Conclusie
fait accompli) kan worden toegepast in het geval dat het huwelijksvermogensrecht van partijen wordt beheerst door het recht dat wordt aangewezen door de conflictregels van het Haagse Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978 (hierna: Huwelijksvermogensverdrag) [1] , waarin een dergelijke exceptie niet is opgenomen. Ook rijst de vraag of voor de toepassing van het Huwelijksvermogensverdrag sprake is van een rechtskeuze voor Jordaans soennitisch recht op grond van de Jordaanse huwelijksakte, waarin een regeling is getroffen voor de betaling van een bruidsgave (
mahr).
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdelen 1-4zijn gericht tegen rov. 5.14-5.19 van de bestreden beschikking, waarin het hof heeft geoordeeld dat het beroep van de man op art. 10:9 BW Pro gegrond is. Het middel klaagt dat het hof met dit oordeel buiten de rechtsstrijd is getreden (onderdeel 1), dat Jordanië geen betrokken vreemde staat in de zin van art. 10:9 BW Pro is (onderdeel 2), en dat geen sprake is van een onaanvaardbare schending van gerechtvaardigd vertrouwen (onderdeel 3). Ook wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de vrouw onvoldoende de stelling van de man heeft betwist dat zij beiden gerechtvaardigd erop hadden vertrouwd dat het Jordaanse soennitische recht van toepassing is (onderdeel 4).
fait accompli-exceptie staat toe dat een ander dan het door het Nederlandse conflictenrecht aangewezen rechtsstelsel wordt toegepast, indien dit andere rechtsstelsel door het conflictenrecht van een betrokken vreemde staat wordt aangewezen én toepassing van het door het Nederlandse conflictenrecht aangewezen rechtsstelsel een onaanvaardbare schending zou opleveren van het bij partijen levende gerechtvaardigde vertrouwen of van de rechtszekerheid. [5] Deze bepaling kan dus worden gebruikt om het resultaat van de toepassing van het Nederlandse commune conflictenrecht te corrigeren, maar
nietom het resultaat van een in een verdrag of verordening neergelegde verwijzingsregel te corrigeren. [6] Nu het Huwelijksvermogensverdrag een dergelijke exceptie niet kent, kon het hof art. 10:9 BW Pro dus niet toepassen.
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
mahr(bruidsschat) zijn overeengekomen, geen keuze voor het Jordaanse soennitische recht heeft afgeleid. Volgens het onderdeel kan de
mahrwel degelijk een vermogensrechtelijke aanspraak zijn en worden gezien als huwelijkse voorwaarde, zodat sprake is van een rechtskeuze voor het Jordaanse recht.
mahris overeengekomen. Het hof heeft immers primair overwogen dat partijen in de huwelijksakte geen afspraken hebben gemaakt over het huwelijksvermogensregime en dat de akte geen huwelijkse voorwaarden bevat (rov. 5.12). Ook ontbreekt volgens het hof een uitdrukkelijke aanwijzing van het Jordaanse recht in de huwelijksakte (rov. 5.13). Daarmee is duidelijk dat geen sprake is van een geldige rechtskeuze. De vraag of de
mahrals aanwijzing voor een rechtskeuze kan worden gezien, behoeft in het licht van het voorgaande geen bespreking.
mahrnaar Nederlands recht als vermogensrechtelijke aanspraak moet worden gekwalificeerd. Het hof heeft dat standpunt in rov. 5.12 uitdrukkelijk verworpen, en overwogen dat de
mahrnaar Jordaans soennitisch recht een geheel eigen karakter heeft, en niet gelijk kan worden gesteld met een vermogensrechtelijke aanspraak naar Nederlands recht (rov. 5.12). Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat om te kunnen beoordelen met welke Nederlandse rechtsfiguur de
mahrkan worden vergeleken, eerst moet worden nagegaan welke betekenis de
mahrnaar Jordaans soennitisch recht heeft. Het onderdeel klaagt echter niet waarom het oordeel van het hof in het licht van het Jordaanse soennitische recht onbegrijpelijk is, en licht niet toe waaruit zou blijken dat een naar Jordaans soennitisch recht overeengekomen bruidsgave wel met een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak kan worden vergeleken. Wel wordt geklaagd (onder 6) dat het hof er kennelijk vanuit is gegaan dat de
mahrnaar Jordaans recht een voorwaarde voor de geldigheid van een huwelijk is, hetgeen volgens de man niet het geval is. Deze klacht gaat uit van een onjuiste lezing van de bestreden overweging, nu daarin niet te lezen is dat het hof de
mahrals voorwaarde voor de geldigheid van een huwelijk ziet: het hof overweegt immers slechts dat de
mahreen ‘geheel eigen karakter’ heeft. De slotsom is dat onderdeel IIB in zijn geheel faalt.
Zimbabwe-arrest van de Hoge Raad. [15] Het hof heeft echter alleen het beroep van de man op de conflictenrechtelijke onaanvaardbaarheidsexceptie (art. 10:9 BW Pro) besproken. Volgens het onderdeel had het hof zo nodig de rechtsgronden moeten aanvullen.
Zimbabwe-arrest heeft toegepast. [16] In deze zaak speelde kort het volgende. Een Nederlandse man en een Nederlandse vrouw traden in 1965 met elkaar in het huwelijk in Rhodesië, het huidige Zimbabwe, waar zij beiden ten tijde van de huwelijkssluiting woonden en ook bleven wonen. Het Huwelijksvermogensverdrag speelde in deze zaak geen rol, omdat het huwelijk in 1965 was gesloten, dus ver vóór de inwerkingtreding van dat Verdrag. Het recht dat op het huwelijksvermogensrecht van partijen van toepassing was, moest daarom worden bepaald op basis van de conflictregels die de Hoge Raad in 1976 in het arrest
Chelouche/Van Leerheeft geformuleerd. [17] Nu van een rechtskeuze geen sprake was, werd het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst door Nederlands recht, zijnde het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit ten tijde van de huwelijkssluiting. De Hoge Raad overwoog vervolgens:
Zimbabwe-arrest geen conflictenrechtelijke, maar een materieelrechtelijke. [18] Het conflictenrecht wordt niet gecorrigeerd – de verwijzingsregel wijst immers Nederlands recht aan als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten – maar binnen het toepasselijke Nederlandse recht vindt een correctie plaats op grond van de internrechtelijke redelijkheid en billijkheid die ook geldt in de onderlinge verhouding tussen echtgenoten. De uitkomst van het
Zimbabwe-arrest was dat geen verdeling plaatsvond op basis van de gemeenschap van goederen, maar dat sprake was van een systeem van scheiding van goederen naar Nederlands recht.
Zimbabwe-exceptie een materieelrechtelijke exceptie is, kan deze ook worden toegepast wanneer het toepasselijke huwelijksvermogensrecht wordt bepaald aan de hand van de bepalingen van het Huwelijksvermogensverdrag. Uiteraard moet het door het Verdrag aangewezen recht zo’n materieelrechtelijke exceptie (de redelijkheid en billijkheid) kennen. Is Nederlands recht van toepassing, dan zou onder omstandigheden het materiële resultaat van het Nederlandse recht op grond van de interne redelijkheid en billijkheid kunnen worden gecorrigeerd. [19] Deze correctie is dus, het zij nogmaals herhaald, geen correctie van het door de conflictregel aangewezen rechtsstelsel en behoeft dus niet beperkt te blijven tot de gevallen waarin het toepasselijke huwelijksvermogensrecht wordt aangewezen door het commune IPR. [20]
Zimbabwe-exceptie en dat, voor zover het hof in de grief geen beroep op de ‘materieelrechtelijke onaanvaardbaarheidsexceptie’ heeft gelezen, de door het hof gegeven uitleg aan de grieven onbegrijpelijk is.
Zimbabwe-exceptie. [21] De rechtbank heeft dit beroep in haar beschikking van 12 maart 2014 afgewezen, omdat op dat moment nog niet voldoende zicht bestond op de situatie om te kunnen oordelen dat het beroep van de vrouw op gemeenschap van goederen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was (rov. 4.20). Tegen dit oordeel als zodanig heeft de man geen grieven gericht. Grief II van de man is in de eerste plaats gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen geen rechtskeuze voor Jordaans soennitisch recht zijn overeengekomen. Aan het slot van grief II valt onder meer het volgende te lezen:
Zimbabwe-exceptie gelezen. Die uitleg van de grief is niet onbegrijpelijk, zeker niet nu de grief spreekt van ‘een
internationalebillijkheidscorrectie’. Daarbij komt dat de rechtbank het beroep op de
Zimbabwe-exceptie gemotiveerd heeft verworpen en de man tegen deze motivering in hoger beroep niet is opgekomen. Het onderdeel faalt dus.