Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Inleiding
4.Het middel van cassatie
5.Beoordeling van het eerste middelonderdeel
fraus legisniet van toepassing is, reeds omdat de HR eerder heeft beslist dat ab-verwateringsconstructies niet in strijd met doel en strekking van de ab-regeling zijn. [24] Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, is niet gebleken.
BNB2013/42. [26] In die zaak was de juridische eigenaar van de aandelen een vereniging waarvan twee echtgenoten en hun drie kinderen de enige leden waren. De HR overweegt in dat arrest:
BNB1996/164 [32] . In het arrest
BNB1998/178 herhaalt de HR dat een certificaathouder direct (onmiddellijk) aandeelhouder is: [33]
6.Beoordeling van het tweede en derde middelonderdeel
uitlegvan een overeenkomst wordt – volgens vaste jurisprudentie – de Haviltex-maatstaf gehanteerd. De HR heeft overwogen: [39]
Beoordeling van het vierde middelonderdeel
BNB2004/47 [44] dat ’s hofs oordeel dat de verschuldigde parkeerbelasting was betaald in cassatie onaantastbaar was, ook al was dat oordeel alleen gebaseerd op de verklaring van de belanghebbende in die zaak.
BNB2006/132 [45] oordeelde de HR dat het oordeel van het hof dat het beroepschrift tijdig was ingediend onbegrijpelijk was:
- 3.1. Het Hof heeft, na te hebben vastgesteld dat de termijn voor het instellen van beroep eindigde met 24 december 2002, geoordeeld dat belanghebbende met hetgeen hij in het verzetschrift en ter zitting heeft aangevoerd voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het beroepschrift vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd. De stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat dit oordeel uitsluitend is gebaseerd op hetgeen belanghebbende blijkens het proces-verbaal van de zitting van 12 maart 2004 heeft verklaard: […].
- 3.2. De stukken van het geding wijzen echter uit dat het beroepschrift het Hof heeft bereikt in een 'Port betaald' envelop waarop door de griffier van het Hof als datum van ontvangst 16 januari 2003 is vermeld, en dat tot de door belanghebbende ingezonden stukken behoort een kennelijk door hem terugontvangen, aan de Belastingdienst te Q gerichte envelop met daarop een stempelafdruk waaruit blijkt dat die envelop op 3 januari 2003 aan de balie van de Belastingdienst is ingeleverd. Nu ook de hiervoor in 3.1 weergegeven verklaring van belanghebbende geen enkel concreet aanknopingspunt biedt voor 's Hofs oordeel dat het beroepschrift binnen de termijn per post is verzonden, is dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
Beoordeling van het vijfde middelonderdeel
BNB1982/42: [51]
trust-achtige situaties waarin het vermogen wel voldoende is afgezonderd, maar niet kan worden toegerekend aan een persoon. Zie immers de wettelijke definitie van een APV (cursivering A-G): [52]
een afgezonderd vermogenwaarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd, tenzij […]