Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde personen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen op de wijze zoals bewezen is verklaard, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 12 mei 2014, in de gemeente(s) Amstelveen en/of Amsterdam en/of/althans (elders) in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 9] , telkens heeft bewogen tot de afgifte van geld, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
van het slachtofferde afgifte te verkrijgen. Het hof heeft in dit verband overwogen dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen derden werden bewogen tot het afgeven van geld. Voor zover het hof hiermee tot uitdrukking heeft willen brengen dat sprake was van voorwaardelijk opzet en dat zulks toereikend is voor het bewijs van het genoemde opzet, getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 326, eerste lid, Sr vereist immers een hogere opzetgraad dan voorwaardelijk opzet. [6]
tweede middelbehelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.