Conclusie
eerstemiddel klaagt dat het hof van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is afgeweken terwijl de daartoe in het bijzonder opgegeven redenen niet begrijpelijk zijn. Dat standpunt betreft het verweer dat de voor het bewijs van feit 1 gebezigde verklaringen van [benadeelde 4] onbetrouwbaar zijn.
Bewijsverweer ten aanzien van [benadeelde 4] (feit 1 en 2)
hierna: [verdachte] )voor haar zorgde en op haar lette, hetgeen in een relatie gewoon is. De ouders van [benadeelde 4] en haar broer hebben verklaard dat zij een liefdevolle relatie had met [verdachte] . [benadeelde 4] loog in telefoongesprekken. De verdediging acht het, als alternatief scenario, waarschijnlijker dat ze nu liegt omdat ze niet de aandacht krijgt die ze wil nu [verdachte] weg is.
(BFK: betekende)en de vermelding van “xx” € 100 (aan verdiensten).
tweedemiddel klaagt dat ‘s hofs oordeel dat de bewezenverklaring van feit 2 voor zover deze betrekking heeft op een personenauto gekwalificeerd kan worden als ‘witwassen’ getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
contantegeldbedragen, levert geen strafbaar feit op. De verdachte dient derhalve in zoverre van alle rechtsvervolging te worden ontslagen. Voornoemde contante geldbedragen zijn immers onmiddellijk uit het (onder 1 bewezen verklaarde) eigen misdrijf van de verdachte afkomstig en het enkele voorhanden hebben daarvan kan niet hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld, zodat het feit in zoverre niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.
derdemiddel, dat klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de cassatiefase, onvoldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt. [4] Het beroep kan daarom op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.