Eiseres verkreeg in 2010 via juridische splitsing de eigendom van 170 zendmasten, deels op eigen grond, deels op gehuurde grond en deels met opstalrechten. De masten worden gebruikt voor het telecommunicatienetwerk van een andere vennootschap en aan meerdere telecomoperators ter beschikking gesteld. Verweerder legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op, waarop eiseres bezwaar maakte. De discussie spitste zich toe op de vraag of de zendmasten onder de netwerkvrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel y, WBR vallen.
De rechtbank stelt vast dat zendmasten onroerende zaken zijn, maar dat zij volgens de Telecommunicatiewet tot de bijbehorende faciliteiten behoren en niet tot het elektronische communicatienetwerk zelf. De parlementaire geschiedenis en wetsgeschiedenis ondersteunen dit onderscheid. De masten zijn ook geen bestanddeel van het net in goederenrechtelijke zin, omdat zij niet duurzaam met het net zijn verenigd en aan meerdere operators ter beschikking staan.
Daarom kan de verkrijging van de zendmasten niet delen in de netwerkvrijstelling. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen en wijst ook het beroep tegen de heffingsrente af. Er volgt geen proceskostenveroordeling.