Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
de eendaadse samenloop van: overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet en overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, en (onder 2) wegens “
overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet” tot, voor het onder 1 en 3 bewezenverklaarde: een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 en Pro 27a Sr, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren en zes maanden met aftrek als bedoeld in artikel 179 lid 6 WVW Pro, en voor de onder 2 bewezenverklaarde overtreding: een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.
nietonder invloed van externe factoren op de weghelft voor het hem tegemoetkomende verkeer is terechtgekomen, maar als gevolg van een oorzaak die bij de verdachte zelf is gelegen. De verdediging opperde de mogelijkheid van een TIA of een black-out, en vroeg om vrijspraak van het tenlastegelegde. Het hof acht daarentegen bewezen dat de verdachte verkeerde onder invloed van een of meer stoffen, hetgeen de verdediging had betwist. De verdachte heeft verklaard dat hij die ochtend in een restaurant bij zijn koffie twee likeurtjes “
kreeg”, die hij opdronk, en dat hij bovendien slaapmedicatie (lorazepam) gebruikt.
1. hij op 09 november 2014 te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Kanaaldijk (in de richting van Helmond, komend uit de richting van Beek en Donk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend:
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
terecht gekomen en zonder enige te rechtvaardigen aanleiding of reden gedurende langere tijd aldaar blijven rijden, waardoor de aanrijdingen met de slachtoffers hebben plaatsgevonden. Dat sprake is van een black-out of een TIA of een andersoortig herseninfarct bij verdachte, zoals door de verdediging naar voren gebracht, is in het geheel niet gebleken. Ook van gebreken aan het wegdek dan wel technische mankementen aan de betrokken voertuigen die tot het ongeval zouden hebben kunnen leiden, is geen sprake geweest.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 december 2014 (pg. 3-10), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2014 (pg. 34), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 10 november 2014 (pg. 77-78), voor zover inhoudende als verklaring van getuige ( [getuige 1] ):
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 10 november 2014 (pg. 79-80), voor zover inhoudende als verklaring van getuige ( [getuige 2] ):
Het proces-verbaal Van aanrijding misdrijf d.d. 10 november 2014 (pg. 12-16), vóór zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 18 december 2014 (pg. 51-72), opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :
een personenauto van het merk Land Rover, kenteken [AA-00-AA]
een personenauto van het merk Renault, type Twingo, kenteken [CC-00-CC]
een personenauto van het merk Kia, type Picanto, kenteken [BB-00-BB] .
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 november 2014 (pg. 73), voor zover inhoudende als verklaring van getuige ( [getuige 3] ):
Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 10 november 2014 (pg. 20-21), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2014 (pg. 35), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , met bijgevoegd testformulier ademanalyse met testnummer 141109026 (pg. 36):
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 10 november 2014 (pg. 96-97), voor zover inhoudende weergave van verhoor van verdachte ( [verdachte] ):
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 november 2014 (pg. 98-100), voor zover inhoudende weergave van verhoor van verdachte ( [verdachte] ):
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2014 (pg. 38), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] :
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 10 november 2014 (pg. 101-103), voor zover inhoudende als verhoor van verdachte ( [verdachte] ):
Het proces-verbaal van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, locatie ‘s-Hertogenbosch, d.d. 16 november 2015, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte:
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2014 (pg. 37), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :
) en verzegelde dit.
Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 23 december 2014 (pg. 143-148), met rapportnummer 2014.12.01.272, opgemaakt door K.J. Lusthof, apotheker-toxicoloog, voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:
Het aanvullend rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 29 oktober 2015 met rapportnummer 2014.12.01.272, opgemaakt door R. Oosting, apotheker-toxicoloog, voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:
.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 15 september 2015, voor zover inhoudende als verklaring van deskundige R.R. Oosting, werkzaam als apotheker-toxicoloog bij het NFI in Den Haag:
eerste middelkomt op tegen de bewijsmotivering en tegen het ontbreken van respons op verscheidene uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die betrekking hebben op het bewijs van de nadelige invloed van alcohol en medicatie op de rijvaardigheid van de verdachte. Het middel valt uiteen in vijf klachten.
onjuiste omrekenfactor voor de concentratie van lorazepam in bloed naar de concentratie van lorazepam in serum en dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het TMFI-rapport van dr. Pennings, wiens conclusie zou afwijken van die van het NFI.
werkzaamis. Dat kan een medisch beoogd effect zijn, maar daaronder vallen ook bijwerkingen. Dat laatste is immers een relatief begrip. Wat onder bepaalde omstandigheden (liggend in bed) wordt beoogd, versuffing bijvoorbeeld, kan onder andere omstandigheden (bij deelneming aan het verkeer) ongewenst zijn.
nietinwisselbaar.
in het bloedvan de verdachte een concentratie lorazepam van 0,057 mg/l gemeten.
in bloedis onbekend. Om die reden moet de concentratie lorazepam in bloed worden geconverteerd in (‘omgerekend’ naar) de concentratie lorazepam in serum.
groterof
kleinerzijn dan de concentratie van die stof in het totale bloed. Er is dus een ‘omrekenfactor’ nodig. Er zijn in deze zaak echter twee problemen. (1) Kennelijk varieert de omrekenfactor (per mens). (2) De omrekenfactor van lorazepam is onbekend.
geschatbinnen welke interval die omrekenfactor zich moet bevinden. NFI-deskundige Lusthof houdt een interval (een bovengrens en een ondergrens) aan van een factor 2. Dat wil zeggen dat de concentratie lorazepam in serum (maximaal) twee keer hoger, maar ook (minimaal) twee keer lager kan zijn dan de vastgestelde hoeveelheid lorazepam in bloed. TMFI-deskundige Pennings is specifieker. Daarop kom ik hieronder terug.
volledigciteren. De lezer moet wel begrijpen dat Pennings in eerste instantie spreekt over de omrekenfactor voor (psychotrope) stoffen in het algemeen, en dat hij zijn beschouwingen daarna toespitst op de groep van psychotrope stoffen die ‘benzodiazepinen’ worden genoemd, waaronder lorazepam wordt geschaard. Hij schrijft:
Om deze redenen is de omrekenfactor van bloed naar serum (en plasma) niet groter dan twee. Dit betekent dat de concentratie in het serum een factor twee hoger en een factor twee lager kan zijn. Men drukt dit uit in de zogenoemde bloed-plasmaverhouding (b/p-ratio). Voor benzodiazepinen loopt, voor zover bekend, de b/p-ratio van 0,5 tot 1,3 (Tabel 1). Op basis hiervan is de plasmaconcentratie 2 tot 0,77 maal de bloedconcentratie.” [8]
Deze omrekenfactoren toepassend op de concentratie van lorazepam in het bloed (TAAK5914NL) van [verdachte] is de concentratie van lorazepam in zijn plasma ten minste 0,044 mg/L (0,77 x 0,057 mg/L) geweest en maximaal 0,11 mg/L (2 x 0,057 mg/L).” [9]
De bekende bloed-plasmaverhoudingen (Tabel 1) van benzodiazepinen liggen tussen 0,5 en 1,3. Op basis hiervan ligt de vermenigvuldigingsfactor voor de omrekening van bloedconcentraties naar plasmaconcentratie tussen 2 en 0,77. Op basis van deze gegevens voor verschillende benzodiazepinen is de concentratie van lorazepam ten minste 0,057 x 0,77 = 0,044 mg/L geweest in het serum van [verdachte].” [10]
bovende therapeutische ondergrens (0,02 mg/l). Pennings schrijft dan ook niet
datde vastgestelde en vervolgens omgerekende concentratie lorazepam in serum rond de therapeutische ondergrens is gelegen. In dat (zich niet voordoende) geval zou volgens hem door deskundigen geen uitspraak kunnen worden gedaan over de waarschijnlijkheid van de beïnvloeding van de rijvaardigheid op het moment van bloedafname door het gebruik van (in dit geval) lorazepam; dat is mogelijke conclusie nr. 4 in het NFI-rapport. Pennings schrijft uitsluitend dat
indiende therapeutische ondergrens wordt benaderd conclusie 4 van toepassing zou zijn. [11]
mogelijkheiddat de concentratie van lorazepam in het serum van de verdachte op het moment van bloedafname was gelegen beneden of in de buurt van de ondergrens van de therapeutische bandbreedte is niet doorslaggevend. Uitschieters zijn namelijk altijd mogelijk. Het gaat om de vraag naar de
waarschijnlijkheidvan die mogelijkheid. Het hof mag bij de – aan hem voorbehouden – weging en waardering van het bewijsmateriaal de meest waarschijnlijke toestand in aanmerking nemen en in een zekere mate voorbijgaan aan onwaarschijnlijke mogelijkheden. Dat de ondergrens van de concentratie van lorazepam in serum van de verdachte na toepassing van de voor de verdachte meest gunstige omrekenfactor (namelijk die van het NFI) enigszins in de buurt komt van de ondergrens van de therapeutische concentraties in serum behoefde het hof er dus niet van te weerhouden om de resultaten van het toxicologisch onderzoek in de bewijsvoering te betrekken.
de strafverzwarende omstandigheidvan de onder 1 bewezenverklaarde – kort gezegd – ‘dood door schuld in het verkeer’ het bestanddeel opzet ontbreekt, althans de vermelding dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik van deze hoeveelheid alcohol, al dan niet in combinatie met lorazepam, de rijvaardigheid kan verminderen.
veronder het – alsdan toepasselijke – strafmaximum.
nietdoor een verbalisant zelf zijn waargenomen of ondervonden wél kunnen doorgaan voor wettige bewijsmiddelen, dan zou dat de bewijslast van het Openbaar Ministerie in deze en andere strafzaken overigens aanzienlijk verlichten (“
Mij is ambtshalve bekend dat de verdachte het misdrijf heeft begaan”).
nietredengevend geweest voor het bewijs. De eerste deelklacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
gewoon” voertuigen bestuurt na het gebruik van harddrugs. Ook ter terechtzitting, bij de bespreking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is deze kwestie niet ter sprake gekomen. Het moet er dus voor worden gehouden dat deze passage niet redengevend is geweest voor de strafoplegging. Ook in zoverre faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.
derde middelklaagt over een overschrijding van de redelijke termijn na het instellen van cassatie.