Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof zich in strijd met art. 338 in Pro verbinding met art. 301, vierde lid, Sv en in weerwil van het hieromtrent namens de verdediging gevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt bij de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit heeft gebaseerd op een processtuk uit een andere strafzaak dat geen deel uitmaakt van het onderhavige procesdossier en ook niet is behandeld tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
‘het eind-proces-verbaal nummer PL2000-2016213084 van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, met alle daarin opgenomen processen-verbaal, alle bijlagen en alle overige daarin opgenomen stukken’. Dat eind-proces-verbaal bevindt zich bij de stukken, met daarin onder meer opgenomen de processen-verbaal van verhoor van de medeverdachte ten overstaan van de politie. [7] Voorts wordt ter terechtzitting bij de rechtbank door de officier van justitie én de raadsman van de verdachte betoogd dat – kort gezegd - de medeverdachte niets heeft verklaard over het onder 2 tenlastegelegde feit, te weten de inbraak in Waspik. [8] Tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris verklaart de medeverdachte dat hij eerder bij de politie heeft ontkend de inbraak te Waspik te hebben gepleegd, maar wordt die inbraak alsnog bekend. [9] Ter terechtzitting van het hof van 2 oktober 2017 hebben, gezien het proces-verbaal van die terechtzitting, de advocaat-generaal en de raadsman medegedeeld dat
‘de stukken in het dossier met betrekking tot de feiten als voorgehouden kunnen worden beschouwd’. [10] Tot slot vermeldt het arrest van het hof dat het is gewezen
‘naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting’, waaronder ingevolge art. 422 Sv Pro ook het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg valt. [11]
ter terechtzitting in eerste aanleg, het zich daarbij baseert op een stuk dat (waarschijnlijk) niet bekend was bij de verdediging, nu de medeverdachte in de zaak van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg geen verklaring heeft afgelegd, terwijl de zaak van de (minderjarige) medeverdachte afzonderlijk en achter gesloten deuren is behandeld en het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in die zaak niet in het dossier van de verdachte is gevoegd. Voor zover het de door de medeverdachte ten overstaan van de politie afgelegde verhoren betreft, geldt dat niet. Die zijn immers opgenomen in het eind-proces-verbaal van de politie dat zich bij de processtukken in deze zaak bevindt. Tot cassatie leidt die deels terecht voorgestelde klacht echter niet. In ’s hofs overweging hieromtrent ligt besloten dat het de verklaring van de medeverdachte omtrent de door hem gedragen schoenen bij de inbraak in Waspik mede ter zijde schuift, omdat de medeverdachte pas nadat hij en de verdachte in eerste aanleg zijn veroordeeld – en hij zodoende bekend raakte met de details van de zaak – de inbraak in Waspik heeft bekend, heeft verklaard dat hij bij die inbraak (Lacoste) schoenen droeg en dat hij die schoenen daarna zou hebben weggegooid. [12] Uit het hiervoor geschetste procesverloop in de zaak van de verdachte blijkt genoegzaam dat het bij alle procespartijen bekend was dat de medeverdachte tot het moment dat hij die (bekennende) verklaring bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd, ontkend heeft dat hij iets met de inbraak in Waspik te maken had. Dat het hof daaruit heeft afgeleid dat de medeverdachte tot dat moment niets heeft verklaard over de eventueel door hem bij die inbraak gedragen schoenen en mede daarom geen waarde hecht aan dat deel van zijn verklaring, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. Dat het hof in de bestreden bewijsoverweging heeft opgenomen dat het zich bij dat oordeel mede baseert op de verklaringen van de medeverdachte als afgelegd tijdens
het onderzoek ter terechtzittingvat ik derhalve op als een kennelijke verschrijving van het hof. Door verbeterde lezing van het arrest, komt aan die klacht de feitelijke grondslag te ontvallen zodat het niet tot cassatie kan leiden. In ’s hofs hiervoor geciteerde bewijsoverwegingen omtrent het onder 2 tenlastegelegde feit, ligt voorts besloten de verwerping van het ter terechtzitting van het hof door de verdediging gevoerde bewijsverweer, te weten dat de verdachte – mede op grond van de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de medeverdachte – dient te worden vrijgesproken van de inbraak in Waspik. Dat oordeel acht ik, gezien al het voorgaande, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.