Conclusie
mr. P. Vlas
1.Inleiding
[A]en
[B]geoordeeld over de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door [A] en familieleden van [B] op 13 juli 1995 weg te sturen van de compound van het Nederlandse bataljon van de Luchtmobiele Brigade (hierna: Dutchbat), waarop zij op dat moment verbleven. Dit handelen werd onrechtmatig geoordeeld vanwege de wetenschap die Dutchbat inmiddels op 13 juli 1995 bezat over de risico’s waaraan de betrokkenen zouden worden blootgesteld. Deze twee arresten van de Hoge Raad zijn ook voor de zaak die thans in cassatie aan de orde is, van groot belang. [4]
mini safe areabestaande uit de compound van Dutchbat te Potočari en een nabijgelegen gebied met voertuighallen. In ieder geval 25.000 vluchtelingen, waarvan ongeveer 5000 zich in de voertuighallen bevonden, hebben hun toevlucht gezocht tot de
mini safe areaalwaar de omstandigheden erbarmelijk waren. Op 12 juli 1995 arriveerden op instructie van de Bosnische Serven bussen en vrachtwagens om de vluchtelingen te evacueren. Dutchbat heeft de gang van de vluchtelingen begeleid door de vorming van een soort van ‘sluis’ bestaande uit voertuigen, een menselijke keten van Dutchbatters en een lint. Deze evacuatie is in de avond van 12 juli gestaakt, de volgende dag hervat en in de avond van 13 juli 1995 voltooid. Nadien is gebleken dat de mannen door de Bosnische Serven van de overige vluchtelingen zijn gescheiden en vermoord. Veel slachtoffers zijn niet teruggevonden. De Stichting c.s. verwijten de Staat onrechtmatig te hebben gehandeld door aan deze evacuatie van de mannen mee te werken in de wetenschap dat zij een wisse dood tegemoet gingen.
effective controlaan de orde, waarvoor de genoemde arresten
[A]en
[B]van belang zijn. Ook rijst de vraag of het Genocideverdrag directe werking heeft. Daarna (onder 5) bespreek ik het principale middel waarin onder meer aan de orde komt het optreden van Dutchbat door de vorming van de ‘sluis’ en het oordeel van het hof dat Dutchbat onrechtmatig heeft gehandeld door de mannen die zich op 13 juli 1995 op de compound bevonden niet de keuze te bieden achter te blijven op de compound, terwijl de vrouwen, kinderen en ouderen zouden worden geëvacueerd. Bij de bespreking van de verschillende onderdelen van de cassatiemiddelen heb ik omwille van de leesbaarheid tussenkopjes aangebracht en daarbij steeds aangegeven welk onderdeel van het middel aan de orde is.
2.Feiten
United Nations Protection Force(hierna: UNPROFOR) [5] ingesteld, met hoofdkwartier in Sarajevo.
Armija Bosna I Herzegovina(hierna: ABiH)) en het (door de rompstaat Joegoslavië, onder leiding van S. Milošović, gesteunde) Bosnisch-Servische leger (
Bosnian Serb Army(hierna: BSA) of
Vojska Republijke Srpske(hierna: VRS)).
safe areaen is het Bosnisch-Servische leger opgeroepen zich uit de omringende gebieden terug te trekken.
Agreement on the status of the United Nations Protection Force in Bosnia and Herzegovinaondertekend (ook wel de
Status of Forces Agreementgenoemd, hierna: SOFA) waarmee de (juridische) status van UNPROFOR in Bosnië-Herzegovina werd vastgelegd.
close air supportin voornoemd rapport ziet op inzet van het luchtwapen ter directe ondersteuning van VN-troepen op de grond.
Close air supportis te onderscheiden van de term
air strikesdie ziet op een luchtaanval met een destructief karakter. De aanvraagprocedure voor
close air supportbestond uit twee delen:
(1) goedkeuring door de VN, door achtereenvolgens het sectorhoofdkwartier te Tuzla, UNPROFOR in Sarajevo, het UNPROFOR-hoofdkwartier in Zagreb, het
Crisis Action Teamonder leiding van de chef-staf in Zagreb, de
Force Commander(generaal Janvier) en de speciale VN-gezant voor Bosnië-Herzegovina (Akashi), en
(2) goedkeuring door de NAVO, meer in het bijzonder door de
Commander-in-Chief Allied Forces Southern Europein Napels, na betrokkenheid van de liaison-officieren in Sarajevo of Zagreb en het
Combined Air Operation Center(CAOC) van de NAVO-luchtmacht in Vicenza.
safe areas. Dat aanbod heeft de Nederlandse minister van defensie op 7 september 1993 herhaald tegenover de secretaris-generaal van de VN, die het op 21 oktober 1993 heeft aanvaard. Op 12 november 1993 heeft de Nederlandse regering met de uitzending van Dutchbat ingestemd.
safe area,ongeveer vijf kilometer van de stad Srebrenica. In de stad Srebrenica werd één compagnie van Dutchbat gelegerd. Daarnaast bemande Dutchbat een aantal observatieposten (hierna ook: OP’s).
command and controlovergedragen ten behoeve van de uitvoering van het mandaat van Resolutie 836. De door de Staat aan de VN overgedragen
command and controlis onder andere omschreven in het operatiebevel van 14 december 1994, dat ziet op de aflossing van Dutchbat II door Dutchbat III. Daarin staat onder meer:
operational controlstaat:
command and controlbehelsde de zeggenschap over de operationele uitvoering van het mandaat door Dutchbat. Dutchbat werd ten aanzien hiervan aangestuurd via de VN-bevelslijn van UNPROFOR, van waaruit de operationele bevelen en instructies werden gegeven aan de commandant van Dutchbat. De Staat behield de bevoegdheid om troepen terug te halen en de deelname aan de operatie te staken en om militairen te straffen. De Staat behield ook de zeggenschap over de voorbereiding van de Nederlandse troepen, de personele aangelegenheden en de materiële logistiek.
Force Commanderopgestelde
Rules of Engagement, de
Standing Operating Proceduresen de
Policy Directives. Het ministerie van defensie heeft deze gedragsregels en instructies, alsmede een aantal bestaande en speciaal voor deze missie opgestelde regels vastgelegd in de (Nederlandse) Vaste Order 1 (NL) VN Infbat.
Force Commanderwas de (Franse) luitenant-generaal Janvier;
Commander-in-Chief Allied Forces Southern Europein Napels te weten de Amerikaanse admiraal Leighton Smith (hierna: admiraal Smith of Leighton Smith, zulks ter onderscheiding van de hierboven genoemde Engelse generaal Smith, die hierna als ‘Smith’ wordt aangeduid).
safe areaverliep grotendeels over Bosnisch-Servisch gebied en geschiedde met konvooien. Vanaf medio 1994 weigerden de Bosnische Serven toestemming te verlenen aan konvooien op weg naar de
safe area,waardoor niet alle voor de bevolking in de
safe areabestemde humanitaire hulp en voedsel op de plaats van bestemming aankwamen. Ook de bevoorrading van Dutchbat leed hieronder.
air strikes) uit op doelen in de buurt van het Bosnisch-Servische regeringscentrum in Pale. Daarna namen de Bosnische Serven honderden UNPROFOR-militairen gevangen om met deze gijzelaars verdere aanvallen te voorkomen. Op 28 mei 1995 namen de Bosnische Serven twee observatieposten van Britbat in en gijzelden zij Britse militairen, waarop Britbat zich op zijn compound terugtrok. In overleg tussen Nicolai en Karremans is, in afwachting van nadere aanwijzingen van Smith, bepaald dat voorbereidingen zouden worden getroffen om de observatieposten zonodig binnen een uur te kunnen verlaten. De observatieposten zouden worden gehandhaafd tot nader order of totdat serieus gevaar dreigde, met de instructie van Nicolai dat geen onnodig risico gelopen moest worden.
air strikeskonden UNHCR-konvooien Srebrenica nog maar sporadisch bereiken, waardoor de VN in juni 1995 nog slechts konden voorzien in 30% van de voedselbehoefte (NIOD-rapport p. 1912).
Post Airstrike Guidancegegeven, die voor zover hier van belang als volgt luidt:
standing orderwas bij gedwongen vertrek van een OP (NIOD-rapport p. 2005).
safe area. Toen de Bosnische Serven de stad Srebrenica waren genaderd, is de doelstelling van deze aanval uitgebreid tot het innemen van de stad Srebrenica.
safe areaheeft ABiH herhaaldelijk aan Dutchbat gevraagd of zij (weer) de beschikking kon krijgen over op grond van de demilitariseringsovereenkomsten ingeleverde wapens. Dutchbat heeft deze verzoeken afgewezen.
safe area(
‘air presence’). Op een later die dag ingediende aanvraag tot luchtsteun heeft UNPROFOR te Zagreb geen beslissing genomen.
blocking positionsin te nemen teneinde een blokkade op te werpen tegen de opmars van de Bosnische Serven. Het bevel dat het mondelinge bevel bevestigde, in de Nederlandse taal door De Ruiter opgesteld en door Nicolai ondertekend, luidt als volgt:
blocking positionzou aanvallen,
close air supportingezet zou worden (NIOD-rapport p. 2151).
blocking positionsingenomen (Bravo 1 tot 4), Bravo-1 ten westen van de stad Srebrenica, Bravo-2 en 4 op de weg van Zeleni Jadar naar Srebrenica en Bravo-3 ten oosten van Srebrenica. Omdat vanuit Bravo‑4 de positie van Bravo-2 kon worden bestreken, kwam Bravo-2 in de praktijk te vervallen. Groen gaf om 19:13 uur de opdracht aan de bemanning van Bravo-1 zich terug te trekken naar Srebrenica. De bemanning van Bravo-3 en 4 trok zich eveneens terug. Luchtsteun is die dag niet gegeven. In de nacht van 10 op 11 juli 1995 verbleef de bemanning van Bravo-1, 3 en 4 in de stad Srebrenica.
blocking positionin te nemen. Dit heeft Dutchbat rond 16:00 uur gedaan. Onder dreiging van de VRS-eenheden werd deze
blocking positionenkele uren later opgegeven en door de Bosnische Serven ontwapend.
mini safe areaingericht, bestaande uit de compound in Potočari en nabij gelegen gebied ten zuiden daarvan waar zich onder meer hallen en een busremise bevonden. Het gebied was met lint afgezet en de toegangswegen met pantservoertuigen. Aan de randen waren bewakingsposten ingericht. Misschien 30.000, maar in elk geval ongeveer 20.000 tot 25.000 vluchtelingen hebben hun toevlucht gezocht in de
mini safe area. Ongeveer 5.000 van hen waren ondergebracht in de voertuighallen op de compound.
safe areazijn niet naar de
mini safe areagevlucht, maar naar de bossen in de omgeving van de stad Srebrenica (hierna: de bossen). Ongeveer 6.000 van deze mannen zijn in Bosnisch Servische handen gevallen.
mini safe areawaren slecht. Er was weinig eten, onvoldoende water voor alle vluchtelingen, een tekort aan medische hulpmiddelen en gebrek aan hygiëne. De temperaturen liepen in die dagen op tot 35°C. De omstandigheden verslechterden zienderogen op 12 en 13 juli 1995.
mini safe areaen in de ochtend van 12 juli 1995 een derde keer. Daarbij heeft Mladić de volgorde genoemd waarin de vluchtelingen zouden worden afgevoerd. Mladić heeft aan Karremans medegedeeld dat de mannen tussen de 17 en 60 jaar eerst zouden worden gescreend op oorlogsmisdaden (onder meer NIOD-rapport p. 2641). Nadat aanvankelijk was afgesproken dat Dutchbat de evacuatie zou begeleiden en het vervoer van de vluchtelingen zou regelen, maakte Mladić in het laatste gesprek met Karremans kenbaar dat hij zou zorgen voor het vervoer.
Demanding withdrawal of the Bosnian Serb forces from the safe area of Srebrenica, Bosnia and Herzegovina’ (hierna: VN Resolutie 1004) aangenomen, waarin de Bosnische Serven zijn opgeroepen het offensief te staken en zich onmiddellijk uit de
safe areaSrebrenica terug te trekken. Aan deze resolutie is geen gevolg gegeven. De Resolutie heeft ook niet geleid tot een bevel aan Dutchbat om posities in en rond Srebrenica in te nemen of anderszins te pogen om Srebrenica met militair ingrijpen te heroveren.
mini safe area. Rond 14:00 uur ving de evacuatie van de vluchtelingen uit de
mini safe areaaan. Daarbij ontstond een massale
runop de bussen, waarbij vluchtelingen elkaar onder de voet dreigden te lopen. De eerste bussen waren overvol.
Bosnia Herzegovina Commandin Sarajevo en deze eveneens onder de aandacht van Nicolai gebracht. Volgens Karremans heeft hij voorts binnen de VN-bevelslijn mondeling melding gedaan van een waarneming door een Dutchbatter van een executie van een vluchteling, maar deze melding is niet komen vast te staan. Dutchbat heeft tot na het einde van de evacuatie geen andere meldingen over oorlogsmisdrijven gedaan.
mini safe areaweggevoerd en werd begonnen met het wegvoeren van de vluchtelingen die op compound verbleven. In de avond van 13 juli 1995 - volgens het Joegoslavië Tribunaal (
International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia; hierna: ICTY) om 20.00 uur - was de evacuatie van deze vluchtelingen voltooid.
mini safe area, maar naar de bossen waren gevlucht en gevangen waren genomen, zijn ook naar Bratunac gebracht. In totaal hebben de Bosnische Serven ongeveer 7.000 uit de
safe areaafkomstige mannelijke Bosnische Moslims op verschillende plaatsen gedood in massa-executies, die begonnen op 13 juli 1995 in de regio ten noorden van de stad Srebrenica en vervolgens plaatsvonden in de periode van 14 tot en met 17 juli 1995 op verschillende plaatsen ten noorden van Bratunac. Daarnaast hebben de Bosnische Serven op 12 en 13 juli 1995 in Potočari mannelijke Bosnische Moslims gedood, in aantal geschat op tussen de 100 en 400 mannen.
mini safe area.Haar zoon is op 13 juli 1995 van haar gescheiden. Zij heeft hem nadien niet meer gezien.
mini safe area.
mini safe areagevlucht, waar zij niet op de compound werd toegelaten. Zij heeft haar echtgenoot en zoons verloren.
mini safe area.Op 13 juli 1995 werd zij gescheiden van haar echtgenoot, die zij nadien niet meer heeft gezien. Het lichaam van één van haar zonen is in 2003 geïdentificeerd.
mini safe areagevlucht. Zij mochten de compound niet op. Op 12 juli 1995 is haar broer door de Bosnische Serven meegenomen voor ondervraging en nooit teruggekomen. Op 13 juli 1995 is zij gescheiden van haar echtgenoot. Het lichaam van haar echtgenoot is in een massagraf gevonden. Zij weet niets over het lot van haar zoon.
mini safe areagevlucht. Onderweg zijn haar twee zonen de bossen in gevlucht. [verweerster 6] heeft niet geprobeerd om op de compound te komen, omdat zij had gehoord dat daar geen vluchtelingen meer werden toegelaten. Het stoffelijk overschot van haar oudste zoon is nadien gevonden. Haar andere zoon heeft zij nooit meer gezien.
mini safe areagevlucht en is daar toegelaten op de compound.
mini safe area, waar zij te horen kregen dat niemand de compound meer op kon. Op 13 juli 1995 werd zij van haar echtgenoot gescheiden. Zij heeft hem daarna nooit meer gezien.
mini safe areagevlucht. [betrokkene] is op de compound toegelaten, zijzelf en haar echtgenoot niet. Op 12 juli 1995 werd haar zoon [betrokkene] van de compound weggevoerd. Tot op heden is hij niet teruggevonden. Op 13 juli 1995 is [verweerster 9] van haar echtgenoot gescheiden toen zij probeerden naar de bussen te komen. Het stoffelijk overschot van haar echtgenoot is in 2004 gevonden.
mini safe areagevlucht. Zij werden niet op de compound toegelaten en hebben hun toevlucht gezocht tot het buiten de compound gelegen deel van de
mini safe area. De moeder van [verweerster 10] is verkracht door de Bosnische Serven en in 1996 overleden.
3.Procesverloop
safe areategen de Bosnische Serven te beschermen,
safe areabereikten;
safe areadaartegen te beschermen, in het bijzonder heeft Dutchbat:
blocking positionste gemakkelijk en te snel opgegeven;
blocking positionsgeen onnodige slachtoffers te maken (de instructie Voorhoeve), blijk geeft van de uitoefening van
effective controldoor de Staat over het optreden van Dutchbat. Met deze instructie mengde de Staat zich namelijk in een operationele aangelegenheid, terwijl de zeggenschap daarover aan de VN was voorbehouden. Dit wordt niet anders doordat deze instructie strookt met de daaraan voorafgaande, in de
Post Airstrike Guidancevan 29 mei 1995, verwoorde algemene instructie van de VN (rov. 4.66). De stelling dat Dutchbat zich onvoldoende heeft ingespannen voor de veiligheid van de bevolking binnen de
safe areaheeft geen betrekking op
ultra vireshandelen, maar op de, niet aan de Staat toe te rekenen, operationele uitvoering van het mandaat (rov. 4.69). Er is ook geen sprake van
ultra vireshandelen van Dutchbat bij het vóór de val van Srebrenica opgeven van de observatieposten (rov. 4.77). Met uitzondering van het optreden rond de
blocking positionskunnen de gedragingen van de Staat vóór de val van Srebrenica dus niet aan de Staat worden toegerekend (rov. 4.79).
effective controluitoefende over het optreden van Dutchbat bij het verlenen van humanitaire hulp aan en (het voorbereiden van) de evacuatie van de vluchtelingen uit de
mini safe area. Dit optreden van Dutchbat kan daarom aan de Staat worden toegerekend (rov. 4.87). Indien en voor zover Dutchbat na het bevel van Gobillard (zie rov. 2.37 van het vonnis) in strijd met dat bevel heeft gehandeld, dient dit
ultra vireshandelen (ook) om die reden aan de Staat te worden toegerekend (rov. 4.89). Als handeling die valt binnen de reikwijdte van de
effective controlvan de Staat, dan wel als handeling in strijd met het bevel van Gobillard, en derhalve
ultra vires, kan aan de Staat worden toegerekend: (i) het niet verlaten van de observatieposten; (ii) het niet melden van oorlogsmisdrijven), (iii) het niet verlenen van adequate medische zorg aan de vluchtelingen, (iv) het afgeven van wapens en andere uitrusting aan de Bosnische Serven, (v) het handhaven van de beslissing om geen vluchtelingen toe te laten op de compound, (vi) het scheiden van de mannen van de andere vluchtelingen tijdens de evacuatie, (vii) het meewerken aan de evacuatie van vluchtelingen die hun toevlucht hadden gezocht op de compound (rov. 4.91-4.116). Het (gestelde) advies van Dutchbat aan de mannelijke vluchtelingen om de bossen in te vluchten en het nalaten groot alarm te slaan over de vlucht van de mannen naar de bossen, is niet aan de Staat toe te rekenen (rov. 4.99-4.111). Niet is gebleken dat de Staat
effective controlheeft uitgeoefend over (i) het uitblijven van luchtsteun op 10 juli 1995, (ii) het stopzetten van luchtsteun op 11 juli 1995 en (iii) het uitblijven van de inzet van Franse helikopters en het dwarsbomen van heroveringsplannen voor Srebrenica. Deze handelingen kunnen daarom niet aan de Staat worden toegerekend (rov. 4.117-4.143).
safe areanoch over de vluchtelingen die na de val van Srebrenica in de
mini safe areaverbleven, maar wel over de compound, zodat de Staat in staat is geweest toe te zien op de naleving van de in het EVRM en het IVBPR verankerde mensenrechten jegens de personen die zich vanaf de val van Srebrenica op de compound bevonden (rov. 4.151-4.161). Individuen kunnen niet op basis van volkenrechtelijke normen vorderingen tegen staten instellen. De gevorderde verklaring voor recht dat de Staat zijn verplichting om genocide te voorkomen als bepaald in het Genocideverdrag heeft geschonden, is niet toewijsbaar, nu de verplichting tot het voorkomen van genocide alleen geldt tussen verdragsstaten onderling. Het internationaal gewoonterecht werkt niettemin door in de Nederlandse rechtsorde via toepassing van het nationale recht (rov. 4.162-4.165). Het aan de Staat verweten handelen bestaat uit de uitoefening van openbaar gezag (
acta jure imperii), waarop het Nederlandse recht van toepassing is (rov. 4.166-4.171). De Staat dient zich te richten naar de toepasselijke volkenrechtelijke normen (waaronder die uit het Genocideverdrag), die mede strekken tot bescherming van (de familieleden van) de eiseressen, en die doorwerken in de in art. 6:162 BW Pro vervatte zorgvuldigheidsnorm. Bij de invulling van die norm, die van toepassing is op het aan de Staat toe te rekenen handelen van Dutchbat, geldt verder als algemene maatstaf of Dutchbat, gelet op hetgeen de leiding op het moment van het verweten optreden bekend was, in redelijkheid heeft kunnen besluiten en handelen zoals zij heeft gedaan. Er is geen reden voor een terughoudende toetsing van het handelen van Dutchbat op de grond dat sprake was van een oorlogssituatie. Wel dient op alle relevante feiten en omstandigheden van het geval acht te worden geslagen, waaronder het gegeven dat hier sprake is van onder grote druk genomen beslissingen. In verband met het vereiste van causaal verband dient te worden onderzocht of met voldoende mate van zekerheid vaststaat dat de mannen uit de safe area zonder het onrechtmatige handelen van de Staat niet zouden zijn gedood (rov. 4.173-4.183).
mini safe areaoverwogen dat geen sprake is van onrechtmatig handelen, omdat Dutchbat ten aanzien van het optreden in verband met de
blocking positionsen met betrekking tot het afgeven van wapens en andere uitrusting bij de observatieposten in redelijkheid heeft kunnen besluiten zoals zij heeft gedaan. Het causaal verband tussen het niet meteen verlaten van de observatieposten en de door eiseressen geleden schade ontbreekt, zodat onbesproken kan blijven of het niet meteen verlaten van de observatieposten onrechtmatig is (rov. 4.184-4.201).
mini safe areaheeft de rechtbank overwogen dat het bij de beoordeling van hetgeen Dutchbat wist of kon vermoeden over het lot van de door de Bosnische Serven uit de
mini safe areaweggevoerde mannen, aankomt op de feiten en omstandigheden die Dutchbat destijds bekend waren en de gevolgtrekkingen die zij daaruit destijds in de gegeven omstandigheden heeft gemaakt of redelijkerwijs had kunnen en moeten maken (rov. 4.241). Dutchbat kon op 12 juli 1995 in eerste instantie in redelijkheid ervan uitgaan dat de Bosnische Serven de mannelijke vluchtelingen die zij uit de rijen haalden op oorlogsmisdrijven zouden screenen en dat zij geen reden had om te vrezen voor het lot van deze mannen. Dat veranderde in de avond van 12 juli 1995. Toen kon Dutchbat het vermoeden hebben, en had zij ook daadwerkelijk het vermoeden, dat de door de Bosnische Serven geselecteerde en weggevoerde mannen een reëel risico liepen op de dood of op onmenselijke behandeling, terwijl zij op 13 juli 1995 wist dat dit zou gebeuren (rov. 4.247-4.254). Aan het eind van de middag van 13 juli 1995 had Dutchbat zich ervan bewust moeten zijn dat er een
serious riskop genocide van de door de Bosnische Serven apart uit Potočari weggevoerde mannen bestond (rov. 4.255).
mini safe areate worden geëvacueerd, niettemin in redelijkheid besluiten om de evacuatie voort te zetten (rov. 4.303). Ook op 13 juli 1995 heeft Dutchbat in redelijkheid kunnen besluiten om de evacuatie te blijven begeleiden door een sluis te vormen waar groepen vluchtelingen op afroep doorheen liepen, mede gezien de ervaringen van de dag daarvoor waarbij een massale run op de bussen was ontstaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het alternatief van niet begeleiden, maar slechts waarnemen, niet zou hebben belet dat de Bosnische Serven mannen uit de rijen vluchtelingen hadden gehaald (rov. 4.310). Indien juist is dat Dutchbat actief heeft opgetreden bij het scheiden van de mannen van de rest van de vluchtelingen op 13 juli 1995, is sprake van aan de Staat toe te rekenen onrechtmatig handelen van Dutchbat. Nu echter niet is voldaan aan het voor de aansprakelijkheid van de Staat vereiste causaal verband, behoeft niet te worden onderzocht of inderdaad sprake is geweest van actieve medewerking door Dutchbat (rov. 4.312-4.317).
effective controlover specifieke gedragingen. Niets wijst erop dat de Staat bepaalde (concrete) bevelen heeft gegeven, in die zin dat aan de veiligheid van Dutchbat voorrang boven elke andere consideratie moest worden gegeven. Voorts staat vast dat Voorhoeve de genoemde mededelingen deed nadat binnen de VN-bevelslijn expliciet een algemene opdracht was gegeven om de uitvoering van het mandaat ondergeschikt te maken aan de veiligheid van het VN-personeel. Het onderschrijven van die prioriteit door de Staat, betekent niet dat de Staat zelf zeggenschap had over operationele beslissingen. In de praktijk realiseerde men zich ook zeer goed dat die zeggenschap (
control and command) aan de VN was overgedragen. De verklaringen van Voorhoeve, Van den Breemen en Franken (die onder meer het vermijden van onnodige slachtoffers betreffen), en waarnaar de rechtbank verwijst, wijzen op het kenbaar maken van een visie en (dringende) wensen, maar niet van zeggenschap in de zin van
effective controlten aanzien van concrete gedragingen (rov. 12.4-12.8). Het bewijsaanbod van de Stichting c.s. ten aanzien van de inhoud van tussen 11 en 21 juli opgemaakte situatierapporten wordt gepasseerd, nu dit rapporten betreft die vanuit Potočari naar Nederland zijn gegaan, en niets erop wijst dat deze rapporten instructies vanuit Nederland kunnen inhouden (rov. 12.10).
ultra vireshandelen van Dutchbat heeft het hof overwogen dat dit als handelen van de VN moet worden aangemerkt, indien het plaatsvond
in an official capacity and within the overall functionsvan de VN. Operationele beslissingen van Dutchbat die afwijken van een VN-bevel (
ultra vires) kunnen niet aan de Staat worden toegerekend enkel uit hoofde van de zeggenschap van de Staat over de voorbereiding van de troepen, personele aangelegenheden en de discipline van de troepen. Evenmin was met betrekking tot operationele krijgshandelingen (met betrekking tot de observatieposten, de
blocking positions, de eigen en ingenomen wapens, de aanvragen van luchtsteun en de inzet van medische middelen) er sprake van dat Dutchbat handelde buiten de ‘official capacity’ of ‘the overall functions’ van de VN-organisatie, zo Dutchbat met die handelingen al zou zijn ingegaan tegen de
Post Airstrike Guidancevan 29 mei 1995 of andere (hogere) VN-bevelen. Deze handelingen zijn dus niet aan de Staat toe te rekenen. De keuze om de observatieposten te verlaten betrof een door de militaire situatie ingegeven operationele keuze, die telkens was ingegeven door een inschatting ter plaatse van (onder meer) hoe reëel de gevaren waren. De beslissing om niet het vuur te openen tegen de Bosnische Serven moet worden bezien in het kader van de bedoeling van de VN-missie om geweldloos, door tijdelijke neutrale aanwezigheid (
deterrence by presence) een weg naar vrede open te houden en betreft een binnen de VN-bevelslijn genomen beslissing waarover de Staat geen zeggenschap had (rov. 14-17.4).
effective controlop 11 juli 1995 ten aanzien van de evacuatiebeslissing heeft het hof het volgende overwogen. In de nieuw ontstane situatie waarin Srebrenica was gevallen en de VN-missie in feite was mislukt, heeft de Staat samen met de VN op 11 juli 1995 besloten tot evacuatie van de bevolking uit de
mini safe area. Hierna trad een overgangsperiode in, waarin de zaken in Potočari werden afgewikkeld en Dutchbat zich zou richten op haar humanitaire taak en de voorbereiding van de evacuatie van Dutchbat en de vluchtelingen uit de
mini safe area. De Staat had in zoverre, evenals door de rechtbank is vastgesteld,
effective control(23.8-24.2). De
effective controlbetreft alleen de vluchtelingen binnen de
mini safe area. Volgens het hof kan derhalve in het midden worden gelaten of militairen van Dutchbat wel of niet aan Bosnische mannen hebben geadviseerd om de bossen in te vluchten. Ook bij de beslissingen om niet meer vluchtelingen op de compound toe te laten, alsmede de beslissing tot het aanvragen of laten stopzetten van de inzet van het luchtwapen en het niet ingaan door de Staat op het aanbod om Franse Tigre-helicopters met bemanning in te zetten, is niet gebleken van
effective controldoor de Staat (rov. 25-29.6).
mini safe areamocht Dutchbat zelfstandig vóór de komst van de Servische militairen in de ochtend van 13 juli 1995 de evacuatie voortzetten en daarbij de mannen tussen de overige vluchtelingen laten vertrekken (rov. 58-60.4). Door de wijze waarop Dutchbat de evacuatie heeft begeleid toen de Bosnisch Servische soldaten op 13 juli 1995 waren gearriveerd, is in de praktijk de afscheiding van de mannelijke vluchtelingen gemakkelijker gemaakt. Dutchbat had de tot dan toe verleende medewerking aan de evacuatie dan ook kunnen en moeten staken en had zich moeten onthouden van enig actief optreden dat mogelijk maakte dat de mannelijke vluchtelingen werden afgescheiden waardoor de zeer ernstige mensenrechtenschendingen konden plaatsvinden. De aannemelijkheid dat de evacuatie vervolgens in chaos zou ontaarden en dat Bosnische Serven vervolgens hardhandig met de mensen waren omgegaan, alsmede het feit dat militairen van Dutchbat bepaalde mannen tijdens de begeleiding van de evacuatie juist hebben kunnen redden, kunnen de verleende medewerking niet rechtvaardigen. Dutchbat handelde derhalve onrechtmatig door de evacuatie op 13 juli 1995 te blijven begeleiden met het vormen van groepen en een ‘sluis’ (rov. 61.1-61.8).
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
effective controlin operationele zin. Het onderdeel betoogt in de kern genomen dat
effective controlook kan volgen uit een algemene, allesomvattende instructie van de Staat die betrekking heeft op alle aspecten van het (latere) handelen van het orgaan, bij de beoordeling waarvan alle feiten en omstandigheden van het geval in samenhang moeten worden beschouwd.
ultra vireshandelen (of handelen in strijd met elementaire militaire principes of met militair straf- en tuchtrecht) van Dutchbat – ongeacht of dat handelen op basis van art. 8 DARIO Pro wel of niet aan de VN moet worden toegerekend – op grond van art. 7 DARIO Pro aan Dutchbat moet worden toegerekend, gezien de door de Staat behouden organieke bevoegdheden over Dutchbat en de
effective controldie deze bevoegdheden zonder meer met zich brachten over het desbetreffende (
ultra vires) handelen. In de schriftelijke toelichting zijdens de Stichting c.s. worden de klachten van onderdeel 2, als meest verstrekkend, eerst behandeld, waarna een toelichting volgt op de klachten van onderdeel 1. [8]
[A]en
[B]heeft de Hoge Raad in rov. 3.7 geoordeeld dat voor de vaststelling van de in het ongeschreven internationaal recht ontwikkelde regels die bepalen onder welke voorwaarden gedragingen kunnen worden toegerekend aan een staat respectievelijk een internationale organisatie, kan worden aangesloten bij twee door de
International Law Commissionvan de Verenigde Naties (ILC) opgestelde regelingen: de
Draft Articles on Responsibility of States for Internationally Wrongful Actsvan 2001 (hierna: DARS) [9] en de
Draft Articles on the Responsibility of International Organizationsvan 2011 (hierna: DARIO). [10] De Hoge Raad heeft vervolgens overwogen:
Article 6
effective controluitoefent over dat optreden. In het bij art. 7 DARIO Pro behorende
Commentary(onder 1) wordt de verhouding van deze bepaling tot art. 6 DARIO Pro, dat ziet op toerekening van handelingen van organen van internationale organisaties zelf, toegelicht. Uit die door Uw Raad in de arresten
[A]en
[B]in rov. 3.9.3 geciteerde toelichting volgt dat art. 6 DARIO Pro ziet op de volledige terbeschikkingstelling van een orgaan van een staat aan een internationale organisatie. Art. 7 DARIO Pro ziet op de situatie dat een orgaan van de staat weliswaar ter beschikking is gesteld aan een internationale organisatie, maar deels nog als orgaan van de staat handelt, zoals het geval is bij vredesmissies waar de staat de organieke bevoegdheden behoudt. In een dergelijke situatie ontstaat het probleem van toerekening van verantwoordelijkheid voor gedragingen van het ter beschikking gestelde orgaan.
[A]en
[B]overweegt de Hoge Raad (rov. 3.9.4) dat in het
Commentarybij Part Two, Chapter II DARIO (onder 4) wordt opgemerkt dat art. 6-9 DARIO niet noodzakelijkerwijs ertoe leiden dat een gedraging uitsluitend wordt toegerekend aan een internationale organisatie – hetgeen leidt tot exclusieve verantwoordelijkheid van de internationale organisatie – maar dat deze bepalingen de mogelijkheid openlaten dat een gedraging wordt toegerekend aan een internationale organisatie én een staat, hetgeen in dat geval leidt tot
dual attribution.
effective control-norm) is, aldus de Hoge Raad in rov. 3.10.2 van de arresten
[A]en
[B], van toepassing op de situatie dat een staat in het kader van een VN-vredesmissie troepen ter beschikking stelt aan de VN, waarbij
command and controlaan de VN worden overgedragen, maar het organieke bevel bij de zendstaat blijft berusten. Dit doet zich in het onderhavige geval voor. Het gaat immers om een vredesmissie waarbij zowel de VN als de Staat bevoegdheden uitoefenden ten aanzien van Dutchbat. Gezien de mogelijkheid van
dual attributionop grond van art. 7 DARIO Pro, en derhalve de mogelijkheid dat zowel de Staat als de VN
effective controluitoefenden, kon het hof zich beperken tot de vraag of de Staat
effective controlover het handelen van Dutchbat uitoefende. Ook als de VN eveneens
effective controluitoefende, betekent dat immers niet dat zij exclusief verantwoordelijk is voor de gedragingen van Dutchbat.
effective controlin bovenstaande zin heeft uitgeoefend. De klachten van de onderdelen 1 en 2 hebben betrekking op het oordeel van het hof daarover. Voor de beoordeling van die klachten is allereerst van belang op welke wijze het begrip
effective controlmoet worden uitgelegd.
[A]en
[B]in rov. 3.11.3 overwogen dat voor het aannemen van
effective controlniet is verreist dat de Staat door het geven van instructies aan Dutchbat de bevelsstructuur van de Verenigde Naties heeft doorbroken dan wel zelfstandig operationele bevelsbevoegdheden heeft uitgeoefend. Bij de toerekening van een gedraging aan de zendstaat of de internationale organisatie komt het, aldus ook het bij art. 7 DARIO Pro behorende
Commentaryonder (4), aan op de feitelijke zeggenschap (
factual control) over het specifieke gedrag, waarbij alle feitelijke omstandigheden en de bijzondere context van het geval in ogenschouw moeten worden genomen.
[A]en
[B]wordt betrokken bij de vraag naar toerekening van de gedragingen van Dutchbat. Art. 8 DARS Pro bepaalt immers dat gedragingen van een persoon of groep personen aan een staat dient te worden toegerekend, indien deze persoon of groep van personen ‘is in fact acting on the instructions of, or under the direction or control of, that State in carrying out the conduct’. Volgens het
Commentaryop art. 8 DARS Pro onder (3) zullen handelingen die worden uitgevoerd ‘under the direction or control’ van een staat, alleen dan aan de staat kunnen worden toegerekend in het geval dat die staat ‘directed or controlled the specific operation and the conduct complained of was an integral part of that operation’
.Voor de vraag welke graad van controle is vereist voor toerekening aan de staat verwijst het
Commentaryonder (4) naar de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof in de zaak
Nicaragua v. United States of America, waarin het Hof de
effective control-test ontwikkelde. [11]
Nicaragua(par. 106) komt het Internationaal Gerechtshof tot de conclusie dat de ondersteuning van de
contrasdoor de Verenigde Staten door de jaren heen verschillende vormen heeft aangenomen, waaronder logistieke ondersteuning, informatievoorziening over de locatie en bewegingen van Sandinistische troepen, het gebruik van moderne communicatiemiddelen, de inzet van uitzendnetwerken en radar. Ook oordeelt het Internationaal Gerechtshof dat een aantal van de militaire en paramilitaire operaties werd gepland en daartoe werd besloten in nauwe samenwerking met, of zelfs rechtstreeks door adviseurs vanuit de Verenigde Staten, op basis van inlichtingen en logistieke ondersteuning door de Verenigde Staten, met name door het verstrekken van een bevoorradingsvliegtuig aan de
contras. Ondanks dit alles, en ondanks het feit dat de
contrasin een bepaalde periode zo afhankelijk waren van de Verenigde Staten dat zij de meest cruciale militaire en paramilitaire activiteiten zonder de steun van de Verenigde Staten niet hadden kunnen doorzetten (par. 111), kan niet worden aangenomen dat de
contrasin alle opzichten met de Verenigde Staten kunnen worden vereenzelvigd (als ware zij een orgaan van de VS, par. 109 en 110). Daarmee is niet gezegd, aldus het Hof, dat de Verenigde Staten niet verantwoordelijk kunnen zijn voor bepaalde, afzonderlijke schendingen van het internationaal humanitaire recht door de
contras. Niettemin komt het Hof ook ten aanzien van afzonderlijke schendingen van het internationaal humanitaire recht niet tot toerekening van verantwoordelijkheid aan de Verenigde Staten (par. 115):
contras, the selection of its military or paramilitary targets, and the planning of the whole of its operation, is still insufficient in itself, on the basis of the evidence in the possession of the Court, for the purpose of attributing to the United States the acts committed by the
contrasin the course of their military or paramilitary operations in Nicaragua. All the forms of United States participation mentioned above and even the general control by the respondent State over a force with a high degree of dependency on it, would not in themselves mean, without further evidence, that the United States directed or enforced the perpetration of the acts contrary to human rights and humanitarian law alleged by the applicant State. Such acts could well be committed by members of the
contraswithout the control of the United States. For this conduct to give rise to legal responsibility of the United States, it would in principle have to be proved that that State had effective control of the military or paramilitary operations in the course of which the alleged violations were committed’. [12]
Bosnia and Herzegovina v. Serbia and Montenegro [13] (hierna:
Bosnische Genocide) moest het Internationaal Gerechtshof beslissen of de handelingen van het Bosnisch Servische leger (de VRS) aan de voormalige republiek Joegoslavië (VRJ) konden worden toegerekend. Daartoe beoordeelde het Hof (op dezelfde wijze als in zijn uitspraak inzake
Nicaragua) of de VRS als een orgaan kon worden gezien van de VRJ (art. 4 DARS Pro), op de grond dat de VRS daarvan volledig afhankelijk was, en zo niet, of dan, ingevolge art. 8 DARS Pro, verantwoordelijkheid aan de VRJ kon worden toegerekend op de grond dat de VRJ
effective controlover bepaalde gedragingen van de VRS had (par. 398). Ten aanzien van de
effective control-norm overweegt het Hof, onder verwijzing naar zijn uitspraak inzake
Nicaragua, als volgt:
in accordance with that State’s instructions or under its “effective control”. It must however be shown that this “effective control” was exercised, or that the State’s instructions were given,
in respect of each operation in which the alleged violations occurred, not generally in respect of the overall actionstaken by the persons or groups of persons having committed the violations. (mijn curs., A-G)
Military and Paramilitary Activities in and against Nicaragua (Nicaragua v. United States of America) (…). The rules for attributing alleged internationally wrongful conduct to a State do not vary with the nature of the wrongful act in question in the absence of a clearly expressed lex specialis. Genocide will be considered as attributable to a State if and to the extent that the physical acts constitutive of genocide that have been committed by organs or persons other than the State’s own agents were carried out, wholly or in part, on the instructions or directions of the State, or under its effective control. This is the state of customary international law, as reflected in the ILC Articles on State Responsibility.
instructions(in de zin van art. 8 DARS Pro) uitdrukkelijk van het begrip
effective control, waarbij dit laatste de termen
direction and controlin de zin van art. 8 DARS Pro omvat. In de volkenrechtelijke literatuur is betoogd dat de term
effective controlrefereert aan een niveau van controle dat op hetzelfde neerkomt als de controle die een staat uitoefent in het geval dat de staat rechtstreeks bevel (
instructions) geeft tot bepaalde gedragingen. [14]
Bosnische Genocideverwerpt het Internationaal Gerechtshof het oordeel van de
Appeals Chambervan het Joegoslavië Tribunaal in de zaak
Tadić. [15] In die zaak volgde het Tribunaal uitdrukkelijk niet de maatstaf voor toerekening van verantwoordelijkheid zoals door het Internationaal Gerechtshof neergelegd in de
Nicaraguauitspraak
.Het Tribunaal heeft overwogen:
Bosnische Genocideexpliciet de door het Tribunaal ontwikkelde maatstaf van
overall controlverworpen. Een dergelijke maatstaf verbreedt de reikwijdte van de aansprakelijkheid van een staat tot ver voorbij het fundamentele principe in het internationaal recht dat een staat alleen verantwoordelijk is voor zijn eigen gedrag, dat wil zeggen voor het gedrag van de personen die, op wat voor basis dan ook, voor de staat handelen (par. 406). Een staat is derhalve verantwoordelijk voor handelen van zijn organen, die dat
de jureof
de factozijn, en, overeenkomstig art. 8 DARS Pro, in gevallen:
effective controlvoor toerekening van verantwoordelijkheid voor gedragingen van militaire en paramilitaire groepen bekritiseerd als inconsistent met het internationaal gewoonterecht en met het fundamentele principe dat staten niet hun verantwoordelijkheid jegens andere staten kunnen ontlopen in het geval dat zij, in plaats van te handelen door middel van hun eigen organen, gebruik maken van groepen individuen om acties te ondernemen die schade berokkenen aan andere staten. [16] Hoewel het Internationaal Gerechtshof in de zaak
Nicaraguainderdaad een zeer hoge drempel voor toerekening heeft aangelegd, onderschrijft de ILC deze maatstaf min of meer in het commentaar bij art. 7 DARS Pro. In de zaak die thans in cassatie aan de orde is, kan van die maatstaf worden uitgegaan, in ieder geval voor de toerekening van verantwoordelijkheid op grond van art. 7 DARS Pro.
Rule 17(a)van de
Tallinn Manual on the International Law Applicable to Cyber Warfare 2.0voorziet in de toerekening aan een bepaalde staat van verantwoordelijkheid voor
cyber operationsuitgevoerd door niet-statelijke actoren, wanneer die operaties zijn uitgevoerd ingevolge de
instructionsvan die staat of zijn uitgevoerd ‘under its direction or control’. De internationale groep van experts die de
Tallinn Manual 2.0opstelde was van mening dat het begrip
effective control, zoals door het Internationaal Gerechtshof in de zaken
Nicaraguaen
Bosnische Genocideis ontwikkeld, de juiste reikwijdte indiceert van de begrippen
directionen
controlzoals genoemd in Rule 17(a) van de
Tallinn Manualen in art. 8 DARS Pro. [17]
effective controlniet moet zijn gelegen in de vraag wie het bevel gaf tot de verweten gedragingen, maar wie het beste was gepositioneerd om die gedragingen te voorkomen (
power toprevent). [18] Later heeft Dannenbaum erop gewezen dat de door het Internationaal Gerechtshof gehanteerde standaard van
effective controlin de uitspraak
Nicaraguaaanzienlijk strikter is. [19] Dannenbaum stelt dat er goede redenen zijn om te menen dat het concept van
effective controlzoals toepasselijk in de zaken
Nicaraguaen
Bosnische Genocideafwijkt van het concept van
effective controlzoals dat wordt toegepast op situaties zoals vredesmissies, waarop art. 7 DARIO Pro van toepassing is. Dat heeft ermee te maken dat in de zaken
Nicaraguaen
Bosnische Genocidede militaire en paramilitaire groeperingen die schendingen van het internationaal humanitair recht hadden begaan,
de juregeen relatie hadden met respectievelijk de VS en de VRJ, terwijl bij vredesmissies de troepen wel steeds
de jurerelaties met het uitzendende land en de VN hebben. [20]
effective controlrelevant voor de beoordeling van
effective controlover gedragingen van vredestroepen zoals Dutchbat. [21] Ook de Hoge Raad lijkt daarvan uit te gaan, gelet op de verwijzing naar art. 8 DARS Pro in rov. 3.13 van zijn arresten
[B]en
[A]. Waar
command and controlover vredestroepen is overgedragen aan de VN [22] , is het uitgangspunt dat de VN met uitsluiting van de uitzendende Staat, de zeggenschap en controle uitoefent over de operationele uitvoering van het mandaat van de vredestroepen. [23] Dat is in onderhavige zaak overigens ook niet in geding. [24] De operationele handelingen van VN-vredestroepen zijn dus, in beginsel,
nietde handelingen van de uitzendende Staat. [25] Daarom geldt ook hier het principe dat een staat alleen verantwoordelijk is voor zijn eigen gedrag en dat de drempel voor toerekening van gedragingen die in beginsel of bij wijze van uitgangspunt niet de gedragingen van die staat zijn, hoog moet zijn. [26] Dit brengt met zich dat operationele handelingen van VN-vredestroepen alleen dan aan de uitzendende Staat kunnen worden toegerekend (naast uiteraard het geval dat de uitzendende Staat de bevelsstructuur van de VN doorbreekt of zelfstandig operationele bevelsbevoegdheden uitoefent), in het geval dat die Staat door een vorm van actieve controle die rechtstreeks is gericht op een specifieke operatie of operationele handeling, feitelijk zeggenschap verkrijgt over de desbetreffende operatie of operationele handeling. Daarmee is gegeven dat een algemene, abstracte instructie die niet ziet op een specifieke operatie of operationele handeling, op zich – dus zonder nadere en concrete aansturing die is gericht op die operatie of handeling – niet kan leiden tot
effective control.
power to prevent-maatstaf, waarnaar in onder meer onderdeel 5.3.7 van de schriftelijke toelichting zijdens de Stichting c.s. wordt verwezen, dient te worden verworpen, althans voor zover daaruit een ruimere maatstaf voor toerekening aan de uitzendende staat zou volgen dan uit het bovenstaande volgt. [27] Dat de
power to prevent-maatstaf in zoverre dient te worden verworpen, volgt ook uit het gegeven dat toerekening op grond van art. 7 DARIO Pro dient te geschieden aan de hand van alle feitelijke omstandigheden en de bijzondere context van het geval, en niet aan de hand van een brede (van de omstandigheden van het geval geabstraheerde) normatieve toerekeningsgrond. [28] Ik merk in dat verband nog het volgende op. In de zaken
[B]en
[A]is door het hof Den Haag geoordeeld dat voor de vraag of de Staat
effective controlheeft uitgeoefend, niet alleen van belang is of de Staat rechtstreeks instructies heeft gegeven aan Dutchbat, maar ook of de Staat het in zijn macht had het optreden van Dutchbat te voorkomen. [29] Voor zover het betreft toerekening van verantwoordelijkheid voor operationeel handelen van vredestroepen, gaat dat laatste naar mijn mening dus niet op. In rov. 3.11.3 van de arresten van de Hoge Raad inzake
[B]en
[A]wordt de maatstaf van het hof ook niet overgenomen, maar is overwogen dat het gaat om de feitelijke zeggenschap (
factual control) over het specifieke gedrag, waarbij alle feitelijke omstandigheden en de bijzondere context van het geval in ogenschouw moeten worden genomen.
power to prevent-maatstaf wel in een ander opzicht bruikbaar. In het kader van VN-vredesmissies worden, zoals gezegd,
command and control-bevoegdheden overgedragen aan de VN, terwijl de Staat organieke bevoegdheden behoudt alsmede bepaalde strategische bevoegdheden (de bevoegdheid om troepen terug te halen en deelname te staken). [30] Als uitgangspunt geldt daarom dat in ieder geval operationele handelingen aan de VN worden toegerekend. Men zou kunnen betogen dat handelingen die in de eerste plaats worden bestreken door de organieke bevoegdheden van de Staat, dan bij wijze van uitgangspunt (ook) aan de Staat moeten worden toegerekend. In die zin kan de
power to prevent-maatstaf wellicht relevant zijn: degene die de juridische bevoegdheid heeft over het gedrag, is in beginsel het beste in staat om dat gedrag te voorkomen, en daarom kan dat gedrag als uitgangspunt aan diegene worden toegerekend. Dit laat onverlet dat uit de feitelijke omstandigheden en de bijzondere context van het geval kan blijken dat de zaken toch anders liggen. De
power to prevent-maatstaf functioneert dan als een soort bewijsregel. Indien vaststaat dat een bepaalde handeling wordt bestreken door een bepaalde bevoegdheid, kan voorshands worden aangenomen dat degene die de bevoegdheid uitoefent
effective controlover de gedraging heeft. Een en ander is overigens ook in lijn met de ratio van
dual attributiononder art. 7 DARIO Pro. Met betrekking tot operationele handelingen van VN-vredestroepen heeft de uitzendende staat echter in beginsel geen relevante juridische bevoegdheden. Voor toerekening van operationele handelingen aan de uitzendende staat geldt daarom de strenge norm van
effective control, zoals hierboven uiteengezet. Daarmee is niet gezegd dat het niet mogelijk is dat een staat door uitoefening van zijn organieke bevoegdheden
effective controluitoefent over de operationele handelingen van de VN-vredestroepen. Dat kan wel mogelijk zijn, maar dan moet steeds aan de hand van alle omstandigheden en de bijzonder context van het geval worden aangetoond dat de uitzendende staat
effective controlover de operationele handeling heeft uitgeoefend.
ultra vireshandelen door VN-vredestroepen? Dannenbaum definieert
ultra vireshandelen als het handelen ‘outside of the scope of the action authorized by the U.N. Commander’. [31] Het enkele feit dat VN-vredestroepen in het kader van de uitvoering van operaties of operationele handelingen aldus handelen, betekent niet dat dit
ultra vireshandelen daarom aan de uitzendende staat moet worden toegerekend. [32] Voor zover sprake blijft van handelen binnen ‘the official capacity and within the overall functions
’van de VN (vgl. art. 8 DARIO Pro en het
Commentaryonder (9)) [33] , blijft als uitgangspunt gelden dat de VN, met uitsluiting van de uitzendende staat, de zeggenschap en controle uitoefent over dat handelen. Ook dergelijke handelingen zijn dus, in beginsel,
nietde handelingen van de uitzendende staat, zodat ook ten aanzien van deze handelingen een hoge drempel voor toerekening van verantwoordelijkheid aan de uitzendende staat moet gelden. Dat behoeft overigens niet zonder meer te gelden voor wandaden begaan door
individuelemilitairen op het moment dat de uitvoering van een operatie gaande was. Wat nu als vredestroepen de opdracht krijgen om in een bepaald gebied te patrouilleren en te observeren (operationele handeling), maar een individuele militair tijdens een dergelijke patrouille zonder enige noodzaak of provocatie een burger doodschiet? Men zou kunnen verdedigen dat dergelijk handelen in de eerste plaats wordt bestreken door de organieke bevoegdheden van de uitzendende staat, zodat in dat geval als uitgangspunt geldt dat de gedraging (ook) aan de uitzendende staat wordt toegerekend. [34]
onderdeel 2als meest verstrekkend aangemerkt. Ik zal daarom de klachten van dat onderdeel eerst behandelen. Het onderdeel valt in drie subonderdelen uiteen.
ultra vireshandelen van Dutchbat blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu handelen van VN-vredestroepen steeds aan de uitzendende staat moet worden toegerekend wanneer dat handelen in strijd komt met de instructies die de VN aan de vredestroepen heeft gegeven.
Onderdeel 2.2klaagt dat dit laatste in ieder geval geldt voor gedragingen die in strijd zijn met elementaire militaire principes waarover het organieke bevel van de Staat zich (in elk geval) uitstrekte. Het hof heeft daarom ten onrechte nagelaten te onderzoeken of de door de Stichting c.s. aangevoerde gedragingen van Dutchbat in strijd kwamen met elementaire militaire principes.
Subonderdeel 2.3klaagt dat het hof heeft miskend dat elke gedraging van een orgaan van een Staat, en dus ook
ultra vireshandelen van vredestroepen, aan de Staat moet worden toegerekend, tenzij dat handelen geschiedt in privé-hoedanigheid, waarbij het onderdeel verwijst naar art. 7 DARS Pro.
ultra viresoperationeel handelen van Dutchbat niet aan de Staat kan worden toegerekend op de enkele grond dat de Staat zeggenschap heeft behouden over de voorbereiding van de troepen, personele aangelegenheden en de discipline van de troepen of op grond van het feit dat Dutchbat een orgaan van de Staat is. Het hof is terecht ervan uitgegaan dat dergelijke operationele handelingen, wanneer deze zijn verricht binnen ‘the official capacity and within the overall functions’ van de VN, slechts dan aan de Staat kunnen worden toegerekend in het geval dat de Staat daarover
effective controlin de zin van art. 7 DARIO Pro uitoefende. De klachten van de onderdelen 2.1 en 2.3 falen derhalve.
ultra vireshandelen van individuele militairen bij wijze van uitgangspunt (ook) aan de Staat zou kunnen worden toegerekend, voor zover vast komt te staan dat de door de Staat behouden bevoegdheden zich in de eerste plaats over dat handelen uitstrekken en de Staat in zoverre in de positie zou zijn om dat handelen te voorkomen. Van een dergelijke situatie is echter geen sprake op grond van het enkele feit dat
ultra viresoperationeel handelen in strijd komt met elementaire militaire principes. Het hof behoefde een en ander dus niet afzonderlijk te onderzoeken. Hierop stuit de klacht van
subonderdeel 2.2af.
Onderdeel 1.1klaagt dat het hof in rov. 12.1 e.v. van zijn arrest heeft miskend dat
effective controlook kan voortvloeien uit een algemene, allesomvattende instructie van de Staat, ofwel kan blijken uit de omstandigheid dat de Staat in een zodanige positie verkeerde dat hij het in zijn macht had de litigieuze operationele gedragingen te voorkomen indien hij daarvan tijdig op de hoogte zou zijn geweest.
Onderdeel 1.2betoogt dat voor zover aan het oordeel van het hof ten grondslag ligt dat een algemene, allesomvattende instructie van de Staat niet voldoende kan zijn voor
effective control, indien latere concrete instructies van de VN zijn gevolgd, en daarna de Staat niet op zijn beurt ook concrete instructies heeft gegeven, dat oordeel evenzeer rechtens onjuist is.
onderdelen 1.1 en 1.2gaan uit van de onjuiste rechtsopvatting dat uit een algemene, allesomvattende instructie als zodanig
effective controlkan voortvloeien. Ik volsta met te verwijzen naar mijn hierboven gegeven algemene uiteenzetting over
effective control. Dat de Staat de door onderdeel 1.1 genoemde operationele handelingen had kunnen voorkomen, is niet voldoende om aan te nemen dat de Staat
effective controlhad over deze gedragingen. De klachten van de beide onderdelen falen dus.
situation reportniet mogen passeren op de grond dat dit verslagen betreft van gesprekken gehouden na de gedragingen waar het in de onderhavige procedure om gaat en dat het gaat om informatie vanuit Potočari (rov. 12.10), nu de rapporten wel degelijk zouden kunnen bijdragen aan het oordeel over de door de Staat uitgeoefende controle ten tijde van die gedragingen. Het onderdeel betoogt dat hetzelfde
mutatis mutandisgeldt voor de uitlatingen van generaal Couzy op 16 en 23 juli 1995, welke uitlatingen door het hof reeds wegens het ontbreken van causaal verband buiten beschouwing zijn gelaten (rov. 12.11). Deze uitlatingen zijn door de Stichting c.s. aangevoerd als ondersteunende aanwijzing voor de stelling dat de litigieuze gedragingen van Dutchbat zijn bepaald door de algemene instructie van de Staat. Verder betoogt het onderdeel dat het hof ook de aanwijzingen die door de Stichting c.s. zijn aangevoerd in het kader van het betoog dat de Staat zeggenschap heeft gehad over het (aanvankelijk) tegenhouden en (later) het stopzetten van luchtsteun, in zijn oordeel had moeten betrekken.
effective controltot stand bracht, niettemin gevolg heeft gekregen in de vorm van meer concrete opdrachten of aanwijzingen, waaruit eventueel wel
effective controlzou kunnen worden afgeleid. In dat kader en in onderling verband heeft het hof de genoemde aanwijzingen en omstandigheden beoordeeld. In rov. 12.12 is het hof tot de conclusie gekomen dat niettemin uit mededelingen dat slachtoffers vermeden moeten worden en dat de eigen veiligheid prioriteit heeft, geen
effective controlkan worden afgeleid. Voor zover geklaagd wordt dat het hof alle door de Stichting c.s. aangevoerde aanwijzingen slechts afzonderlijk heeft beoordeeld, mist de klacht feitelijke grondslag.
effective controlkan voortvloeien. Het hof behoefde dus niet te bezien in hoeverre die uitlatingen de stelling kunnen ondersteunen dat de gedragingen van Dutchbat zijn bepaald door de algemene instructie van de Staat, zodat ook deze klacht faalt.
als zodanigkan immers geen
effective controlover een specifieke operatie of operationele handeling voortvloeien. Bovendien zal voor elke specifieke operatie of operationele handeling afzonderlijk moeten worden vastgesteld of de vereiste feitelijke zeggenschap aanwezig was. Ook de laatste klacht van subonderdeel 1.3 faalt dus.
command and controlover Dutchbat – ook rond 10 juli 1995 nog (dat wil zeggen rond het tijdstip dat Voorhoeve zijn algemene instructies gaf) – niet alleen formeel, maar ook in de praktijk aan de VN was overgedragen. In rov. 12.7 overweegt het hof dat vaststaat dat de VN aan Dutchbat concrete instructies gaf, onder meer over het innemen van de
blocking positionsop 9 juli 1995 (zie ook rov. 2.34). Hiermee heeft het hof zijn in rov. 12.4 gegeven oordeel voldoende inzichtelijk gemaakt.
effective controlkan leiden. Voor zover het hof met het woord ‘onderschreef’ heeft willen uitdrukken dat de Staat zich slechts heeft aangesloten bij de algemene mededeling van de VN, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu het hof op geen enkele wijze duidelijk maakt waarop dat oordeel is gebaseerd, aldus het onderdeel.
Onderdeel 1.5.2betoogt dat rov. 12.4 onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd, voor zover daarin besloten ligt dat gedragingen die in overeenstemming waren met de algemene mededeling van de Staat telkens ook in overeenstemming waren met de algemene opdracht van de VN, zodat het verrichten van deze gedragingen niet wijst op
effective controlvan de Staat. De Stichting c.s. hebben immers betoogd dat de litigieuze gedragingen van Dutchbat in strijd zijn met specifieke instructies vanuit de VN-bevelslijn die zijn gegeven na de algemene mededeling van de VN.
effective controlkan leiden. Bovendien berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft steeds beoordeeld of sprake was van het vereiste niveau van feitelijke zeggenschap van de Staat over
specifiekegedragingen van Dutchbat en heeft dat oordeel niet afhankelijk gemaakt van de vraag of de Staat zich al dan niet heeft aangesloten bij een eerdere (algemene) mededeling van de VN.
onderdeel 1.5.2faalt, omdat het uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft immers het betoog van de Stichting c.s. dat bepaalde gedragingen van Dutchbat zijn verricht in strijd met specifieke instructies vanuit de VN-bevelslijn en dat deze gedragingen daarom aan de Staat moeten worden toegerekend, niet verworpen op grond van de redenering dat deze in overeenstemming waren met de algemene opdracht van de VN, maar op grond van een beoordeling van die specifieke gedragingen zelf (rov. 14 e.v.).
effective controlheeft uitgeoefend. Het onderdeel wijst op een groot aantal andere, nadere stellingen waarop de Stichting c.s. zich hebben beroepen (in totaal worden 19 punten geformuleerd, waarbij de punten 18 en 19 nog onderverdeeld zijn in 12 punten). Het onderdeel klaagt dat het hof niet zonder nadere motivering aan deze stellingen van de Stichting c.s. voorbij had mogen gaan.
effective controlin de vorm van een algemene allesomvattende instructie. Nu een algemene, allesomvattende instructie echter als zodanig niet kan leiden tot
effective controlover specifieke operaties, faalt het onderdeel reeds om die reden. Daarbij geldt, zoals de Staat ook in zijn schriftelijke toelichting onder 3.2.41 en 3.2.42 heeft opgemerkt, dat een deel van de in het onderdeel genoemde punten uitsluitend in eerste aanleg, en niet opnieuw in hoger beroep in het kader van de grieven van de Stichting c.s. aan de orde is gesteld, en bovendien niet alle punten in hoger beroep zijn aangevoerd in het kader van grief 4 (over de beoordeling waarvan in onderdeel 1.6 wordt geklaagd).
effective controlkon voortvloeien (ook niet voor zover de instructie meer specifiek zou zien op de situatie rondom de
blocking positions,zoals onder punten (xiii) en (xiv) wordt gesteld). Het hof heeft in rov. 12.4 immers geoordeeld dat de algemene mededelingen (over slachtoffers vermijden, de allerhoogste voorrang geven aan de veiligheid van de Nederlandse militairen en het heelhuids thuis willen zien van mannen en vrouwen) niet zijn gericht op concreet operationeel handelen, zoals het op enig moment wel of niet verlaten van bepaalde observatieposten of
blocking positions. Het hof behoefde derhalve niet afzonderlijk op de desbetreffende verklaringen in te gaan. Overigens is het hof in rov. 12.5 en 12.9 wel degelijk ingegaan op de onder punt (i) genoemde verklaring van Franken en op de onder punten (ii)-(iv) genoemde opmerkingen gemaakt in het DCBC-overleg [35] , waarbij het hof telkens heeft geconcludeerd dat daaruit geen
effect controlvoortvloeide.
effective controluitoefende. Het hof behoefde op deze punten dus niet nog afzonderlijk in te gaan. Voor zover deze verklaringen en omstandigheden zijn aangevoerd als aanwijzing dat de Staat door middel van de algemene en allesomvattende instructie
effective controluitoefende, geldt wederom dat die instructie als zodanig geen
effective controlkan opleveren, zodat het hof ook op die grond niet was gehouden de punten afzonderlijk in zijn beoordeling te betrekken.
command and controlover Dutchbat was overgedragen aan de VN en in rov. 23.1 e.v. over de vraag in hoeverre de Staat vanaf 11 juli 1995 zeggenschap is gaan uitoefenen over Dutchbat. Het hof heeft dus, anders dan onderdeel 1.6 kennelijk ingang wil doen vinden, onder ogen gezien dat de formele afspraken over gezagslijnen en de
command and controlop enig moment in meer of mindere mate zijn doorbroken en heeft geoordeeld wanneer dat is gebeurd. Dat oordeel is, ook zonder het noemen van de in punten (viii) en (ix) vermelde passages uit de Parlementaire Enquête en de onder (xii) genoemde passage uit het NIOD-rapport, voldoende begrijpelijk. Bovendien valt niet in te zien hoe de onder punt (xii) genoemde passages over de benoeming van Nicolai als contingentscommandant kan bijdragen aan het oordeel dat de Staat op enig moment
effective controlover Dutchbat uitoefende.
close air supportmoet worden verleend als de lokale bevelhebber dat nodig vindt voor de veiligheid van de blauwhelmen.
command and controlaan de VN was overgedragen, nu het besef van de overdracht van formele bevoegdheden nog geen of slechts een zeer beperkte aanwijzing over de feitelijke zeggenschap geeft. Bovendien heeft het hof niet uitdrukkelijk in zijn oordeel betrokken de in subonderdeel 1.6 onder (vii), (ix) en (xiii) opgesomde opmerkingen van Voorhoeve en de onder punten (xi) en (xii) aangehaalde verklaring van Nicolai en de passage uit het NIOD-rapport, aldus de klacht.
ultra viresoperationeel handelen niet aan de uitzendende staat kan worden toegerekend op de enkele grond dat dit handelen
ultra viresis, terwijl een algemene en allesomvattende instructie als zodanig niet kan leiden tot
effective control. Het gegeven dat de Stichting c.s. over een groot aantal gedragingen van Dutchbat heeft gesteld dat deze in strijd waren met bevelen van de VN, kon er dus op zich niet toe leiden dat het hof anders had moeten oordelen over het verband tussen de mededelingen van Voorhoeve en de latere gedragingen van Dutchbat, nog daargelaten dat het oordeel van het hof in rov. 12.7 dat temporeel verband nog geen causaal verband impliceert, volkomen begrijpelijk is. De klachten van onderdeel 1.8 falen dus.
effective controluitgeoefend op Dutchbat, aldus het onderdeel. Verder klaagt het onderdeel dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover aan zijn oordeel ten grondslag ligt dat slechts sprake kan zijn van
effective controlvan de Staat voor zover de Staat deel is gaan uitmaken van de VN-bevelslijn of voor zover concrete instructies vanuit de VN-bevelslijn geacht moeten worden in feite door de Staat te zijn gegeven.
effective controlheeft aangenomen) [37] alleen op het tegenhouden van luchtsteun. [38] Het hof heeft de toerekening van de verantwoordelijkheid voor het tegenhouden van die luchtsteun voldoende gemotiveerd besproken in rov. 29.1-29.4 van zijn arrest, zodat het hof niet ook in rov. 12.8 op de desbetreffende stellingen behoefde in te gaan. Het onderdeel verwijst daarnaast (in voetnoot 59) nog naar een (ook in onderdeel 1.6 (xvi) genoemde) brief van Karremans aan Mladić d.d. 13 juli 1995, waarin Karremans schrijft:
effective controluitoefende. Het hof behoefde op dit punt dus niet nog afzonderlijk in te gaan. In zoverre faalt de klacht.
effective controlover Dutchbat kon uitoefenen. Een groot deel van rov. 12.1 e.v. gaat nu juist over de vraag of dat laatste het geval is. Ook in dit opzicht faalt de klacht van onderdeel 1.9.
effective controlheeft gehad over het aanvragen door Dutchbat van luchtsteun. Ter onderbouwing verwijst het onderdeel naar hetgeen in onderdeel 1.6 onder (xi), (xii) en (xviii) (met name onder a, d en e) is gesteld. De Stichting c.s. hebben in dat verband ook gesteld dat Nicolai feitelijk vanuit zijn dubbelrol op instructie van de Staat heeft gehandeld zodat de beslissingen in werkelijkheid niet binnen de VN en de NAVO zijn genomen, en dat door toedoen van Nicolai de aanvragen van luchtsteun de beslissingsbevoegde niveaus binnen de VN en de NAVO niet hebben bereikt.
nadatde beslissingen over aanvragen tot luchtsteun al waren genomen, en ten aanzien waarvan het hof bovendien
effective controlheeft aangenomen. Uit hetgeen in onderdeel 1.6 onder (xii) en (xviii) is gesteld kan slechts worden afgeleid dat Nicolai bepaalde besluiten heeft genomen over luchtsteun, en dat hij daarbij de belangen van de gegijzelde Nederlanders in overweging heeft genomen. Deze punten bevatten echter geen aanwijzing dat Nicolai handelde op specifieke instructie van de Staat (en niet slechts in lijn met de zowel door de VN als de Staat gegeven algemene instructie dat de veiligheid van het personeel van Dutchbat voorrang had). [39] De bestreden oordelen in rov. 29.2 en 29.4 zijn daarom niet onbegrijpelijk, zodat de klachten falen.
onderdelen 1.11.1 en 1.11.2bevatten motiveringsklachten die een herhaling zijn van de klachten van de onderdelen 1.4-1.10. De klachten falen daarom eveneens.
effective control(in de zin van art. 7 DARIO Pro) heeft gehad over het (verhinderen van) aanvragen tot luchtsteun, zijn hiervoor reeds besproken en ongegrond bevonden. Art. 59 DARIO Pro luidt als volgt:
a) the State does so with knowledge of the circumstances of the internationally wrongful act; and
b) the act would be internationally wrongful if committed by that State.
Commentaryvan de ILC op art. 59 DARIO Pro (onder (2) en (4)) [40] wordt gesteld dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de participatie van een lidstaat in het besluitvormingsproces op grond van de geldende regels en de
direction and controlop grond waarvan toerekening van verantwoordelijkheid aan een Staat kan geschieden. Art. 59 lid 2 DARIO Pro specificeert slechts dat van toerekening (op grond dat een staat
direction and controluitoefent) in elk geval geen sprake kan zijn als het gaat om gedragingen van een lidstaat die in overeenstemming zijn met de regels van de organisatie.
direction and controlheeft uitgeoefend over de VN of de NAVO. Het hof heeft immers overwogen dat lidstaten in meer of mindere mate politieke inspraak kunnen hebben, zonder dat de besluitvorming van de VN of de NAVO (geheel of deels) wordt overgenomen. Het hof heeft dus kennelijk geoordeeld dat de invloed die de Staat op de beslissingen van de VN en de NAVO heeft uitgeoefend, niet ertoe heeft geleid dat de desbetreffende beslissingen tot stand zijn gekomen onder
direction and controlvan de Staat. Het hof heeft bovendien nog overwogen dat aan dat oordeel niet kan afdoen dat door de NAVO druk zou zijn uitgeoefend op Nederland om
air strikestoe te staan en dat de VN
close air supportheeft doen onderbreken of afgelasten na een telefoongesprek daarover tussen Voorhoeve en Akashi. Gezien het bovenstaande hebben de Stichting c.s. geen belang bij hun klacht over het oordeel van het hof met betrekking tot art. 59 lid 2 DARIO Pro, zodat de klacht faalt.
Onderdeel 3.3heeft betrekking op het door de Stichting c.s. gedane bewijsaanbod dat het hof heeft gepasseerd.
effective penaltiesvoor degenen die zich schuldig maken aan de in art. II en III opgesomde gedragingen. Ter voldoening aan deze verplichting is destijds in Nederland de Uitvoeringswet Genocideverdrag ingevoerd. [41] Een wettelijke regeling waarin invulling wordt gegeven aan de verplichting om genocide te voorkomen, is niet tot stand gebracht. Die verplichting leent zich bij uitstek om te worden ingevuld door de rechter: de rechter is telkens per genocidegedraging in staat te bepalen welke maatregelen geboden waren om deze gedraging te voorkomen. De in art. I opgenomen verplichting om genocide te voorkomen is in die zin onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om door de rechter in concreto te worden toegepast, zodat de bepaling in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht kan functioneren, aldus het onderdeel.
voorkomenen welke concrete maatregelen die verplichting vergt. [48]
Onderdeel 5.1klaagt kort gezegd dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting voor zover in rov. 50.1 en 51.6 besloten mocht liggen dat het Genocideverdrag niet alleen geen rechtstreekse werking heeft, maar ook niet in de nationale rechtsorde kan doorwerken via toepassing van het nationale recht.
wetenschapvan genocide bestond, nu de handelingen van Dutchbat ook (reeds) onrechtmatig kunnen zijn als er wetenschap bestond dat de te evacueren mannen een reëel gevaar liepen op de dood of op onmenselijke behandeling.
wetenschapvan genocide bestond. Als wetenschap van een reëel gevaar op genocide bestaat, is er noodzakelijkerwijs tenminste ook wetenschap van een reëel gevaar op de dood of op onmenselijke behandeling. Er zijn dus geen gevallen denkbaar waarin wel (reeds) wetenschap van een reëel gevaar op genocide bestaat, maar geen wetenschap van een reëel gevaar op de dood of op onmenselijke behandeling. Andersom is het uiteraard mogelijk dat wél wetenschap bestaat van een reëel gevaar op de dood of op onmenselijke behandeling, zonder dat (reeds) wetenschap van een reëel gevaar op genocide bestaat. Teneinde te bepalen of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld kon het hof daarom volstaan met te bezien of wetenschap van een reëel gevaar op de dood of op onmenselijke behandeling bestond. Niet valt in te zien op welke grond de rechtsgevolgen van het oordeel van het hof over de onrechtmatigheid zouden verschillen al naar gelang het hof wetenschap van een reëel gevaar van genocide aanneemt of wetenschap van een reëel gevaar op de dood of op onmenselijke behandeling. Het Genocideverdrag bevat hierover ook geen bepalingen. In zoverre faalt de klacht. Nu het hof bovendien de door de Stichting c.s. gemaakte verwijten ten aanzien van de andere gedragingen reeds op andere gronden heeft verworpen, faalt de klacht ook in dat opzicht.
Onderdeel 6.2betoogt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het met de overweging dat geen grond is voor ‘verdergaande terughoudendheid’, heeft willen uitdrukken dat een andere (terughoudender) toetsing dient plaats te vinden dan de toets of Dutchbat zorgvuldig heeft gehandeld, en dat het handelen van Dutchbat niet ten volle dient te worden getoetst. Dat geldt in het bijzonder, zo luidt de klacht van
onderdeel 6.3, voor zover het gaat om militaire besluiten, bevelen en instructies waarbij geen ruimte voor afweging bestaat anders dan die welke voortvloeit uit, of besloten ligt in, de uitleg van die besluiten, bevelen en instructies.
[A]en
[B]. [49] In rov. 3.18.2 van de beide arresten heeft de Hoge Raad overwogen dat het hof, anders dan door de Staat in cassatie was betoogd, niet met kennis achteraf het handelen van Dutchbat heeft beoordeeld, maar steeds de maatstaf heeft aangelegd of Dutchbat in redelijkheid heeft kunnen besluiten en handelen zoals het heeft gedaan. De Hoge Raad onderschrijft die maatstaf echter niet expliciet. In rov. 3.18.3 overweegt de Hoge Raad dan dat voor de door de Staat bepleite terughoudende toetsing – namelijk dat het hof ook
daadwerkelijkslechts had moeten beoordelen of Dutchbat in redelijkheid heeft kunnen handelen zoals het heeft gedaan – geen grondslag bestaat:
onderdelen 7.1 en 7.2bevatten in de kern dezelfde klacht. Deze onderdelen betogen dat voor zover het hof ervan is uitgegaan dat het alleen gaat om feiten en omstandigheden waarvan Dutchbat daadwerkelijk subjectieve wetenschap had (al dan niet op grond van toerekening van kennis van bepaalde personen aan de organisatie), het oordeel op een onjuiste rechtsopvatting berust, omdat tevens van belang is wat Dutchbat (redelijkerwijs) had moeten begrijpen omtrent het reële risico op schending van fundamentele mensenrechten.
mini safe area(waaronder Franken en Karremans)’. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is, omdat voor de toerekening van wetenschap aan Dutchbat in ieder geval als leiding van Dutchbat ook dient te worden aangemerkt de compagniescommandanten (onder wie Matthijssen en Groen) en hun plaatsvervangers, en de bataljonsadjudant (Oosterveen). Aan Dutchbat dient bovendien te worden toegerekend de wetenschap van hen die specifiek op onderzoek zijn uitgegaan om informatie te verzamelen die voor het nemen van beslissingen ter zake van de evacuatie van belang zou kunnen zijn en die uit hoofde van die opdracht geacht kunnen worden hun wetenschap te delen met de leiding van Dutchbat.
condicio sine qua non-verband) ontbreekt tussen het onrechtmatige handelen van Dutchtbat en het lot van de mannen die op 13 juli 1995 in de
mini safe areabuiten de compound verbleven. Het hof heeft in rov. 66.2-68, wederom op grond van een volledige waardering van al het aanwezige materiaal, klaarblijkelijk geoordeeld dat weliswaar geen causaal verband bestaat tussen het onrechtmatige handelen van Dutchbat en het concrete lot van de mannen die op 13 juli 1995 op de compound aanwezig waren, maar wel tussen het handelen van Dutchbat en schade die bestaat uit de ontneming van een kans tot overleven van die mannen. [55] Bij die stand van zaken valt niet in te zien hoe het uiteindelijke oordeel van het hof anders zou kunnen uitvallen, in het geval dat het op enig moment in de procedure een voorshands bewijsoordeel zou hebben gegeven en tegenbewijs aan de hand van het aanwezige materiaal zou zijn gevolgd. De klacht faalt derhalve.
Bosnische Genocide:
Such a nexus could be considered established only if the Court were able to conclude from the case as a whole and with a sufficient degree of certainty that the genocide at Srebrenica would in fact have been averted if the Respondent had acted in compliance with its legal obligations. (…)’. (mijn curs., A-G)
voldoende zekerheidde aanwezigheid van het causaal verband moet worden vastgesteld.
nietis genoemd in relatie tot
diemannen, maar alleen in relatie tot de groep mannen die is gevlucht via de bossen. Wat daarvan ook zij, gegeven het verloop van het partijdebat kan niet worden gezegd dat partijen ermee geen rekening hadden behoeven te houden dat het hof aan de hand van de stellingen van partijen en de ingebrachte stukken, de goede en kwade kansen van de mannen binnen de compound zou afwegen en de kans op het overleven van de mannen zou vaststellen zoals het heeft gedaan. Juist uit de brief van 20 juli 2017 blijkt dat de Stichting c.s. daarmee rekening hielden.
Vie d’Or:
De belangen die de rechtsvordering aldus beoogt te dienen laten zich, naar het hof niet onbegrijpelijk heeft overwogen, in dit geval in zodanig onvoldoende mate veralgemeniseren, dat zij niet gerekend kunnen worden tot de gelijksoortige belangen waarop art. 3:305a BW het oog heeft.Daaraan doet niet af dat het hof, in het bijzonder omtrent het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de Verzekeringskamer, de actuaris en de accountants en de totale schade en het tijdstip waarop die totale schade moet worden berekend, beslissingen heeft gegeven die op zichzelf ‘veralgemeniseerbare vraagstukken van causaliteit en aansprakelijkheid’ betreffen’. [62] (curs. van mij, A-G)
condicio sine qua non-verband wél in een procedure naar aanleiding van een collectieve actie kan worden beoordeeld, maar andere causaliteitsproblemen of vragen over de schade niet. [64] Het is steeds aan de rechter om in het concrete geval te beoordelen welke kwesties voldoende kunnen worden veralgemeniseerd en welke niet. [65] Ik wijs erop dat in het thans nog bij de Staten-Generaal aanhangige wetsvoorstel afwikkeling massaschade in collectieve actie de mogelijkheid is opgenomen om in een collectieve actie schadevergoeding te vorderen. In de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel is als nadeel van de bestaande regeling van art. 3:305a BW genoemd dat sommige vragen voor iedere individueel gedupeerde afzonderlijk moeten worden beoordeeld, waaronder vragen van causaliteit, verjaring en eigen schuld. [66]
5.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Bosnische Genocide(par. 430) volgt dat art. I Genocideverdrag ook een verplichting op de Verdragsluitende Partijen legt om te voorkomen dat buiten hun grondgebied genocide plaatsvindt. [68] Het Hof heeft overwogen dat het gaat om een inspanningsverplichting, niet om een resultaatsverplichting:
due diligence. Dit is binnen het internationaal publiekrecht een bekende maatstaf voor het beoordelen van de onrechtmatigheid van het handelen van staten.
Due diligenceduidt op het bestaan van een inspanningsverplichting: het nemen van alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen teneinde een bepaald schadelijk gevolg zo veel mogelijk te voorkomen. [69] Wanneer die plicht ontstaat en op welke wijze daaraan invulling moet worden gegeven, is afhankelijk van verschillende factoren.
Bosnische Genocide(par. 431) overwogen dat een schending van de verplichting tot het voorkomen van genocide alleen kan bestaan wanneer de genocide daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, maar dat dit niet meebrengt dat die verplichting pas in werking treedt wanneer de genocide is begonnen zich te voltrekken. Dan zou de verplichting deze genocide te voorkomen immers inhoudsloos worden. [73] Het Hof overweegt dat de verplichting om op te treden ontstaat op het moment dat de staat kennis neemt van, of normaal gesproken kennis zou hebben moeten nemen, van het bestaan van een ernstig risico (‘serious risk’) dat genocide zal worden gepleegd. Ten aanzien van de genocide bij Srebrenica was weliswaar geen sprake van een vooropgezet plan, maar Servië was, in de persoon van (destijds) president Milosević, mede vanwege zijn contact met de Bosnisch-Servische legerleider Mladić op de hoogte van hetgeen stond te gebeuren. Het Hof heeft in par. 438 overwogen dat sprake was van een ‘serious risk’ dat in Srebrenica genocide zou worden gepleegd:
non-refoulement). [74] Evenmin mogen personen worden uit- of overgeleverd indien zij het risico lopen ter dood te worden veroordeeld, nu het 13e Protocol bij het EVRM de doodstraf onder alle omstandigheden verbiedt. [75]
real risk, oftewel een reëel risico, bestaat dat dat niet het geval zal zijn. In
Soering/Verenigd Koninkrijkheeft het EHRM in rov. 91 overwogen:
Osman/Verenigd Koninkrijkheeft het EHRM de positieve verplichting van de verdragsluitende staten op grond van art. 2 EVRM Pro geformuleerd in situaties waarin het leven van een bepaalde persoon wordt bedreigd door een derde en tevens geoordeeld dat deze verplichting met enige terughoudendheid moet worden uitgelegd om te voorkomen dat op de autoriteiten een onmogelijke en disproportionele last wordt gelegd:
Kilic/Turkije [78] en de zaak
Mahmut Kaya/Turkije [79] heeft het EHRM de maatstaf van
Osman/Verenigd Koninkrijktoegepast op de moord van respectievelijk een journalist en een medicus in een gebied binnen Turkije waar zich een conflict tussen het Turkse leger en de PKK en andere groeperingen afspeelde. In beide zaken heeft het EHRM geoordeeld dat de Turkse autoriteiten hun positieve verplichting uit art. 2 EVRM Pro hadden geschonden door niet de redelijke maatregelen te nemen die aan hen ter beschikking stonden om de levens van de slachtoffers te beschermen. In deze zaken heeft echter meegespeeld dat, hoewel niet kon worden vastgesteld dat enige officiële vertegenwoordiger van Turkije de hand had gehad in de moorden, er wel sterke aanwijzingen waren dat de moorden waren gepleegd met instemming van de Turkse autoriteiten [80] dan wel dat het reële gevaar afkomstig was van groepen die opereerden met instemming van elementen binnen de Turkse veiligheidsdiensten. [81]
Tagayeva/Rusland. [82] De zaak betrof de gijzeling van meer dan 1000 mensen, waaronder 800 schoolkinderen, in Beslan door Tsjetsjeense separatisten en de daaropvolgende, gewelddadige ontzetting door de Russische autoriteiten waarbij meer dan 300 mensen de dood vonden. Het EHRM (rov. 490) heeft overwogen dat de Russische autoriteiten specifieke informatie hadden over de omvang en de aard, het tijdstip en de locatie van de aanval door de Tsjetsjenen, zodat de autoriteiten tenminste in de dagen die aan de aanval voorafgingen een voldoende mate van controle over de situatie hadden. Ondanks de omstandigheid dat de autoriteiten voldoende mogelijkheid hadden om zich voor te bereiden, waren 30 terroristen in staat samen te komen, te trainen en zich naar de school te begeven zonder dat zij daarbij door enige preventieve veiligheidsmaatregel werden belemmerd (rov. 491). Het Hof heeft vervolgens overwogen:
Finogenov/Rusland [83] kwam het EHRM tot een vergelijkbare conclusie met betrekking tot de voorbereiding van een door de Russische autoriteiten uitgevoerde militaire actie. Het ging in deze zaak om de bezetting van het Doebrovka theater in Moskou door Tsjetsjeense separatisten. De bezetting werd door de Russische autoriteiten beëindigd door het gebouw te bestormen, nadat in het gebouw een onbekend bedwelmend gas was geïnjecteerd. Het gas veroorzaakte de dood van 125 gegijzelden. Het Hof heeft als volgt geoordeeld:
Finogenov/Ruslandterug, omdat de beslissing van belang is voor de beoordeling van de verplichtingen van de staat op grond van art. 2 EVRM Pro in militaire context in het algemeen en dus ook in het kader van de beoordeling van de positieve verplichtingen op grond van art. 2 EVRM Pro. Het EHRM merkt in
Finogenov/Ruslandoverigens op dat het bij het gebruik van geweld zoals in die zaak aan de orde was, moeilijk is om een onderscheid te maken tussen de negatieve en de positieve verplichtingen van een staat:
Advisory Opinion on the Israeli Wallvan 9 juli 2004 heeft het Internationaal Gerechtshof overwogen:
Varnava/Turkijeheeft het EHRM overwogen dat art. 2 EVRM Pro moet worden geïnterpreteerd
Hassan/Verenigd Koninkrijk, waarin het ging om de detentie van een Iraaks staatsburger door Britse strijdkrachten tijdens de invasie in Irak in 2003, heeft het EHRM eveneens overwogen dat tussen het internationaal humanitair recht en het recht inzake mensenrechten convergentie bestaat. [88] Het EHRM heeft niettemin geaccepteerd dat in oorlogssituaties, waarin de desbetreffende staat geen beroep heeft gedaan op de in art. 15 EVRM Pro neergelegde bevoegdheid om te derogeren van verdragsverplichtingen, die verdragsverplichtingen (althans die van art. 5) toch in zekere mate kunnen worden gematigd. Het Hof heeft als volgt overwogen:
Finogenov/Ruslandheeft het EHRM overwogen dat mag worden afgeweken van de standaard voor het gebruik van dodelijk geweld, namelijk de maatstaf van
absolute necessity, in gevallen waarin bepaalde aspecten van de situatie ver buiten de expertise van het Hof liggen en waar de autoriteiten onder grote tijdsdruk moesten handelen en de controle over de situatie minimaal was. Ik citeer het Hof:
McCann and Others, cited above, §§ 148-49; see also
Gül v. Turkey, no. 22676/93, §§ 77 and 78, 14 December 2000).
Osman, Makaratzis, and
Maiorano and Others(all cited above) show, its application may be simply impossible where certain aspects of the situation lie far beyond the Court’s expertise and where the authorities had to act under tremendous time pressure and where their control of the situation was minimal’.
Finogenov/Ruslandvervolgens dat in die zaak de levens van honderden gijzelaars op het spel stonden en dat de autoriteiten te maken hadden met getrainde en zeer toegewijde terroristen, terwijl de gijzeling zelf als een verrassing kwam, en de autoriteiten ook geen controle hadden over het gebouw waarin de gijzelaars zich bevonden. In dergelijke situaties is het Hof bereid om aan de autoriteiten een zekere
margin of appreciationte geven:
Finogenov/Ruslandbeargumenteerden dat de Russische autoriteiten in plaats van het theater te bestormen verder hadden moeten onderhandelen, waarna mogelijk mensen zouden zijn vrijgelaten, en dat het eigenlijke doel van de bestorming in de eerste plaats het doden van de terroristen was. Het EHRM oordeelde echter dat de dreiging zeer reëel was en dat onduidelijk was of de terroristen in onderhandelingen concessies hadden willen doen. De situatie voorafgaand aan de bestorming was daarom zeer alarmerend. Het Hof heeft vervolgens overwogen (par. 226):
closer scrutinytoegepast:
margin of appreciationtoekent, zelfs wanneer naar de huidige inzichten betwijfeld kan worden of de autoriteiten destijds de juiste beslissingen hebben genomen. Daarentegen geldt dat het EHRM andere fasen van de desbetreffende operatie aan een nauwkeurig onderzoek kan onderwerpen. Daarbij kan een rol spelen dat in deze fasen niet langer of geen sprake is van een hoge tijdsdruk waaronder de beslissingen moeten worden genomen of in het geval dat de autoriteiten de situatie volledig onder controle hebben.
Supreme Courtin de zaak
Smith and others v Ministry of Defence. [91] Deze zaak heeft betrekking op het in de
common lawontwikkelde begrip
combat immunity, alsmede op de reikwijdte van art. 2 EVRM Pro in oorlogssituaties.
Combat immunitybehelst immuniteit van civielrechtelijke aansprakelijkheid die van toepassing is op de overheid en op leden van de strijdkrachten, met inbegrip van vredestroepen en de politie, in de context van daadwerkelijk of dreigend wapengeweld. In die gevallen bestaat er naar
common lawvoor leden van de strijdkrachten alsmede voor de overheid geen rechtens afdwingbare zorgplicht ten opzichte van elkaar of ten opzichte van wie dan ook, om (persoons)schade of verlies van leven te voorkomen. [92] In het geval dat de verweerder kan aantonen dat hij wordt beschermd door
combat immunity, moet de rechter zich onbevoegd achten dan wel de desbetreffende vordering niet-ontvankelijk te verklaren. In de zaak
Smithwas onder meer de vraag aan de orde of deze immuniteit zich ook uitstrekte tot de voorbereidingen op het gewapende conflict, zoals bijvoorbeeld de training en uitrusting van de militairen, in welke fase immers nog geen sprake is van daadwerkelijk of dreigend wapengeweld. Met een meerderheid van 4 tegen 3 besliste de
Supreme Courtdat dit niet het geval is. Ik citeer uit de overwegingen van Lord Hope, waarbij de meerderheid van de rechters zich aansloot, het volgende over de doctrine van
combat immunity:
nietmoeten treden in de gemaakte afweging op de grond dat de andere keuze mogelijk tot een beter resultaat zou hebben geleid en de vredestroepen daarom redelijkerwijs meer hadden kunnen doen om het desbetreffende risico weg te nemen. Van belang is dat het in oorlogssituaties (of in situaties zoals in de zaak
Finogenov/Ruslandaan de orde) kan voorkomen dat door vredestroepen keuzes moeten worden gemaakt tussen handelwijzen die stuk voor stuk reële, en zelfs zeer grote risico’s met zich brengen voor de levens of het welzijn van degenen die onder de bescherming van de vredestroepen zijn geplaatst. Het is dus mogelijk dat in dergelijke situaties een legitieme keuze voor een bepaalde handelwijze wordt gemaakt ondanks de (grote) waarschijnlijkheid van verwezenlijking van de daarmee verbonden risico’s.
[A]en
[B]. De rechter toetst aldus niet op een door de Hoge Raad als onaanvaardbaar gekwalificeerde terughoudende wijze. Er is immers geen sprake van dat door deze toets nagenoeg geen ruimte zou zijn voor de beoordeling van de gevolgen van het optreden van vredestroepen (zie rov. 3.18.3 van de arresten van de Hoge Raad).
Onderdeel 1.3.1betoogt dat voor zover het hof zijn oordeel baseert op de in rov. 51.4 aangehaalde verklaringen van Van Duijn, Rutten en Oosterveen, het hof heeft miskend dat genoemde personen niet behoorden tot de leiding van Dutchbat en geen bevelsbevoegdheid hadden, terwijl alleen Karremans en Franken de commandanten van Dutchbat in de enclave waren.
Onderdeel 1.3.2klaagt dat, indien het hof heeft gemeend dat de bevindingen van Van Duijn, Rutten en Oosterveen ook de bataljonsleiding van Dutchbat hebben bereikt, die aanname onbegrijpelijk is, omdat dit niet volgt uit de verklaringen, terwijl Oosterveen ook expliciet aangeeft dat hij de waarneming van schoten niet heeft doorgegeven.
Onderdeel 1.3.3betoogt dat uit de door het hof in rov. 51.4b, c en f genoemde verklaringen van Franken wel volgt dat hij zorgen had over de behandeling van de mannen door de Bosnische Serven, maar niet dat hij daadwerkelijke wetenschap had van een reëel risico op onmenselijke behandeling of executie van de mannen. Nu Franken zijn lijst pas op 13 juli 1995 heeft opgemaakt, kan die omstandigheid niet bijdragen aan het oordeel dat reeds op 12 juli 1995 sprake was van vorenbedoelde wetenschap.
Onderdeel 1.3.4betoogt dat naast de genoemde verklaringen, het hof zich slechts baseert op de melding aan Karremans in de ochtend van 13 juli 1995 van de vondst van negen lijken en een waarneming van een executie. Die omstandigheden zijn op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat in de avond van 12 juli 1995 voormelde wetenschap aanwezig was, aldus het subonderdeel.
daadwerkelijk(en niet alleen ‘normatief’) wetenschap had van een reëel risico op onmenselijke behandeling of executie van de mannen door de Bosnische Serven. Daarbij geldt dat het hof uit de onder 51.4c weergegeven verklaringen van Franken, de in 51.4b weergegeven passage uit het NIOD-rapport en het in 51.4f weergegeven gesprek met een vertegenwoordiger van de vluchtelingen, wel degelijk heeft kunnen afleiden dat het om meer ging dan alleen de zorgen die Franken zou hebben over het lot van de mannen, althans dat die zorgen zo ernstig waren dat het ging om zorgen over het reële risico op onmenselijke behandeling of executie van de mannen door de Bosnische Serven, hetgeen neerkomt op wetenschap (al dan niet normatief) van dat reële risico. In zoverre faalt onderdeel 1.3.3 dus.
Onderdeel 2.2.1klaagt dat het hof heeft miskend dat Dutchbat zich niet
zonder meermoest onthouden van het vormen van de ‘sluis’, nu Dutchbat opereerde in een oorlogssituatie en onder grote druk beslissingen moest nemen. In een dergelijke situatie kan zich voordoen dat gekozen moet worden ‘tussen twee kwaden’. Of een keuze voor een bepaalde gedragslijn gerechtvaardigd is, hangt dan tevens af van de overige omstandigheden van het geval.
Onderdeel 2.2.2klaagt dat, ook als het hof dit niet heeft miskend, het oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van de door het hof in rov. 61.6 en 64.2 vastgestelde omstandigheden, namelijk dat (i) door het vormen van de sluis de belangen van de vrouwen, kinderen en ouderen werden gediend; (ii) bij het staken van de begeleiding een chaos zou zijn ontstaan; (iii) chaotische drommen mensen bij de bussen terecht zouden zijn gekomen die, duwend en met te veel tegelijk, trachtten in bussen te stappen, die vervolgens overvol zouden moeten vertrekken; (iv) aannemelijk is dat de Bosnische Serven hardhandig met de mensen waren omgegaan als er zich geen militairen van Dutchbat tussen hen en de bevolking bevonden; (v) aannemelijk is dat het staken van de begeleiding niets zou hebben geholpen en de mannen ook dan in handen van de Bosnische Serven zouden zijn gevallen.
mini safe areawaar de bussen zich bevonden. Ook had Dutchbat nauwelijks effectieve invloed op het handelen van de Bosnische Serven. Dat volgt reeds uit het kennelijke oordeel van het hof dat het enige alternatief voor de door Dutchbat bij de begeleiding van de evacuatie gevolgde handelwijze was dat Dutchbat zich van die begeleiding bij de evacuatie had moeten onthouden, waarna de mannen dan zelf, door nood gedwongen, naar de bussen zouden zijn gegaan en door de Bosnische Serven zouden zijn afgescheiden. [95] Dat deze handelwijze juist de handelwijze is die Dutchbat volgens het hof had moeten kiezen, doet niet af aan het gegeven dat Dutchbat nauwelijks effectieve invloed had op het handelen van de Bosnische Serven. Dit een en ander is, zoals ik hierboven heb uiteengezet, van belang voor de beoordeling van de handelwijze van Dutchbat.
met zekerheidde dood of een onmenselijke behandeling tegemoet gingen. Die zekerheid heeft echter ontbroken. Het hof heeft dit een en ander miskend. Het hof is dus van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan dan wel heeft het zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Ik meen dan ook dat de klachten van de onderdelen 2.2.1 en 2.2.2 slagen.
onderdeel 2.3, die betrekking heeft op de rov. 64.1 t/m 65, 73.1 t/m 73.3 en het dictum van het arrest van het hof, voor zover het daarin gaat om de onrechtmatigheid van het vormen van de sluis door Dutchbat.
Onderdeel 3.3klaagt dat uit hetgeen in onderdeel 3.2 is aangevoerd volgt dat Dutchbat in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om de mannen niet de keuze te bieden om op de compound te blijven.
mini safe area, had Dutchbat wel een zekere controle over de gebeurtenissen binnen de compound. Dutchbat kon bovendien een zekere, beperkte invloed uitoefenen op het handelen van de Bosnische Serven, in die zin dat Dutchbat de mannelijke vluchtelingen nog enige tijd op de compound had kunnen houden en aldus in ieder geval het moment kon uitstellen waarop de Bosnische Serven de mannelijke vluchtelingen in handen kregen. Gezien dat laatste acht ik het daarom juist dat het hof zich in wezen heeft afgevraagd of Dutchbat (met de kennis die het
toenhad) redelijkerwijs kon worden geacht de handelwijze te volgen waarvan
achterafwordt geoordeeld dat die mogelijk tot gunstiger gevolgen zou hebben geleid voor de mannelijke bevolking dan de daadwerkelijk gekozen handelwijze, waarvan het gevolg bekend is. Hierover klaagt het onderdeel ook niet. Bij de beoordeling van wat Dutchbat redelijkerwijs geacht kon worden te doen, moet niettemin zwaar meewegen dat Dutchbat opereerde in een oorlogssituatie, onder grote druk en onder dreiging van wapengeweld, met slechts zeer beperkte mogelijkheid tot beïnvloeding van de Bosnische Serven.
beidehandelwijzen inhielden en gegeven de situatie waarin Dutchbat zich bevond, niet redelijkerwijs ervoor kon kiezen om ook de mannen te evacueren. Ik meen dan ook dat de klachten van onderdelen 3.4.3 en 3.5 slagen.