ECLI:NL:HR:2012:BU6787

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03558
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 58 SrArt. 420bis SrArt. 441 SvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding en herstel wettelijke voorschriften

In deze cassatiezaak tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem heeft de Hoge Raad het beroep van de verdachte deels gegrond verklaard. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan de duur werd verminderd van 36 maanden (waarvan 6 maanden voorwaardelijk) naar 32 maanden (waarvan 6 maanden voorwaardelijk) met een proeftijd van twee jaar.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet expliciet had vermeld dat het rekening had gehouden met eerdere veroordelingen op grond van art. 63 Sr Pro, maar dat dit verzuim de verdachte niet had geschaad omdat die eerdere veroordelingen enkel geldboetes betroffen. Wel werd het verzuim hersteld door toepassing van art. 441 Sv Pro.

Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden en het arrest pas na meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd uitgesproken. Dit leidde tot vermindering van de straf.

De overige middelen van cassatie werden verworpen. De Hoge Raad bevestigde daarmee het belang van correcte procesvoering en naleving van termijnen in strafzaken.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot 32 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

7 februari 2012
Strafkamer
nr. S 09/03558
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 24 juni 2009, nummer 21/004926-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel klaagt primair dat het Hof niet heeft doen blijken op de voet van art. 63 Sr Pro rekening te hebben gehouden met eerdere veroordelingen, en subsidiair dat het Hof heeft verzuimd art. 63 en Pro art. 420bis Sr te vermelden als toepasselijke wettelijke voorschriften.
3.2. In aanmerking genomen dat bij de in het middel bedoelde uitspraken geldboetes zijn opgelegd, moet - gelet op de in de onderhavige zaak opgelegde gevangenisstraf en in aanmerking genomen het bepaalde in art. 63 in Pro verbinding met art. 58 Sr Pro - worden aangenomen dat de verdachte niet is geschaad door het in de primaire klacht aangevallen verzuim, zodat deze reeds daarom faalt. De subsidiaire klacht is gegrond. De Hoge Raad zal het verzuim met toepassing van art. 441 Sv Pro herstellen.
4. Beoordeling van het vierde middel
4.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
4.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover daarbij als wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging mede berust niet de art. 63 en Pro 420bis Sr zijn vermeld;
vermindert de duur van de gevangenisstraf in die zin dat deze 32 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
vermeldt als wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging mede berust de art. 63 en Pro 420bis Sr;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 7 februari 2012.