Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte voorwerpen voorhanden heeft gehad die “bestemd waren tot” het plegen van een van de in art. 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten en dat de verdachte dit wist.
- 73 hennepstekken/-planten
- 56 armaturen
- 58 assimilatielampen
- 2 schakelborden
- 3 tijdschakelaars
- 59 transformatoren
- 8 koolstoffilters
- 6 slakkenhuizen
- 4 ventilatoren
- 1 temperatuur regelaar
- 1 water-/beluchtingpomp
- 3 kannen groeimiddel
- 1 knipschaar
- 1 sealapparaat
heeft voorhanden gehad, waarvan hij en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.”
Op 6 april 2016 omstreeks 21:50 uur kregen wij de melding van een verdachte situatie op de [a-straat 1] te Geldrop. Door de meldster werd aangegeven dat er meerdere mensen het pand gelegen aan de [a-straat 1] waren binnen gelopen.
Normaal gesproken zou er geen beweging zijn bij het pand. De meldster gaf aan dat zij de situatie niet vertrouwde. Ik, [verbalisant 2] , ben aangesteld als taakaccenthouder verdovende middelen. Het was mij, [verbalisant 2] , bekend dat er onlangs een MMA melding was binnengekomen omtrent bovengenoemd pand. In deze MMA melding werd gesproken dat er was gezien dat er meerdere koolstoffilters het bedrijfspand gelegen aan de [a-straat 1] te Geldrop waren binnengedragen. Het was mij [verbalisant 1] tevens bekend dat er een MMA melding was binnengekomen met betrekking tot het bovenstaande. Wij zijn vervolgens met enkele collega's ter plaatse gegaan op de [a-straat 1] te Geldrop.
Ik, [verbalisant 2] , liep vervolgens naar de voorzijde van het pand voorzien van nummer […] . Ik voelde dat de deur van het bedrijfspand open was. Ik, [verbalisant 2] , betrad het bedrijfspand vervolgens op grond van artikel 9 lid 1 van Pro de Opiumwet. Toen ik, [verbalisant 2] , het bedrijfspand binnenliep, rook ik een zeer sterke hennepgeur. Ik, [verbalisant 2] , zag vervolgens dat er een manspersoon mijn kant opliep. Ik, [verbalisant 2] , riep hierop meerdere malen "politie". Ik, [verbalisant 2] , vroeg aan de man of hij alleen was in het pand. Ik hoorde de man zeggen "nee". Ik, [verbalisant 2] , zag vervolgens dat er in het bedrijfspand meerdere vuilniszakken stonden. Ik, [verbalisant 2] , zag dat er in deze vuilniszakken jerrycans met voedingsmiddelen zaten. Ik, [verbalisant 2] , zag dat er meerdere trays ten behoeve van hennepstekken in de vuilniszakken zaten. Ik, [verbalisant 2] , riep vervolgens naar collega [verbalisant 1] om naar mij toe te komen. Toen ik, [verbalisant 2] , verder het bedrijfspand inliep kwam ik in een grote ruimte met daarin een bankstel. Ik, [verbalisant 2] , zag dat er meerdere mannen in deze ruimte waren. Ik, [verbalisant 2] , sommeerde aan alle aanwezige personen in het pand om in deze ruimte te blijven. Collega [verbalisant 3] bleef vervolgens voor de ingang van deze ruimte staan om zicht op deze personen te houden. Via de bedrijfsruimte ben ik, [verbalisant 2] , vervolgens naar de kelder gelopen. Ik, [verbalisant 2] , zag dat er op een rek meerdere transformatoren lagen. Ik zag dat er in de kelder meerdere koolstoffilters en een honderdtal plantenpotten stonden. Ik, [verbalisant 1] , hield vervolgens alle aanwezige personen in het pand aan als verdachte terzake artikel 11a van de Opiumwet.
[betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,
[betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,
[betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,
[betrokkene 4] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] en
[betrokkene 5] , geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] .
Op 7 april 2016 te 01:01 uur te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo aan de
[a-straat 1] nam ik de navolgende goederen in beslag:
73 hennepplanten
58 assimilatielampen
2 schakelborden
3 tijdschakelaars
59 transformatoren
8 koolstoffilters
6 slakkenhuizen
4 ventilatoren
1 temperatuur regelaar
1 water- beluchtingpomp
3 kannen groeimiddel
1 knipschaar en
1 sealapparaat.
Ik heb 3 jaar in een winkel gewerkt, een eigen zaak, op de [a-straat 1] in Geldrop. Op enig moment heb ik het pand onderverhuurd aan een vriend genaamd [verdachte] . Vanaf januari of februari 2016 heb ik een contract opgemaakt voor de duur van een halfjaar voor hem. [verdachte] heeft het van mij gehuurd en niet aan iemand anders verhuurd. Enkele dagen geleden heeft de huurbaas naar de winkel gebeld. Ik was er op dat moment niet, hij was op zoek naar mij. Een collega heeft het nummer van de huurbaas genoteerd en ik heb dat telefoonnummer aan de vriend gegeven aan wie ik de winkel had onderverhuurd. Hij heeft contact opgenomen met de huurbaas. De huurbaas had gezegd dat hij langs kwam om te controleren. Hij heeft tegen mij verteld dat de huurbaas dat tegen hem had gezegd, hij zei ik heb dingen daar gedaan, dat hij van die hasjplantjes ofzo geplant had. Ik werd nog boos op hem omdat ik vroeg hoe hij zo iets kon doen. Hij bood zijn excuses aan maar had geld nodig voor zijn kinderen. Ik zei tegen hem dat hij het zo snel mogelijk moest schoonmaken en nooit meer zo iets moest doen. Hij belde mij gisteren op en vertelde dat hij bezig was met schoonmaken. Ik zei tegen hem dat ik hem niet meer geloofde en dat hij alles schoon moest maken. Hij zei tegen mij dat hij me kwam ophalen en dat ik het met eigen ogen mocht zien. Het was toen ongeveer 20:30 uur of 21:00 uur toen hij mij kwam ophalen. We zijn toen daar naar toe gegaan ik zag dat er schoon gemaakt was. Ik heb aangegeven dat er hier en daar dingen schoon gemaakt moesten worden en opgeknapt.
V = vraag verbalisant
A = antwoord verdachte
O = opmerking verbalisant
A = Een vriend van me belde mij op. Hij vroeg mij of ik een aanhangwagen kon huren en kon helpen met opruimen. Ik was samen met mijn broertje [betrokkene 4] en ik vroeg of hij me wilde helpen. Ik vroeg ook mijn andere broer [betrokkene 3] en een vriend van me [betrokkene 2] mee.
V = Hoe heet die vriend?
A = [betrokkene 1] .
V = En toen?
A = Mij was uitgelegd dat ik daar de straat in moest rijden en dan zou hij vanzelf buiten staan en dan zou ik hem wel zien.
V = En toen?
A = Er stonden twee auto’s voor de deur die de muziek hard aan hadden staan. Ons werd verteld dat we even moesten wachten tot die auto’s weggingen.
V = Wat was jouw gedachte daar bij?
A = Ik wist al dat het fout was.
V = Hoe wist je dat?
A = Als ik gewoon rommel moest opruimen dan had dat voor iedereen zijn ogen gekund.
V = Wie waren er precies allemaal in het pand?
A = [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 2] , [verdachte] en [betrokkene 5] .
V = Wat gebeurde er toen je binnen gelaten werd?
A = [verdachte] stond daar en hij had me al gezegd dat we bij een pand moesten zijn naast een Chinees restaurant en op het raam zou een witte sticker zitten.
V = vraag verbalisant
A = antwoord verdachte
O = opmerking verbalisant
V = Wat kunt u hier over verklaren?
A = Een vriend van me, [betrokkene 1] , vroeg mij of ik spullen mee op wilde gaan ruimen. Ik wist toen al dat het ging om spullen van een hennepkwekerij.”
verklaring van [betrokkene 5]:
Tegen deze achtergrond wordt voorgesteld om in de Opiumwet een zelfstandig delict op te nemen op grond waarvan handelingen ter voorbereiding of bevorderen van illegale hennepteelt en uitvoer van grote hoeveelheden als een strafbaar feit wordt aangemerkt.
Het hof leidt daaruit af dat ook handelingen ter voorbereiding van illegale hennepteelt van grote hoeveelheden als strafbaar feit dienen te worden aangemerkt.
In de onderhavige zaak zijn onder meer 56 armaturen, 58 assimilatielampen, 59 transformatoren en 8 koolstoffilters aangetroffen. Het hof is van oordeel dat reeds uit het aantreffen van deze hoeveelheden goederen volgt dat de goederen waren bestemd voor grootschalige hennepkweek. Het verweer faalt.”
artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.”
NJ2018/281, m.nt. Rozemond.
NJ2018/281, m.nt. Rozemond voorafgaande conclusie eveneens gewezen op HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2959, zulks om aan dit arrest de bevestiging te ontlenen dat voor een bewezenverklaring van “het bestemd zijn tot” als bedoeld in art. 11a Opiumwet niet toereikend is dat de voorwerpen ooit bestemd waren tot het plegen van de in art. 11, derde en vijfde lid, Opiumwet strafbaar gestelde feiten en dat de verdachte dat wist. Kort en krachtig verwoordt hij de essentie in dezen: “Bestemming ziet immers op de toekomst, niet op het verleden”. Mijns inziens is daar geen speld tussen te krijgen. Dat betekent dat voor een bewezenverklaring vereist is dat die bestemming ten tijde van het tenlastegelegde nog actueel is en dat de verdachte daarvan weet heeft. [1]
NJ2018/281, m.nt. Rozemond doet zich in de voorliggende zaak de situatie voor waarin de verdachte de voorwerpen voorhanden heeft, maar hij ze (kennelijk) niet langer bestemt voor hennepteelt; de verdachte was immers met anderen aan het schoonmaken en de spullen aan het opruimen. [6] Gelet daarop, en de overige concrete omstandigheden in aanmerking nemend, voldoet de bewezenverklaring van de bestemming als bedoeld in art. 11a Opiumwet niet aan het vereiste dat de gedragingen van de verdachte strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt. Daarvoor is immers nodig dat die bestemming ten tijde van het tenlastegelegde nog actueel is en dat de verdachte daar wetenschap van draagt. Dat voorwerpen ooit bestemd waren tot het plegen van de in art. 11, derde en vijfde lid, Opiumwet strafbaar gestelde feiten is, het zij nogmaals gezegd, voor een bewezenverklaring niet voldoende.
tweede middelen het
derde middelkomen eveneens op tegen de bewezenverklaring. [7] Nu het eerste middel slaagt, ben ik van mening dat deze twee middelen geen bespreking behoeven. Indien de Hoge Raad anders mocht oordelen, ben ik desverlangd graag bereid ter zake aanvullend te concluderen.