Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
[.../...]) [4] over het hoofd gezien die inhoudt dat ingeval appellant in hoger beroep opkomt tegen het oordeel dat zijn wederpartij is geslaagd in het bewijs dat hij naar het oordeel van de rechter in eerste aanleg gelet op de bewijslastverdeling ter zake, diende te leveren, de devolutieve werking van het hoger beroep meebrengt dat de appelrechter ten gunste van de geïntimeerde dient te beoordelen of de bewijslastverdeling waarvan de rechter in eerste aanleg is uitgegaan, juist is, ook indien geïntimeerde dit niet in hoger beroep aan de orde heeft gesteld. Het hof heeft geen beslissing genomen over de vraag of de rechtbank terecht de man heeft belast met het bewijs van zijn stelling dat de vrouw samenwoont, dan wel heeft samengewoond, met [betrokkene 1] als waren zij gehuwd, of dat de vrouw belast moest worden met het leveren van tegenbewijs tegen deze, voorlopig vaststaande, samenwoning als ware men gehuwd. Daartoe was het hof echter ambtshalve verplicht. Overigens heeft de man zich in eerste aanleg uitdrukkelijk beroepen op het argument dat hij ten onrechte door de rechtbank is belast met het bewijs en dat juist de vrouw het tegenbewijs opgedragen zou moeten worden. [5] Deze stelling heeft hij in hoger beroep niet prijsgegeven.
nietinhoudt dat de rechtbank van een onjuiste bewijslastverdeling is uitgegaan, kan de (feiten-)rechter immers ook niet worden gehouden om de gestelde samenwoning als voorlopig vaststaand aan te merken, maar staat het hem vrij om van deze hem ter beschikking staande mogelijkheid gebruik te maken als hem dat geraden voorkomt. Een dergelijke (feitelijke) beoordeling komt dan ook – als voorlopige bewijswaardering – aan de rechter in feitelijke instantie toe. Het onderdeel betoogt niet dat deze beoordeling onbegrijpelijk zou zijn; dat zal in het algemeen ook niet snel het geval zijn en daar is mijns inziens hier in ieder geval geen sprake van.
kunnenrechtvaardigen dat sprake is van wederzijdse verzorging tussen de vrouw en haar nieuwe partner, ondanks dat het hier gaat om omstandigheden die uitsluitend weekends en vakanties betreffen. Het hof heeft mijns inziens echter niet miskend dat omstandigheden die zich uitsluitend in weekends en vakanties voordoen de conclusie van wederzijdse verzorging
kunnenrechtvaardigen, maar heeft slechts geoordeeld dat de vaststaande omstandigheden (die hier – althans voor een deel – uitsluitend weekends en vakanties betreffen) dat in het onderhavige geval
niet doen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Hetzelfde geldt volgens het hof voor het meermaals
helpen met verhuizen en klussen, en voor het feit dat
somssamen boodschappen werden gedaan en
somssamen werd betaald. Ook dat oordeel getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting. Om welke reden het oordeel onbegrijpelijk zou zijn, geeft het middel niet aan. Ook los daarvan zie ik niet in waarom het oordeel zonder meer onbegrijpelijk zou zijn.