Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelbevat de klacht dat het oordeel van het hof inzake het voorwaardelijk opzet op de dood onjuist is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed.
second opinion. In het rapport van Koetsier is onder meer opgenomen dat “hard wetenschappelijk bewijs voor de juistheid van de “SBS-hypothese”” ontbreekt in de literatuur. [8] Geconcludeerd wordt: “Er zijn medische verklaringen mogelijk voor de bij [slachtoffer] gevonden afwijkingen. Alles overziend, met name ook gezien de anamnese, de eerdere artsbezoeken en chroniciteit van de hersenafwijkingen acht ik een ziekteproces door een medische oorzaak of combinatie van medische oorzaken waarschijnlijker dan toegebracht letsel”. [9] De bevindingen van dit rapport zijn op de terechtzitting van 4 mei 2017 ter sprake gekomen. Het hof heeft toen beslist dat deskundige Nijs in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op het betreffende rapport. Uit zijn schriftelijke reactie blijkt dat Nijs in de rapportage van Koetsier geen aanleiding ziet om zijn bevindingen aan te passen. Ook gaat Nijs kritisch in op verschenen literatuur waarin de SBS-hypothese wordt betwist. [10] De verdediging heeft naar aanleiding van deze antwoorden besloten af te zien van een contra-expertise. [11]
NJ1955/55, gebruikte formulering "de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans". De Hoge Raad kan geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.”