Conclusie
1.Overzicht
ducts(gotenstelsels voor glasvezelkabels) waarvan verkrijging volgens de parlementaire geschiedenis expliciet is vrijgesteld onder art. 15(1)(y) Wet BvR. De staatssecretaris van Financiën daarentegen ziet in de zendmasten geen ‘net’, onder meer omdat de belanghebbenden alleen kale masten hebben verkregen en de eigendom van de kabels, leidingen, antennes en schotels bij [A] is gebleven.
BNB2003/271 en HR
BNB2003/272, in welke arresten u de infrastructuur van een CAI (centrale-antenne-inrichting) in de grond (kabelnet, ontvangststation, versterkers en verdeelkasten) als onroerend aanmerkte, waardoor verkrijging ervan onderworpen bleek aan overdrachtsbelasting, hetgeen de wetgever ongewenst achtte. De in casu verkregen zendmasten bestaan uit een betonnen fundering met daarop stalen mastconstructies. Niemand betwijfelde dat zij onroerend zijn. Dit onderscheidt hen van de CAI-infrastructuur aan de orde was in HR
BNB2003/271 en HR
BNB2003/272, over de goederenrechtelijke kwalificatie waarvan wél twijfel bestond. De parlementaire geschiedenis van de netwerkvrijstelling bevat geen aanwijzingen dat de wetgever ook de overdrachtsbelasting-heffing over de verkrijging van – onbetwist onroerende – zendmasten ongewenst achtte.
BNB2003/271 en HR
BNB2003/272 waren ook aanleiding voor goederenrechtelijke reparatie: per 1 januari 2007 is aan art. 5:20 BW Pro een lid 2 toegevoegd, bepalende dat de eigendom van een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, dat in, op of boven de grond van anderen is of wordt aangelegd, toebehoort aan de bevoegde aanlegger ervan.
ductsbetreft, de verkrijging waarvan door de medewetgever expliciet als vrijgesteld is aangemerkt, merk ik op dat die opvatting van de medewetgever mij onjuist lijkt. Een
ductis een stelsel van dunne flexibele kunststof buizen waardoorheen ook op latere tijdstippen glasvezelkabels getrokken kunnen worden. Dat is mijns inziens niet een ‘net gelegen in, op of boven de grond, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie, of van informatie’. Het is een stelsel van kabel
goten; niet van kabels. Een
ductgeleidt niet zelf energie of informatie, maar geleidt de kabels die energie of informatie transporteren: het geleidt de geleiders. Het is mijns inziens evenmin een transmissiesysteem of routeringsapparatuur die signalen overbrengt: het geleidt slechts de signaaloverbrengers. Het is mijns inziens typisch een ‘bijbehorende faciliteit’ in de zin van art. 1.1(j) TW en daarmee dus juist géén netwerk, maar gegeven dat de desbetreffende uitlating van de medewetgever kennelijk ten behoeve van de rechtszekerheid van organisaties van belanghebbenden is gedaan, lijkt het mij niet opportuun dat de rechter het ten detrimente van die belanghebbenden qua
ductsbeter gaat weten. Die mijns inziens onjuiste, zij het rechtens te respecteren uitlating lijkt mij echter evenmin reden om (heel) andere ‘bijbehorende faciliteiten,’ zoals de litigieuze masten, dan ook maar ten onrechte als ‘net’ aan te merken.
2.Feiten, geschil en geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
NTFR2018/931) acht dit oordeel ‘op zich’ begrijpelijk:
NLF2019/0539) kan dit oordeel volgen, maar houdt vragen:
3.Het geding in cassatie
ductsvolgt huns inziens dat ook de ‘bijbehorende faciliteiten’ behoren tot het ‘net’ in de zin van art. 15(1)(y) Wet BvR behoren. De zendmasten vallen volgens de belanghebbenden onder de omschrijving van ‘elektronisch communicatienetwerk’ omdat zij uitsluitend zijn gebouwd ten behoeve van zend- en ontvangstapparatuur en daarmee één geheel vormen. Dat die apparatuur in casu niet is meegeleverd doet daar volgens hen niet aan af.
onderdelen(die door
site- of antenne-
sharingmet andere telecom- of vastgoedeigenaren een net vormen) en niet meer over een volledig net. ‘s Hofs oordeel dat de netwerkvrijstelling niet geldt als slechts een onderdeel van een netwerk wordt overgedragen, impliceert dat bijna alle overdrachten van onroerende netwerkapparatuur in de telecommunicatiebranche wordt getroffen door overdrachtsbelasting.
ductsis vrijgesteld.
Ductsworden in de Telecommunicatiewet aangemerkt als ‘bijbehorende faciliteiten’, waaruit volgt dat het onjuist is om ‘net’ in art. 15(1)(y) Wet BvR te vereenzelvigen met ‘elektronisch communicatienetwerk’ in de Telecommunicatiewet. Nu de verkrijging van
ducts, die expliciet ‘bijbehorende faciliteiten’ zijn, expliciet is vrijgesteld, kan kwalificatie van de masten als ‘bijbehorende faciliteiten’ geen reden zijn om aan hun verkrijging vrijstelling te onthouden.
Ductsdienen uitsluitend om een netwerk van glasvezelkabels te laten functioneren; zendmasten dienen uitsluitend om het elektronische communicatienetwerk te laten functioneren. Verkrijging van zendmasten moet daarom net als de verkrijging van
ductsworden vrijgesteld van overdrachtsbelasting, aldus de belanghebbenden.
verweerwijst de Staatssecretaris er op dat de zendmasten niet alleen door [A] , maar ook door andere telecomaanbieders worden gebruikt om zend- en ontvangstapparatuur aan te bevestigen, hetgeen tot de zijns inziens prangende vraag leidt van
welknetwerk van kabels en leidingen maken de verkregen zendmasten dan onderdeel zijn. Hij wijst erop dat volgens r.o. 4.7 Hof niet in geschil dat de zendmasten op zichzelf geen ‘net’ vormen in de zin van art. 15(1)(y) Wet BvR en dat het Hof in het midden heeft gelaten of de zendmasten onderdeel zijn van een ‘elektronische communicatienetwerk’ omdat zelfs als dat zo zou zijn, de netwerkvrijstelling toepassing mist omdat die niet geldt voor slechts een onderdeel van een netwerk. De zendmasten zijn niet zelf verbonden met de netwerken van de diverse telecomaanbieders; alleen de door hen in of aan de zendmasten gehangen apparatuur is verbonden met hun netwerken.
BNB2003/271 en HR
BNB2003/272. Volgens de belanghebbenden zou de vrijstelling ook gelden voor verkrijging van losse onderdelen van een telecommunicatienetwerk, zoals masten, hoewel anders dan bij CAI’s bij masten nooit ter discussie heeft gestaan dat zij onroerend zijn. De Staatssecretaris ziet in de Wet BvR noch de Telecommunicatiewet steun voor het betoog dat al hetgeen uitsluitend is gebouwd voor (het gebruik) van zend- en ontvangstapparatuur onder ‘elektronisch communicatienetwerk’ valt. Een vrijstelling moet volgens hem eng worden uitgelegd, ongeacht maatschappelijke ontwikkelingen. Nu niet in geschil is dat de zendmasten onroerend zijn, kan de wetgever met de invoering van de netwerkvrijstelling naar aanleiding van HR
BNB2003/271 en HR
BNB2003/272 (over de goederenrechtelijk aard van een CAI-infrastructuur) niet bedoeld hebben om onroerende masten onder de netwerkvrijstelling te brengen: ook voorheen zouden zij zonder discussie als onroerend zijn beschouwd. De Staatssecretaris wijst er op dat de zaken van de belanghebbenden een veel groter belang hebben dan alleen voor de litigieuze
sale and lease back. [5]
duct, i.e. een buis die te zijner tijd zal worden gebruikt om kabels door te trekken. Gezien de tekst van art. 15(1)(y) Wet BvR acht de Staatssecretaris het evident dat een
ductonderdeel uitmaakt van een netwerk van kabels en leidingen. Net als gevulde buizen wordt een niet gevulde buis door een bevoegde aanlegger in de gronden van derden aangelegd.
repliekmerken de belanghebbenden op dat zij bij het Hof hebben verklaard dat de zendmasten waaraan apparatuur van meer mobiele telecomoperators is bevestigd huns inziens onderdeel uitmaken van meer netwerken (zij verwijzen naar r.o. 4.8 Hof). Anders dan de Staatssecretaris stelt, menen zij daarom geenszins voorbijgegaan te zijn aan de vraag van
welknetwerk van kabels en leidingen de verkregen zendmasten onderdeel zijn. Zij zien geen enkele reden om de netvrijstelling zo beperkt uit te leggen dat delen van een net waarvan vóór HR
BNB2003/271 niet ter discussie stond dat deze onroerend waren, niet kunnen worden vrijgesteld. In casu moet de term ‘net’ op basis van de Telecommunicatiewet uitgelegd worden en de zendmasten vallen huns inziens onder de omschrijving van ‘elektronisch communicatienetwerk’ in die wet, en in elk geval onder de omschrijving van ‘bijbehorende faciliteiten’ in die wet, zodat de netwerkvrijstelling van toepassing is. Nu de Staatssecretaris pas in cassatie betoogt dat de netwerkvrijstelling nooit kan worden toegepast op grond, overschrijdt hij volgens de belanghebbenden de grenzen van de rechtsstrijd. Dat de wetgever niet bedoeld kan hebben onroerende zaken onder de netwerkvrijstelling te brengen, wordt volgens de belanghebbenden weersproken door de definitie van ‘net’ in art. 1(i) van de Elektriciteitswet: "één of meer verbindingen voor het transport van elektriciteit en de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen, (…)." Ook vóór HR
BNB2003/271 kon een transformator al onroerend zijn, maar dat stond en staat er dus niet aan in de weg dat deze tot het elektriciteitsnet behoort. Daaruit volgt dat ook onroerende zendmasten deel kunnen zijn van een net waarvan de verkrijging is vrijgesteld. De belanghebbenden herhalen dat op basis van de Telecommunicatiewet ducts en zendmasten wel degelijk vergelijkbaar zijn.
4.De wet en diens parlementaire geschiedenis
Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (Wet BvR)
BNB2003/271 en HR
BNB2003/272 van 6 juni 2003 waarin u de infrastructuur van een centrale-antenne-inrichting (CAI) onroerend achtte (zie 5.1 hieronder). De Memorie van Toelichting bij het Belastingplan 2006 vermeldt: [7]
ductsis vrijgesteld onder het voorgestelde art. 15(1)(y) Wet BvR: [10]
BNB2003/271 en HR
BNB2003/272. De minister van Economische Zaken lichtte dat als volgt toe: [11]
5.Rechtspraak
Hoge Raad
BNB2003/271 [18] betrof een stichting die de infrastructuur van een centrale-antenne-inrichting (CAI), bestaande uit kabelnet, ontvangststation, versterkers en verdeelkasten, had verkocht aan een B BV. De infrastructuur lag in grond in eigendom van een gemeente. In geschil was (i) of de infrastructuur roerend of onroerend was en (ii) wie vóór de verkoop eigenaar was van de infrastructuur. U overwoog ad (i):
NJ2018/420 [20] achtte zij de transformatoren een bestanddeel van een (elektriciteits)‘net’ als bedoeld in art. 5:20(2) BW op basis van een uitleg van het begrip ‘net’ zoals omschreven in de Elektriciteitswet (Ew):
6.(Overige) Literatuur
7.Behandeling van het middel
BNB2003/271 (zie 5.1 hierboven) en HR
BNB2003/272 waarin de infrastructuur van een CAI (kabelnet, ontvangststation, versterkers en verdeelkasten) in gemeentegrond als onroerend werd beschouwd omdat die infrastructuur duurzaam met de grond was verenigd in de zin van art. 3:3(1) BW. Het Hof had geoordeeld dat de CAI-infrastructuur, mede gelet op de bedoeling van degene door wie of in wiens opdracht die is aangelegd, naar aard en inrichting bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven en dat dit ook naar buiten kenbaar was.
BNB2003/271 en HR
BNB2003/272 hebben ook tot goederenrechtelijke reparatie geleid: per 1 januari 2007 is aan art. 5:20 BW Pro een tweede lid toegevoegd om zeker te stellen dat de eigendom van een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, dat in, op of boven de grond van anderen is of wordt aangelegd, toebehoort aan de bevoegde aanlegger van dat net dan wel aan diens rechtsopvolger; dus niet aan die anderen.
NJ2018/420 (zie 5.2 hierboven) dan ook geoordeeld dat voor de uitleg van de term ‘net’ in art. 5:20(2) BW moet worden gekeken naar de betekenis van het begrip ‘net’ in de eventuele specifieke wetgeving over de desbetreffende soort netwerk, in dat geval de Elektriciteitswet omdat het over transformatoren op een industrieterrein ging.
Se non è vero, è ben trovato, maar dat lijkt mij te ver gezocht. De onderneming van de belanghebbenden bestaat mijns inziens uit de verhuur van kapstokken (kale masten) en zij hebben niets anders dan die kapstokken verkregen. Het gaat immers puur om
sale and lease back. De belanghebbenden zijn exploitanten van onroerende zaken, niet van communicatienetwerken. Als de belanghebbenden kerktorens en hoogspanningsmasten zouden opkopen en die zouden gaan verhuren niet alleen aan kerkgenootschappen en elektriciteitsmaatschappijen, maar ook aan diverse telecomaanbieders (terwijl ook de kerkdiensten en het elektriciteitstransport gewoon doorgaan), zouden die kerktorens en hoogspanningsmasten mijns inziens niet tegelijk als één geheel met al die elektronisch communicatienetwerk én als één geheel met die kerkgenootschappen én als één geheel met die elektriciteitsnetwerken moeten worden beschouwd; veel te onoverzichtelijk en veel te ver verwijderd van waar het de wetgever om te doen was (ongedaan maken van de overdrachtsbelastingeffecten van uw CAI-arresten).
ductsbetreft, de verkrijging waarvan door de medewetgever expliciet als vrijgesteld is aangemerkt, merk ik op dat die opvatting van de medewetgever mij onjuist lijkt. Een
ductis een stelsel van dunne flexibele kunststof buizen waardoorheen ook op latere tijdstippen glasvezelkabels getrokken kunnen worden. Dat is mijns inziens niet een ‘net gelegen in, op of boven de grond, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie, of van informatie’. Het is immers een stelsel van kabel
goten; niet van kabels. Een
ductgeleidt niet zelf energie of informatie, maar geleidt de kabels die energie of informatie transporteren: het geleidt de geleiders. Een
ductis mijns inziens evenmin een transmissiesysteem of routeringsapparatuur die signalen overbrengt: het geleidt immers slechts de signaaloverbrengers. Een
ductis mijns inziens daarom typisch een ‘bijbehorende faciliteit’ in de zin van art. 1.1(j) TW en daarmee dus juist géén netwerk. Gegeven echter dat de desbetreffende uitlating van de medewetgever kennelijk is gedaan op verzoek van (organisaties van) belanghebbenden ten behoeve van de rechtszekerheid, lijkt het mij niet opportuun dat de rechter het ten detrimente van die (organisaties van) belanghebbenden qua
ductsbeter gaat weten. De mijns inziens onjuiste, zij het rechtens te respecteren opvatting dat
ductsnetten zijn in de zin van de netwerkvrijstelling, lijkt mij echter evenmin reden om (heel) andere ‘bijbehorende faciliteiten’ zoals de litigieuze masten, dan ook maar ten onrechte als ‘net’ aan te merken.