Conclusie
1.Procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Die beoordeling vindt in beginsel plaats onafhankelijk van de formele en materiële aspecten van de voorafgaande beschikking(en).”
aansluitendenieuwe voorlopige machtiging.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis rechtsgeldig kan blijven indien de voorlopige machtiging waarop deze is gebaseerd later wordt vernietigd. De rechtbank Gelderland verleende op 10 april 2019 een voorlopige machtiging tot opname van betrokkene, die later werd gevolgd door een machtiging tot voortgezet verblijf op 26 juni 2019. Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen de beschikking van 26 juni 2019, stellende dat deze machtiging niet geldig kon zijn indien de voorlopige machtiging van 10 april 2019 zou worden vernietigd.
De Hoge Raad overwoog dat de machtiging tot voortgezet verblijf een zelfstandige betekenis heeft en niet automatisch vervalt bij vernietiging van de voorlopige machtiging. De rechtbank mocht ervan uitgaan dat betrokkene op het moment van de beschikking op 26 juni 2019 krachtens een geldige voorlopige machtiging verbleef. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de rechtbank niet verplicht was om de behandeling aan te houden in afwachting van de uitkomst van het cassatieberoep tegen de voorlopige machtiging. Ook hoefde de rechtbank de officier van justitie niet in de gelegenheid te stellen het verzoek te wijzigen of in te trekken.
De Hoge Raad verwierp alle klachten van betrokkene en bevestigde dat de wettelijke systematiek van de Wet Bopz vereist dat een machtiging tot voortgezet verblijf voorafgaat aan een voorlopige machtiging of eerdere machtiging tot voortgezet verblijf. De rechtbank had voldoende vastgesteld dat betrokkene een stoornis had die gevaar veroorzaakte en dat gedwongen opname noodzakelijk was. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de machtiging tot voortgezet verblijf blijft geldig.