Conclusie
1.Feiten en procesverloop
de bevindingen in zijn totaliteit zeer sterk [wijzen] in de richting van een dramatische complicatie van de zwangerschap dan wel een dramatisch verlopen ziekelijke afwijking tijdens de zwangerschap”.
Een lijk wordt slechts opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het is begraven, en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1keert hij zich tegen de overwegingen van het hof in (met name) rov. 5.4 en 5.13.
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof daarin allereerst heeft miskend of onvoldoende heeft onderkend dat het hier gaat om een atypisch geval, dat erdoor wordt gekenmerkt dat (i) iemand wordt geconfronteerd met de dood van zijn echtgenote (en hun ongeboren dochter) en zich de schrijnende situatie voordoet dat hij ten onrechte wordt verdachte van een aan deze dood gerelateerd misdrijf waardoor hij, als gevolg van detentie, anders dan normaal gesproken, niet als achtergebleven echtgenoot (en vader) opdracht heeft kunnen geven tot de begrafenis, (ii) in zijn plaats een ander die opdracht heeft gegeven en de begraafplaats conform deze opdracht niet overeenkomt met de wens of vermoedelijke wens van de overledene in de zin van art. 18 lid 1 Wlb Pro, terwijl de achtergebleven echtgenoot (en vader) nu juist duidelijk te kennen gaf dat de begrafenis om die reden niet op die locatie moet plaatsvinden (en dat verbood), en (iii) de achtergebleven echtgenoot (en vader) het daartoe wil leiden dat herbegrafenis plaatsvindt op een begraafplaats die wel met die (vermoedelijke) wens overeenkomst. Deze atypische situatie heeft als gevolg dat de hierboven bedoelde ander rechthebbende op het graf is geworden en het herbegraven derhalve niet mogelijk is zonder zijn toestemming. Volgens het subonderdeel heeft het hof ten tweede miskend dat in een dergelijk atypisch geval het weigeren van deze toestemming door die ander,
eerderdan buiten deze schrijnende situatie, voldaan is of kan zijn aan de misbruik van bevoegdheid-maatstaf en/of sprake zal of kan zijn van een onrechtmatige daad.
Dat [eiser] als gevolg van zijn detentie zelf niet in staat was om de opdracht tot die begrafenis te geven maakt, hoe schrijnend die situatie op zichzelf ook was, dat niet anders.”) en rov. 5.15 (“
Het is wrang dat de aanhouding van [eiser] en de onterecht gebleken verdenking dat hij de dood van [betrokkene 1] zou hebben bewerkstelligd, een voor alle nabestaanden passend en waardig afscheid van [betrokkene 1] heeft doorkruist (…).)”. Ook het feit dat [eiser] zich beroept op de (vermoedelijke) wens van [betrokkene 1] ten aanzien van haar begraafplaats – en dit (mede) ten grondslag legt aan zijn vordering tot toestemming voor opgraving en herbegraving – , een (vermoedelijke) wens die zou afwijken van wat in opdracht van [verweerders] is geschied, loopt als een rode draad door het arrest (en komt onder meer terug in de hierboven genoemde feiten onder (vi) en in rov. 5.5-5.6, 5.7-5.8 en 5.11-5.12).
in beginselgeen invloed hebben op de (vermoedelijke) wens van de overledene met betrekking tot een opgraving en herbegraving van diens stoffelijke resten – en is dus óók (zelfs) de (vermoedelijke) wens van de overledene met betrekking tot een dergelijke (eerste) begraving niet van doorslaggevend belang. Het hof heeft daarmee niet miskend dat van de in het subonderdeel genoemde omstandigheden wellicht wel (enige) invloed zou kunnen uitgaan op de beantwoording van de vraag of met de weigering van deze toestemming misbruik van bevoegdheid wordt gemaakt of onrechtmatig wordt gehandeld (in die zin dat die daardoor wat meer zou neigen richting een bevestigende beantwoording), maar heeft overwogen dat bij de beantwoording van die vraag in het geval dat de (eerste) begraving reeds heeft plaatsgevonden,
de (vermoedelijke) wens van de overledene– gegéven die, eventueel onzorgvuldige, eerste begraving –
ten aanzien van opgraving en herbegravingvooropstaat, en hier ook van doorslaggevend belang is. Die wens staat
in beginsellos van de door het subonderdeel genoemde omstandigheden. Het hof heeft vervolgens in het onderhavige geval geoordeeld dat de wens tot opgraving en herbegraving niet aanwezig kan worden geacht, en (mede) op grond daarvan geoordeeld dat de vorderingen niet toegewezen dienen te worden, waarbij ook de in het algemeen, ook door de wetgever (gezien bijvoorbeeld art. 29 Wlb Pro), van groot belang geachte grafrust een rol heeft gespeeld. Daarmee kan mijns inziens niet worden gezegd dat het hof de invloed van de door het subonderdeel genoemde omstandigheden onvoldoende heeft erkend. Het subonderdeel faalt derhalve.
in beginsel vrij staat om naar eigen inzicht hun toestemming wel of niet te geven” – onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd is. Immers, aldus het subonderdeel, staat het [verweerders] om de in subonderdeel 1.1 vermelde redenen niet, althans niet zonder méér, in beginsel vrij om naar eigen inzicht hun toestemming als vermeld in art. 29 lid 1 Wlb Pro wel of niet te geven.
algemeenuitgangspunt door bijzondere omstandigheden aan de kant zou kunnen worden gezet – blijft, gelet op de hiervoor in subonderdeel 1.1 genoemde omstandigheden en de bespreking daarvan in het kader van de in dat subonderdeel vervatte cassatieklachten (waarin werd weergegeven dat met name de wens van [betrokkene 1] ten aanzien van haar eventuele opgraving en herbegraving en het (algemene) belang van grafrust hier relevant zijn, en de in subonderdeel 1.1 genoemde omstandigheden daarop in beginsel geen invloed hebben), ook in die omstandigheden
als uitgangspuntzonder meer overeind. Ook in die omstandigheden staat het [verweerders] dus
in beginselvrij om toestemming te geven of te weigeren. Zoals ook het hof in rov. 5.4 aansluitend echter overweegt, vindt deze vrijheid haar begrenzing in – kort gezegd – het maken van misbruik van de daaruit voortvloeiende bevoegdheid om de in art. 29 Wlb Pro bedoelde toestemming te weigeren en, zoals het hof in rov. 5.13 nog tot uitdrukking heeft gebracht, als een dergelijke weigering (anderszins) als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Dat de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe kunnen leiden dat een dergelijke toestemming derhalve in het concrete geval wel degelijk
moetworden gegeven – hetgeen hier volgens het hof overigens niet aan de orde is – doet op zichzelf, zo al niet in het algemeen dan toch in ieder geval in deze omstandigheden, nog niet af aan de hierboven genoemde, door het hof als uitgangspunt genomen regel.
verder” geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan de weigering op andere gronden onrechtmatig zou zijn, en op de oordelen van het hof die met de onderdelen 4 en 5 worden bestreden.
Subonderdeel 2.1klaagt dat onjuist zijn de daarin opgenomen oordelen (i) dat het (wettelijk) voorschrift dat lijkbezorging dient te geschieden overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden (art. 18 lid 1 Wlb Pro), niet (geheel) samenvalt met het respect voor de overledene dat betracht dient te worden indien het gaat om de vraag of het stoffelijk overschot van een reeds begraven overledene opgegraven dient te worden, (ii) dat een belangrijk verschil tussen de beide momenten is dat op het tweede moment de lijkbezorging reeds heeft plaatsgevonden, en (iii) dat het respect voor de overledene daarmee niet (alleen) dient te worden beoordeeld vanuit het perspectief wat de overledene (vermoedelijk) zou hebben gewild voordat de begraving heeft plaatsgevonden, maar (ook) vanuit het perspectief wat deze (vermoedelijk) zou hebben gewild uitgaande van de situatie dat de begraving reeds heeft plaatsgevonden en dat het, toegesneden op deze zaak, gaat om de vraag of [betrokkene 1] (vermoedelijk) ook zou hebben gewild dat zij zou worden herbegraven op de begraafplaats in [plaats] dan wel de begraafplaats […] te [plaats] nadat haar overschot reeds was bijgezet op de begraafplaats […] .
de lijkbezorging” en die dient “
overeenkomstig de wens of vermoedelijke wens van de overledene” plaats te binden. Hieruit volgt volgens het subonderdeel dat als het stoffelijk overschot begraven ligt op een andere begraafplaats dan dat door de overledene gewenst werd, in beginsel is gegeven dat de lijkbezorging niet overeenkomstig de wens van de overledene is (geweest). De door het hof aangelegde maatstaf is onjuist en, althans in praktisch opzicht, niet werkbaar en maakt het uitgangspunt van de Wlb – dat de lijkbezorging overeenkomstig de (vermoedelijke) wens van de overledene plaatsvindt – voor een dergelijke geval illusoir, aldus het subonderdeel. Niet realistisch, en onjuist, is immers om van een nabestaande die herbegraving wenst op een begraafplaats die overeenkomt met de (vermoedelijke) wens van de overledene, te verlangen (voldoende onderbouwd) te stellen dat de overledene (vermoedelijk) (ook) gewild zou hebben om aldus herbegraven te worden. Nagenoeg niemand denkt bij leven na over deze vraag en geeft aan wat zijn wensen hieromtrent zijn, zodat een dergelijke stelling doorgaans louter op speculatie kan berusten.
niet op deze afweging toegespitst” zijn, op basis van hetgeen [eiser] wél (gedocumenteerd) heeft gesteld en hetgeen hierin besloten ligt, tot een bevestigende beantwoording kon komen van de vraag of er voldoende aanknopingspunten zijn om het erop te houden dat [betrokkene 1] (vermoedelijk) ook zou hebben gewild dat zij zou worden herbegraven op de begraafplaats in [plaats] dan wel de begraafplaats […] te [plaats] nadat haar overschot reeds was bijgezet op begraafplaats […] . Door dit niet te doen heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel ontoereikend gemotiveerd waarom het dit niet heeft gedaan. Het subonderdeel verwijst in dit kader naar (citaten in de memorie van toelichting uit) de in feitelijke instanties overgelegde verklaring van hemzelf en verklaringen van personen uit de nabije omgeving van [betrokkene 1] . Volgens het subonderdeel heeft het hof verzuimd deze verklaringen in dit kader te onderzoeken, terwijl voornoemde verklaringen er alle op neerkomen dat [betrokkene 1] echt niet op een dergelijke begraafplaats begraven had willen worden. Bovendien had het [eiser] in de gelegenheid moeten stellen om te reageren op de in subonderdeel 2.1 onder (i)-(iii) opgenomen oordelen en zijn stellingen aan te passen, uit te werken en/of toe te spitsen, juist omdat deze oordelen, die niet bepaald in de lijn der verwachtingen lagen, neerkomen op een ontoelaatbare verrassingsbeslissing.
tweede keuzemoment” (vgl. rov. 5.7) heeft [verweerders] in hoger beroep in zijn eerste stuk duidelijk en gemotiveerd stelling genomen. [10] [eiser] heeft derhalve voldoende mogelijkheid gehad om op dit alles in te gaan. Het is voorts niet vereist dat een rechter het relevante beoordelingskader reeds voorafgaand aan zijn oordeel tegenover partijen uiteenzet; het is in beginsel aan partijen zelf om te bepalen wat relevant zal (kunnen) zijn, ook van het door de wederpartij aangevoerde, en hierover voldoende onderbouwd stelling in te nemen of dit voldoende onderbouwd te weerspreken. Dat [eiser] wellicht de relevantie van de stellingen van [verweerders] onvoldoende heeft onderkend, komt voor zijn rekening.
specifieke voortbouwklachten (onverminderd de algemene voortbouwklacht)”, zoals de procesinleiding dit uitdrukt (met de algemene voortbouwklacht wordt kennelijk gedoeld op onderdeel 8).
Subonderdeel 2.3houdt in dat hetgeen waarover subonderdeel 2.1 klaagt, ook tot gevolg zou hebben dat verschillende andere oordelen in rov. 5.8 niet in stand zouden kunnen blijven. Het betreft kort gezegd de oordelen dat de stellingen van [eiser] niet voldoende zijn toegespitst op de hier relevante wil van [betrokkene 1] omtrent haar eventuele herbegraving en dat [eiser] daarmee niet voldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat herbegraving overeenstemt met de (vermoedelijke) wens van [betrokkene 1] en strookt met het respect voor de overledene.
Subonderdeel 2.4bevat eenzelfde voortbouwende klacht ten aanzien van enkele oordelen in rov. 5.12 en 5.13, namelijk, kort gezegd, de oordelen dat in de stellingen van [eiser] onvoldoende tot uitdrukking komt dat het ook de (vermoedelijke) wens van [betrokkene 1] zou zijn geweest om te worden herbegraven en dat de weigering van [verweerders] om toestemming te verlenen voor het opgraven van het stoffelijk overschot van [betrokkene 1] (en [betrokkene 3] ) niet berust op een onevenredige belangenafweging van de daarbij betrokken belangen, zodat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid.
subonderdeel 3.1is onbegrijpelijk dat het hof hierin oordeelt dat [verweerders] “
onweersproken” aangevoerd heeft dat [betrokkene 1] (een christelijke geloofsovertuiging had, dat zij overeenkomstig die overtuiging is begraven – in de handen van God als schepper is gelegd – en) volgens haar geloofsovertuiging niet nogmaals “
in de handen van haar Schepper” kan worden gelegd. Door (de raadsman van) [eiser] is namelijk tijdens de comparitie in eerste aanleg expliciet de stelling betrokken dat hij zich niet kan voorstellen dat er vanwege het christelijk geloof bezwaren tegen een herbegrafenis zouden bestaan, welke stelling zich niet anders laat verstaan dan dat [eiser] daarmee weerspreekt en betwist dat [betrokkene 1] volgens haar geloofsovertuiging niet nogmaals “
in de handen van haar Schepper” gelegd zou kunnen worden. Derhalve valt zonder nadere, doch ontbrekende motivering niet in te zien waarom [verweerders] de betreffende stelling onweersproken zou hebben aangevoerd. Indien het hof die stelling als niet of onvoldoende onderbouwd zou hebben mogen passeren, is dit oordeel onjuist en/of ten onrechte niet of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu de stelling van [verweerders] op geen enkele wijze is onderbouwd, zodat niet (zonder meer) valt in te zien dat ter betwisting van die stelling niet volstaan zou kunnen worden met de ‘ik kan me niet voorstellen’-stelling van [eiser] . Hierbij moet nog worden bedacht dat het bepaald geen feit van algemene bekendheid is dat het volgens de respectievelijk een (enkele) christelijke geloofsovertuiging ter behartiging van een zwaarwegend belang niet toegestaan zou zijn om een stoffelijk overschot op te graven teneinde het elders te herbegraven.
niet kan voorstellen dat, kennelijk
in het algemeen, vanwege het christelijk geloof bezwaren tegen een herbegrafenis zouden bestaan. Over de geloofsovertuiging van [betrokkene 1] en de gevolgen die hieruit naar haar oordeel zouden voortvloeien, zegt dit echter welbeschouwd niets (of niet veel). Wat voortvloeit uit een algemene christelijke geloofsovertuiging is hier niet van belang. Ook dat hiermee een zwaarwegend belang wordt gediend, is geen vereiste. Of sprake is van een zwaarwegende belang is in deze zaak van belang in het kader van de vraag of hier een uitzonderlijk geval aan de orde is waarin een noodzaak tot opgraving bestaat. De geloofsovertuiging van [betrokkene 1] is overigens juist een belang dat in de weg staat aan een dergelijke noodzaak en/of uitzonderlijk geval.
subonderdelen 3.2, 3.3 en 3.4bevatten wederom enkele “
specifieke voortbouwklachten (onverminderd de algemene voortbouwklacht)”.
Subonderdeel 3.2meent dat de klacht van subonderdeel 3.1 ook het oordeel van het hof raakt in rov. 5.8 dat voor zover ervan uitgegaan dient te worden dat in de stellingen van [eiser] besloten ligt dat het dan de (vermoedelijke) wens van [betrokkene 1] zou zijn geweest om herbegraven te worden, [eiser] daarin niet gevolgd kan worden.
Subonderdeel 3.3betoogt hetzelfde ten aanzien van de in het slot van rov. 5.8 opgenomen oordelen.
Subonderdeel 3.4betoogt ten slotte nog dat gezien subonderdeel 3.1 het oordeel van het hof in rov. 5.10 dat [verweerders] (onweersproken) hebben gesteld dat hun geloofsovertuiging zich verzet tegen herbegraving, (ook) onbegrijpelijk is, alsmede het hierop voortbouwende oordeel in rov. 5.10 dat het opgraven van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] erg ingrijpend zou zijn voor [verweerders]
Subonderdeel 4.1klaagt dat het hof met zijn oordeel dat geen doorslaggevend gewicht toekomt aan [eiser] stelling dat hij het [verweerders] voorafgaand aan de begrafenis heeft verboden om [betrokkene 1] op […] te begraven, heeft miskend dat die omstandigheid, ook als zij niet doorslaggevend zou zijn, wel degelijk relevant is voor de beantwoording van de vraag of de weigering van zijn toestemming door [verweerders] misbruik van bevoegdheid oplevert of onrechtmatig is jegens [eiser] . Daarom volgt uit dit oordeel niet, laat staan zonder meer, dat het hof deze relevante omstandigheid niet voldoende kenbaar zou hebben hoeven meewegen bij de beantwoording van deze vragen, hetgeen het hof heeft miskend.
Subonderdeel 5.1klaagt dat het hof met zijn oordeel in de eerste alinea van rov. 5.14 dat de stelling van [eiser] dat de begrafenis mogelijk uitgesteld had kunnen worden, zodat hij daar meer bij betrokken had kunnen worden, niet ziet op het respect voor de overledene in het kader van een beoordeling van de vraag of het stoffelijk overschot herbegraven zou moeten worden, miskent dat deze stelling hoe dan ook relevant is voor de beantwoording van de vraag of de weigering van zijn toestemming door [verweerders] misbruik van bevoegdheid oplevert of onrechtmatig is jegens [eiser] en het hof deze stelling daarbij niet (voldoende) kenbaar heeft meegewogen.
Subonderdeel 5.4klaagt aansluitend dat het hof bedoeld bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd en/of dit passeren onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens het hof is immers kennelijk van belang (want verdient opmerking) dat het stoffelijk overschot van [betrokkene 1] in een zodanige slechte staat verkeerde dat het begraven ervan niet langer uitgesteld kon worden, zodat het hof dit bewijsaanbod alleen al daarom niet mocht passeren.
Subonderdeel 6.1klaagt dat het oordeel van het hof dat onder grafrust niet dient te worden verstaan de rust die bestaat doordat de overledene is begraven op de plek van haar voorkeur (maar dat het graf waarin de overledene is begraven zoveel mogelijk met rust gelaten dient te worden), onjuist en/of ongemotiveerd is. Volgens het subonderdeel dient de lijkbezorging gezien art. 18 Wlb Pro te geschieden overeenkomstig de (vermoedelijke) wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden, en heeft het hof niet geoordeeld dat deze ‘tenzij’ van toepassing zou zijn. Gezien deze wetsbepaling is, althans in dit geval en bij de beantwoording van de in subonderdeel 4.1 vermelde vragen, geen sprake van grafrust, indien de lijkbezorging niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig de (vermoedelijke) wens van de overledene. Waar het gaat om grafrust betreft het, althans in de context van deze zaak, de regel dat zonder toestemming van de rechthebbende op het graf geen opgraving mag plaatsvinden van het stoffelijke overschot (art. 29 Wlb Pro). In het kader van de beantwoording van de vraag of de rechthebbende deze toestemming mag weigeren, gaat het om iets wat wezenlijk anders is, want indien deze vraag naar het oordeel van de rechter in ontkennende zin beantwoord moet worden en de rechthebbende vervolgens zijn toestemming alsnog geeft, vindt de opgraving (dus) mét toestemming plaats.
(…) in de eerste plaats bepaald door het respect voor de overledene en het ook uit de regeling van art. 29 Wlb Pro blijkende algemene belang dat het stoffelijk overschot dat ter aarde is besteld met rust wordt gelaten en niet onnodig wordt opgegraven.”)
nietvoldoende is om het een relevante omstandigheid voor de beantwoording van bedoelde vragen te maken. Dat betekent dat het hof heeft geoordeeld dat dit bijplaatsen de gevorderde opgraving en herbegraving niet minder ingrijpend maakt, althans onvoldoende om een wezenlijk verschil te maken. Daarmee heeft het, in tegenstelling tot wat het subonderdeel betoogt, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdelen 6.3 en 6.4volgen nog enige “
specifieke voortbouwklachten (onverminderd de algemene voortbouwklacht)”.
Subonderdeel 6.3betoogt dat hetgeen waarover door de subonderdelen 6.1 en 6.2 wordt geklaagd ook het oordeel van het hof in de eerste volzin rov. 5.9 – dat het opgraven van het stoffelijk overschot van [betrokkene 1] inbreuk maakt op de grafrust – raakt.
Subonderdeel 6.4betoogt dat het hof – gezien subonderdeel 6.2 en de in subonderdeel 6.1 bestreden uitleg van de term ‘grafrust’ – bij dit oordeel teveel gewicht heeft toegekend aan de inbreuk op de grafrust.
algemene voortbouwklacht”, die inhoudt dat onverminderd alsmede naast en afgezien van de hiervoor geformuleerde specifieke voortbouwklachten, hetgeen waarover een vorig onderdeel klaagt (tevens) al hetgeen waarmee het hof in het bestreden arrest voortbouwt op hetgeen dat onderdeel bestrijdt, waaronder het dictum van het arrest, vitieert.