Eiser, eigenaar van een landgoed met een monumentale tuin, heeft onderhoudskosten opgevoerd als aftrekbare uitgaven voor monumentenpanden in zijn IB/PVV-aangiften over de jaren 2008, 2009, 2010 en 2012. Verweerder stelde dat een drempel van € 10.000 aan huurderslasten in de onderhoudskosten moet worden afgetrokken, waardoor de aftrek zou verminderen. De rechtbank stelde vast dat het park een monumentenpand is en dat de totale onderhoudskosten niet in geschil zijn, maar dat het geschil zich richt op de vraag welk deel huurderslasten betreft.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van het Gerechtshof Amsterdam (2003) waarin is geoordeeld dat onderhoudskosten van monumentale tuinen deels verhuurderslasten kunnen zijn, afhankelijk van de aard van de tuin en het onderhoud. De rechtbank bevestigt dat dit criterium ook onder de Wet IB 2001 geldt en dat huurderslasten onderdeel zijn van het redelijkheidscriterium van artikel 6.31 Wet IB 2001.
Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat de onderhoudskosten geen huurderslasten bevatten, mede omdat onderhoudswerkzaamheden onbezoldigd door familie en vrijwilligers worden verricht. Verweerder heeft geen bewijs geleverd dat meer dan € 400 aan huurderslasten in de kosten is begrepen en kon zijn stelling van een drempelbedrag niet onderbouwen. Daarom verklaart de rechtbank de beroepen gegrond, vermindert de aanslagen en heffingsrente/belastingrente en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser.