname):
in beginsel een zwaarwegend belangbij het harmoniseren van de arbeidsvoorwaarden. Dat Telefoongids een zwaarwegend belang had bij een wijziging van het voor de ex-werknemers van Gouden Gids geldende beloningssysteem
volgt ook uit het feit dat de Ondernemingsraadvan Telefoongids op 19 januari 2009 met de voorgestelde harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden
heeft ingestemd, (…).
tenzijde arbeidsvoorwaarden van [werknemer] (en het andere overgenomen personeel) zodanig slechter zouden worden dat van [werknemer]
niet kan worden gevergddat hij de doorgevoerde wijzigingen accepteert. Dat betekent dat niet iedere achteruitgang in een van de elementen, die onderdeel zijn van de beloning, een onacceptabele verslechtering oplevert en dat niet iedere achteruitgang in het netto inkomen een relevante verslechtering betekent. Van belang is of het hele beloningspakket tot een zodanige structurele achteruitgang in inkomen leidt dat acceptatie daarvan in redelijkheid niet van [werknemer] kan worden gevergd.”
JIN2009/394 (van eindloon- naar middelloon-regeling):
Daarmee staat het zwaarwichtige belang van [geïntimeerde] als onvoldoende bestreden vast. Het hof neemt in aanmerking dat de ondernemingsraad van [geïntimeerde] en een zeer grote meerderheid van de werknemers akkoord zijn gegaan met de wijziging.
Het door [appellant] gestelde belang dient daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te wijken voor het belang van [geïntimeerde].”
zo zwaarwichtig isdat het
belang van de appellanten sub 5 tot en met 15 daarvoor dient te wijken. Het harmoniseren van de pensioenvoorwaarden in de door Fundeon voorgestane zin dient het belang van een gelijke behandeling van haar werknemers. Met een op het middelloon gebaseerd pensioenstelsel haakt Fundeon aan bij de trend die zich heeft afgetekend in het in de bouwnijverheid actieve bedrijfsleven, waarvan Fundeon voor haar financiering afhankelijk is. Daarnaast kan belang worden toegekend aan de met de wijziging bereiken gelijke behandeling van werknemers van verschillende leeftijden.”
een zodanig zwaarwichtig belangvoor afschaffing van die regeling – waarvoor toestemming van de ondernemingsraad was verkregen –
dat het belang van [appellanten] dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moest wijken.”
JAR2004/219 (invoering nieuwe telefoonkostenregeling):
FNV Ledenservice heeft niet gesteld dat zij bij het niet langer uitbetalen van het verkapte loon op zichzelf beschouwd een (zwaarwichtig) belang heeft. [De] noodzaak van harmonisatie (…) in deze tijd waarin administraties met steeds geavanceerdere computerprogramma’s worden gevoerd, [betreft]
evenmin een zodanig zwaarwichtig belang dat daarvoor het belang van Appellanten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. (…)
zodanige zwaarwegende belangenvan FNV Ledenservice bij de door haar ingevoerde wijziging van de telefoonkostenregelingen, dat
het belang van Appellanten bij de handhaving daarvan daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zou moeten wijken. De aan artikel 7:613 BW Pro te ontlenen toets kan deze wijziging derhalve niet doorstaan.”
IBM-beschikking van 7 oktober 1988 betrof een geschil tussen IBM en haar centrale ondernemingsraad over een wijziging in de auto-onkostenregeling die was opgenomen in de personeelsgids van IBM. [51] De Hoge Raad overwoog dat voor die wijziging niet de instemming van de ondernemingsraad vereist is. Dat laat onverlet dat de ondernemingsraad bij een zodanige wijziging in zoverre een rol spelen dat “
een beroep van individuele werknemers op strijd met redelijkheid en billijkheid niet licht zal kunnen worden aanvaard, wanneer door de ondernemingsraad tegen de inhoud van de wijziging geen bezwaar is gemaakt.” [52] Een kleine tien jaar later zou bij de parlementaire behandeling van art. 7:613 BW Pro op deze passage uit de
IBM-beschikking worden gewezen in het kader van het debat over de meerwaarde van het tweede lid (zie hiervoor, 3.11 en 3.14).
Van der Lely/Taxi Hofmanuit 1998. Die zaak had betrekking op een wijziging van een arbeidsvoorwaarde wegens gewijzigde omstandigheden in een individueel geval. Tussen partijen in die zaak was géén eenzijdig wijzigingsbeding overeengekomen. De Hoge Raad leidde uit de norm van goed werkgeverschap en goed werknemerschap (art. 7:611 BW Pro) een dubbele redelijkheidstoets af: [53]
[…] /Mammoet II, heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat wil sprake zijn van een gehoudenheid van de werknemer om zijn medewerking te verlenen aan een wijziging van de arbeidsovereenkomst aan drie deelvereisten moet zijn voldaan. [54] Onderzocht moet worden of:
Taxi Hofman-criterium’ moet daarom worden beschouwd als een (voor het arbeidsrecht) specifieke toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ten opzichte van de algemene derogerende werking op grond van art. 6:248 lid 2 BW Pro. Het is niet zo dat de werkgever alleen een arbeidsvoorwaarde op grond van art. 7:611 BW Pro kan wijzigen als het afwijzen door de werknemer van een redelijk voorstel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid “
onaanvaardbaar” is. Zo hoog ligt de lat niet. Verder volgt uit dit arrest dat de werkgever, zijnde de partij die de wijziging van een arbeidsvoorwaarde initieert, (reeds) bij het doen van een voorstel in redelijkheid rekening moet houden met de belangen van de door de wijziging getroffen werknemer(s). [55]
[…] /Mammoet IIvervolgens een vergelijking met de situatie waarin wél een eenzijdig wijzigingsbeding is overeengekomen (onderstrepingen toegevoegd; A-G):
Indien daarvan wel sprake is, bepaalt art. 7:613 BW Pro dat de werkgever op dat beding slechts een beroep kan doen indien hij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.Hoewel het hier op het eerste gezicht om een vergelijkbare kwestie gaat, moet op grond van de gegevens vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.14 worden aangenomen dat
deze bepaling veeleer ziet op gevallenwaarin de werkgever zich de bevoegdheid heeft voorbehouden, ongeacht de omstandigheden die daartoe aanleiding geven, eenzijdig een wijziging in de arbeidsvoorwaarden aan te brengen niet slechts ten opzichte van een individuele werknemer maar
ten opzichte van verscheidene werknemers, in welk geval ter bescherming van de werknemer(s) beperkingen worden gesteld aan de bevoegdheid het beding toe te passen.
[…] /Mammoet IIheeft de discussie aangewakkerd of de werkingssfeer van art. 7:613 BW Pro geacht moet worden te zijn beperkt tot wijzigingen op het gebied van collectieve arbeidsvoorwaarden en dis niet van toepassing zou zijn op een eenzijdige wijziging in een individueel geval. Het is juist dat het eenzijdig wijzigingsbeding vooral is bedoeld voor wijzigingen met een collectief karakter, omdat vooral dáárbij behoefte bestaat aan een collectieve regeling (de zogenoemde ordeningsfunctie; zie hiervoor, 3.8 en 3.12). Dat betekent echter niet dat de toepassing van een dergelijk beding op individuele gevallen zou zijn uitgesloten. [56] Wat daar verder ook van zij, de onderhavige zaken hebben onbetwist betrekking op een arbeidsvoorwaarde met een collectief karakter.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
Onderdeel 1klaagt dat het hof bij de toetsing aan art. 7:613 BW Pro is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door uitsluitend na te gaan of de Werkgevers een voldoende zwaarwichtig belang hebben en dit belang geïsoleerd te beschouwen in plaats van dat belang in relatie tot het belang van de Werknemers te bezien.
Onderdeel 2klaagt dat het hof bij zijn oordeel niet heeft betrokken het feit dat de GOR heeft ingestemd met de premielastverdeling.
Onderdeel 3bestrijdt het oordeel van het hof dat het feit dat slechts vijf van de 590 werknemers bezwaar hebben gemaakt tegen de wijziging van de premielastverdeling niets zegt over de aard en het gewicht van het belang van de Werkgevers bij die wijziging.
Onderdeel 4klaagt erover dat het hof bij zijn beoordeling het solidariteitsbeginsel niet in aanmerking heeft genomen.
Onderdeel 5ten slotte bevat een voortbouwklacht.
in feite een loonoffer van de werknemer” vragen heeft het hof de door de premielastverdeling getroffen belangen van de Werknemers niet gewaardeerd en dus ook niet afgezet tegen het door de Werkgevers gestelde belang.
eerste plaatsduidt de tekst van art. 7:613 BW Pro (zie hiervoor, 3.2) niet op twee afzonderlijke, cumulatieve criteria waaraan moet worden getoetst, maar op een alomvattende belangenafweging waarbij het belang van de werkgever bij wijziging van een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde moet worden bezien in relatie tot het belang van de werknemer(s) bij ongewijzigde instandlating daarvan. Indien de wetgever van oordeel zou zijn geweest dat de rechter het zwaarwichtige belang van de werkgever los van het belang van de werknemer(s) moet toetsen, dan had het voor de hand gelegen – zoals de Werkgevers ook hebben opgemerkt [57] – dat art. 7:613 BW Pro anders was geredigeerd, bij voorbeeld als volgt:
zodanigzwaarwichtig belang heeft
datenhet belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.”
zodanig verstoorde arbeidsverhouding datvan de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren). Ook daarbij hoeft de rechter niet eerst vast te stellen of er een ernstige verstoring van de arbeidsverhouding is om vervolgens afzonderlijk te beoordelen of die verstoring meebrengt dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd dat de arbeidsovereenkomst voortduurt. Het zelfde geldt voor de ontslaggrond genoemd in art. 7:669 lid Pro 3, onder h, BW (andere omstandigheden
die zodanig zijn datvan de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren). Of genoemde ontslaggronden zich voordoen dient in één alomvattende toets te worden beoordeeld.
tweede plaatslevert het tweeledige doel van art. 7:613 BW Pro een aanwijzing op dat het belang van de werkgever in alle gevallen moet worden afgezet tegen het belang van de werknemers. De wetgever heeft het belang van de werknemer om beschermd te worden tegen de mogelijkheid dat de werkgever zelfstandig wijzigingen aanbrengt in de arbeidsovereenkomst willen verenigen met het belang van de werkgever bij een collectieve ordening van de arbeidsvoorwaarden (zie hiervoor, 3.8 en 3.12). Bij dit beoogde evenwicht past dat bij een eenzijdig doorgevoerde wijziging het belang van de werkgever bij die wijziging wordt bezien in relatie tot het geschonden belang van de werknemers. Zo wordt bovendien voorkomen dat de werkgever wegens het ontbreken van een (zelfstandig) zwaarwichtig belang geen beroep zou kunnen doen op het overeengekomen wijzigingsbeding, ook in situaties waarin de belangen van de werknemers maar in zeer beperkte mate worden getroffen (zie hiervoor, 3.5, 3.6 en 3.20).
derde plaatswijs ik op het arrest
[…] /Mammoet. [58] De Hoge Raad heeft in dat arrest een drieledige redelijkheidstoets ontwikkeld waarbij de belangen van de werknemer(s) reeds meewegen bij de vraag of de werkgever een redelijk voorstel heeft gedaan. Heeft de werkgever een redelijk voorstel gedaan, dan wordt de ruimte voor een werknemer om dat voorstel te weigeren beperkt door de redelijkheid, zoals uit te leggen in het licht van de eisen van goed werknemerschap. indien zich niet de situatie voordoet waarin aanvaarding van het voorstel van de werkgever in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd, is deze derhalve verplicht dat voorstel te aanvaarden (zie hiervoor, 3.32-3.34). Hoewel die zaak niet zag op een eenzijdig wijzigingsbeding, bevat genoemd arrest m.i. twee aanknopingspunten voor de uitleg van art. 7:613 BW Pro die het middel voorstaat.
[…] /Mammoetontwikkelde redelijkheidstoets is vereist dat het
voorstel redelijkis, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen, waaronder de belangen van de werknemer bij het ongewijzigd blijven van een arbeidsvoorwaarde (zie hiervoor, 3.31). Ik zou menen dat voor de uitleg van art. 7:613 BW Pro daarbij in zoverre kan worden aangesloten dat het belang van de werkgever bij het doen van een voorstel tot wijziging van een arbeidsvoorwaarde mede
in relatie tothet belang van de door de wijziging getroffen werknemer(s) moet worden beoordeeld. In zowel de situatie met een eenzijdig wijzigingsbeding als de situatie zonder een dergelijk beding staat dan de redelijkheid en billijkheid centraal; slechts de ‘techniek’ verschilt.
[…] /Mammoet IIwél kan worden gebonden aan een redelijk voorstel van de werkgever tot aanpassing van de arbeidsovereenkomst, maar de werknemer op wiens arbeidsovereenkomst een eenzijdig wijzigingsbeding van toepassing is, niet zou kunnen worden gebonden door een redelijk voorstel van de werkgever, om de enkele reden dat deze bij zijn voorstel op zichzelf beschouwd geen zwaarwichtig belang heeft. De werkgever die een eenzijdig wijzigingsbeding is overeengekomen zou dan onder omstandigheden
minderarmslag hebben om een arbeidsvoorwaarde aan te passen dan een werkgever die een dergelijk beding niet in zijn arbeidsovereenkomsten heeft staan. Dat lijkt mij een anomalie.
vierde plaatsmeen ik dat de eerste (‘absolute’) benadering tot een minder zorgvuldige belangenafweging kan leiden. Dat is m.i. terug te zien in de bestreden arresten. Het hof lijkt moeite te hebben een plaats te geven aan de instemming van de GOR en het (ogenschijnlijke) brede draagvlak onder de werknemers, door te oordelen dat dit “niets” zegt over de aard of het gewicht van het belang van de werkgever. De volle weging van deze omstandigheden kan moeilijk in een objectieve zwaarwichtig belang-toets worden geperst. De opsplitsing van de toetsing in twee stappen kan daarnaast de vraag doen rijzen welke omstandigheden of elementen onder de ‘zwaarwichtig belang’-toets (stap 1) vallen en welke onder de daaropvolgende ‘redelijkheidstoets’ (stap 2). Illustratief is dat hierover in de literatuur verschil van mening bestaat. [59]
daarbij past een dergelijke gesubjectiveerde maatstaf niet.” [60]
hoede rechter moet beoordelen of die uitzondering zich voordoet. Voor het overige meen ik, met respect, dat de wetsgeschiedenis van art. 7:613 BW Pro eerder een bron van vragen dan van antwoorden vormt. Een duidelijk argument tegen de relatieve benadering kan ik daar in elk geval niet in ontwaren.
is losgezongen” van het wettelijk stelsel, met als gevolg dat “
we afscheid nemen van de artikelen 3:33 en 3:35 BW, van Haviltex en van het beginsel van contractsvrijheid”
,terwijl dat wettelijke stelsel via art. 7:611 BW Pro en art. 6:2/6:248 BW voldoende mogelijkheden biedt voor maatwerk. [62]
subonderdeel 2(a)klagen de Werkgevers dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door in rov. 3.5 t/m 3.15 te oordelen dat van een zwaarwichtig belang in de zin van art. 7:613 BW Pro geen sprake is, zonder acht te slaan op de instemming van de GOR met de arbeidsvoorwaardewijziging. Volgens de Werkgevers heeft het hof hierbij miskend dat juist bij de beoordeling of sprake is van een zwaarwichtig belang (belangrijk) gewicht toekomt aan de instemming van de GOR.
multi-interpretabele overweging” heeft gegeven. [64] De Werkgevers betogen, enigszins samengevat, dat zowel indien het hof (1)
geen enkelgewicht heeft toegekend aan de instemming van de GOR als wanneer het (2)
wel enig gewichtdaaraan heeft toegekend, zijn oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof dan heeft miskend, (i) primair dat met die instemming het vereiste zwaarwichtige belang in beginsel is gegeven, (ii) subsidiair dat die instemming een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het bestaan van een zwaarwichtig belang of (iii) meer subsidiair dat instemming een in aanmerking te nemen aanwijzing vormt dat het zwaarwichtig belang bestaat. Indien het hof
nietvan een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, is zijn beslissing in rov. 3.15 dat de Werkgevers onvoldoende hebben onderbouwd dat zich een zwaarwichtig belang voordoet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat de motivering geen enkel inzicht biedt in het gewicht dat het hof aan de instemming door de GOR heeft toegekend.
door [Werkgever] in onvoldoende mate is onderbouwd dat de door haar aangevoerde redenen een zwaarwichtig belang opleveren in de zin van artikel 7:613 BW Pro, noch elk voor zich, noch in hun onderling verband gezien.” Daaruit concludeert het hof dat Grief I van de Werknemers slaagt en dat dit “
ertoe leidt dat het vonnis in eerste aanleg niet in stand kan blijven” (rov. 3.16, eerste zin). Daarop laat het volgen dat het nog dient “
te oordelen over de overige in eerste aanleg gevoerde verweren, voor zover relevant”. Vervolgens behandelt het hof “
allereerst” het verweer van de Werkgevers dat is ontleend aan de instemming van de GOR. Te dien aanzien overweegt het hof in rov. 3.16 dat de instemming van de ondernemingsraad niet doorwerkt in de individuele arbeidsovereenkomst. Bij een eenzijdige wijziging van een primaire arbeidsvoorwaarde, zoals hier aan de orde, geldt dat de werkgever “
onverminderd moet aantonen dat daartoe een zwaarwichtig belang bestaat, zeker wanneer dat door een werknemer gemotiveerd wordt betwist. Het bestaan van zo’n belang volgt niet reeds enkel uit de instemming van de OR met de wijziging van de (primaire) arbeidsvoorwaarde.”
primairearbeidsvoorwaarde (zoals het vaste salaris) wordt gewijzigd. Wat daar ook van zij, zowel de overweging dat instemming van de ondernemingsraad niet doorwerkt in de arbeidsovereenkomst als de daarop voortbouwende overweging dat een voldoende zwaarwichtig belang van de werkgever niet reeds enkel uit de instemming van de OR volgt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft evenwel nagelaten te overwegen wat dan wél de betekenis is van instemming van de ondernemingsraad (hier: de GOR).
geen belangtoekomt voor het antwoord op de vraag of de Werkgevers voldoende hebben onderbouwd dat zij een zwaarwichtig belang hebben om de premielastverdeling aan te passen. Daarmee is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 7:613 BW Pro blijkt dat instemming van de ondernemingsraad een bij de beoordeling in aanmerking te nemen factor is (zie hiervoor, 3.13-3.17). Ook een meerderheid van de schrijvers verdedigt het standpunt dat instemming van c.q. overeenstemming met de ondernemingsraad een belangrijk gezichtspunt vormt (zie hiervoor, 3.23). Nu het hof dit heeft miskend, dienen de in het eerste en in het tweede subonderdeel naar voren gebrachte rechtsklachten te slagen. De motiveringsklacht in subonderdeel 2(b) behoeft geen behandeling.
niets” zegt over de aard en het gewicht van het belang van de Werkgevers bij de wijziging en dat dit niet afdoet aan het eerdere oordeel van het hof dat geen sprake is van een zwaarwichtig belang. De Werkgevers klagen dat dit oordeel rechtens onjuist is omdat het miskent dat een ‘zwaarwichtig belang’ in de zin van art. 7:613 BW Pro een relatief begrip is, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Daarbij komt wel degelijk gewicht toe, althans kan gewicht toekomen, aan het feit dat de overgrote meerderheid van de werknemers niet tegen de wijziging opkomt. [65]
wanneerdraagvlak onder het personeel aanwezig moet zijn. Denkbaar zijn situaties waarin een (ruime) meerderheid van de werknemers desgevraagd zich uitspreekt tegen een voorgenomen maatregel die van hen een financieel offer vraagt. Als vervolgens, na instemming van de ondernemingsraad, de betrokken maatregel toch wordt doorgevoerd, valt het nog maar te bezien hoeveel werknemers het opbrengen om een procedure te starten tegen hun werkgever. In zoverre zegt het feit dat in dit geval slechts vijf werknemers naar de rechter zijn gestapt niet zo gek veel.
een offer op het terrein van arbeidsvoorwaarden mag worden verwacht” als de werkgever een zodanig zwaarwegend belang bij een eenzijdige wijziging van een arbeidsvoorwaarde heeft dat het belang van de werkgever daarvoor moet wijken. Het hof heeft derhalve aan het niet-essentiële betoog van de Werkgevers op dit punt voorbij mogen gaan.
met wiesolidariteit moet worden betracht. Solidariteit kan een toverwoord zijn om belangentegenstellingen te kanaliseren. Pensioenstelsels zijn daar een voorbeeld van: werkgevers, deelnemers en gepensioneerden hebben elk hun belangen, net als de leeftijdscohorten. Daartussen moet een evenwicht worden gevonden. Het is tegen die achtergrond dat ik de passage uit de conclusie van A-G Timmerman begrijp, waarnaar de schriftelijke toelichting van de Werkgevers (onder 78) verwijst ter ondersteuning van “
de gedachte dat het solidariteitsbeginsel in discussies over de toelaatbaarheid van de wijziging van arbeidsvoorwaarden een in aanmerking te nemen factor van gewicht is.” A-G Timmerman merkt op: [66]
tussenwerknemers zie ik niet, temeer nu alle werknemers procentueel hetzelfde moeten bijdragen aan de premieslastverdeling.