Conclusie
1.Overzicht
makkelijkerwilde maken dan de gewone wettelijke procedure van aanvraag met bijlagen.
ietsbij de inspecteur binnen is gekomen waaruit hij had kunnen afleiden dat de belanghebbende haar bestaande eigen-risicodragerschap wilde voortzetten en uitbreiden naar WGA-flex.
spreadsheetof begeleidende brief, dan kan art. 4:5 Awb Pro niet toegepast worden en valt het doek mijns inziens voor de belanghebbende.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
NTFR2015/695 [2] (zie onderdeel 3.6 van de bijlage bij deze conclusie) baatte haar niet omdat het in die zaak niet om een te late garantieverklaring ging, maar om een tijdige aanvraag die echter incompleet was; art. 4:5 Awb Pro bood daarom de mogelijkheid om die tijdig ingediende maar incomplete aanvraag aan te vullen, welke bepaling niet was nageleefd door de inspecteur.
NTFR2018/2244 de Hofuitspraak als volgt becommentarieerd:
3.Het geding in cassatie
verweerstelt de belanghebbende dat (i) het Hof het recht niet heeft geschonden en (ii) de Inspecteur wel beleidsvrijheid heeft bij de handhaving van de termijn voor het indienen van een garantieverklaring. Ad (i) wijst de belanghebbende erop dat art. 122e(3) Wfsv verwijst naar art. 40(1)(a) Wfsv dat over de Ziektewet gaat en niet naar art. 40(1)(b) Wfsv over de WGA. Zij meent dat reeds op grond hiervan geen sprake kan zijn van schending van de duidelijke tekst van artt. 40 en 122e(3) Wfsv. Ad (ii) betoogt zij dat een fatale termijn niet strookt met de (oude) jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste rechter toen de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) nog werd uitgevoerd door het UWV, die wel degelijk afwijkend beleid door het UWV toeliet ter zake van de inlevertermijn voor de garantieverklaring in de voorganger van de Wfsv, de WAO. De Belastingdienst heeft bovendien erkend dat garantieverklaringen die vóór 1 januari 2017 ter post waren bezorgd, maar na 1 januari 2017 zijn ontvangen, toch in behandeling zijn genomen op grond van de Algemene termijnwet.
repliekad (i) dat de verwijzing naar art. 40(1)(a) Wfsv (Ziektewet) in art. 122e(3) Wfsv een kennelijke verschrijving is en dat duidelijk is dat letter (b) (WGA) is bedoeld. Hij wijst verder op de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 15 januari 2019 (in het cassatieberoep waartegen ik vandaag eveneens concludeer) waarin dat Hof de termijn in art. 122e Wfsv als fatale termijn heeft aangemerkt waarvan de Inspecteur niet kan afwijken. Ook ad (ii) wijst de Staatssecretaris op die uitspraak, waarin dat Hof heeft geoordeeld dat de inspecteur de Algemene termijnenwet onjuist heeft toegepast jegens een slechts beperkte groep belanghebbenden en dat die onjuiste toepassing bij een juiste rechtsopvatting achterwege zou zijn gebleven.
4.Beoordeling van het cassatieberoep
NTFR2015/695 [4] (zie onderdeel 3.6 van de bijlage). In het algemeen geldt dat een bestuursorgaan, als het een aanvraag onvoldoende concludent acht om de gevraagde beschikking te nemen, een eigen onderzoeksplicht heeft (art. 3:2 Awb Pro), zodat, als het bestuursorgaan meent dat de bij de aanvraag verstrekte documentatie onvolledig is of dat de aanvraag onvoldoende uitsluitsel geeft, het de aanvrager om aanvulling moet vragen. [5]
NTFR2015/695 [10] heeft beroepen (zie onderdeel 3.6 van de bijlage), of er iets op de tijdig ingeleverde usb-stick stond waaruit de fiscus had kunnen opmaken dat het de bedoeling was ook de belanghebbende aan te melden en ook de nakoming van haar WGA-verplichtingen te garanderen. Stonden er zonder begeleidend document slechts elf garantieverklaringen op voor de elf andere concernwerkgevers, zonder dat ook de belanghebbende op enige wijze werd aangeduid of genoemd als voortzetter, bijvoorbeeld op een begeleidende lijst of
spreadsheetof een begeleidende brief, dan kan art. 4:5 Awb Pro niet toegepast worden en valt mijns inziens het doek voor de belanghebbende.
ietswas ingeleverd binnen de termijn waaruit op te maken viel dat de inleveraar eigen-risicodrager wilde blijven of worden, zij het dat er ook iets ontbrak. De belanghebbende heeft zich bij de feitenrechters niet op (vergelijkbaarheid met) die gevallen beroepen. Ik meen daarom dat daarin geen grond voor cassatie kan liggen. De cassatierechter kan bovendien niet de feiten onderzoeken die vastgesteld moeten worden voor toepassing van het gelijkheidsbeginsel. Nu de belanghebbende zich niet op deze gevallen heeft beroepen, lijkt mij ook na cassatie een onderzoek naar haar vergelijkbaarheid met die gevallen processueel niet meer tot de mogelijkheden te behoren.