Conclusie
ii. Belediging iemand in zijn tegenwoordigheid aangedaan (10)
iii. Belediging door een toegezonden of aangeboden geschrift (11)
middelklaagt dat het oordeel van het hof dat het door de verdachte versturen van voor het slachtoffer beledigende geschriften aan niet-beledigde derden, te weten de locoburgemeester en de opvolgend burgemeesters van Amstelveen, niet kan worden aangemerkt als het “toezenden of aanbieden” van een geschrift in de zin van art. 266, eerste lid, Sr omdat vereist is dat die brieven rechtstreeks aan het slachtoffer zijn gericht, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
Vrijspraak
in het openbaardoet zich voor wanneer de beledigende uitlatingen zijn gedaan onder zodanige omstandigheden of op zodanige wijze dat zij in beginsel door anderen dan degene tegenover wie zij zijn gedaan zouden kunnen worden waargenomen. [3] Is de belediging in dat geval bovendien schriftelijk gedaan, dan zal zij ter kennis moeten zijn gekomen van meer personen dan alleen de beledigde. [4] De veroordeling wegens openbare belediging door bij alle leden van de gemeenteraad enkel een brief te bezorgen waarin het gemeentebestuur werd beledigd, hield in cassatie geen stand. [5] Voorts is opzet op de openbaarheid van de beledigende uiting niet noodzakelijk. In dit opzicht verschilt de openbaarheidseis van het overigens aanverwante delictsbestanddeel “ruchtbaarheid geven’” als bedoeld in art. 261, eerste lid, Sr (smaad). Een wezenskenmerk van de strafbaarstelling van smaad is dat de verdachte handelt met het kennelijke doel aan zijn beschuldiging ruchtbaarheid te geven, dat wil zeggen deze ter kennis van het publiek te brengen. Daaruit kan het voor smaad vereiste opzet worden afgeleid. Met zodanig “publiek” is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld. [6] De term “ruchtbaarheid” van art. 261, eerste lid, Sr duidt daarmee op een wat groter publiek bereik dan nodig is bij eenvoudige belediging om deze openbaar te achten. Niet hoeft de aantijging daadwerkelijk die brede(re) kring van betrekkelijk willekeurige personen te bereiken, beslissend is of de verdachte met dat kennelijke doel handelde; dat kan ook het geval zijn indien de smadelijke uitlating feitelijk aan niet meer dan één persoon is gedaan. [7] Voor de openbaarheid van eenvoudige belediging is daarentegen beslissend of anderen dan degene tegenover wie de belediging werd gedaan deze waarnemen, ongeacht of de verdachte dat heeft gewild.
belediging iemand in zijn tegenwoordigheid aangedaanis vanzelfsprekend sprake indien de beledigde in de fysieke nabijheid verkeert van degene die beledigt en de belediging rechtstreeks waarneemt. De fysieke nabijheid is echter geen vereiste. Ook in een internationaal (long distance) telefoongesprek kan de belediging rechtstreeks iemand in zijn tegenwoordigheid zijn aangedaan. Dat hoeft niet anders te zijn bij een ingesproken voicemail, ook al verneemt in dat geval de betrokkene de belediging (pas) bij het afluisteren van de voicemail waarop het bericht is ingesproken en dus op een later tijdstip dan dat de belediging feitelijk is gedaan. In zijn arrest van 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1114,
NJ2014/53 maakte de Hoge Raad daar met betrekking tot de toen voorliggende zaak geen punt van: het hof heeft met zijn oordeel dat de belediging de aangeefster aldus in haar tegenwoordigheid mondeling is aangedaan, niet een te ruime uitleg gegeven aan art. 266, eerste lid, Sr. Daarbij zij aangetekend dat de voicemail was ingesproken op de eigen telefoon van de beledigde en derhalve kan worden gezegd dat de belediging de beledigde rechtstreeks en persoonlijk was toegevoegd.
door een toegezonden of aangeboden geschriftis aangedaan en heeft het hof vastgesteld dat de brieven van de verdachte door de gemeente aan de politie ter beschikking zijn gesteld en kennelijk via dat kanaal de beledigde hebben bereikt. De vraag of onder deze omstandigheden wel of niet kan worden gesproken van belediging in het openbaar respectievelijk in tegenwoordigheid van de beledigde, laat ik rusten; deze verschijningsvormen van eenvoudige belediging zijn in die zin niet relevant voor de bespreking van het middel. Ik volsta hier met de opmerking dat zich gevallen laten denken, vergelijkbaar met de onderhavige zaak, waarin een aan een derde toegezonden beledigend geschrift zonder meer niet als “belediging in het openbaar” of als “belediging in tegenwoordigheid” kan worden aangemerkt. De vraag of zo een schrijven een “aangeboden of toegezonden geschrift” oplevert, valt mitsdien in zulke gevallen samen met de vraag of dergelijke uitingen, vergelijkbaar met die van de verdachte in de onderhavige zaak, (als misdrijf) binnen het bereik van de strafwet vallen, zolang en voor zover zij niet tevens bijvoorbeeld smaad(schrift) of bedreiging behelzen. Het voorgaande neemt overigens niet weg dat ik in mijn rechtsvergelijkende beschouwingen er niet goed omheen kan om (ter verduidelijking van de materie) daarbij tevens de beledigingsvormen “in het openbaar” respectievelijk “in tegenwoordigheid van de beledigde” te betrekken, maar dan uiteraard bezien vanuit de rechtskaders van enkele ons omringende landen.
IV. De wetsgeschiedenis
[2] Met beleediging in het openbaar wordt gelijk gesteld die welke plaats heeft in tegenwoordigheid van den beleedigde of in een tot hem gerigt geschrift.” [9]
Overigens is de redactie van het artikel een weinig vereenvoudigd.” [13]
hem of een lid van zijn gezin[mijn cursivering, EH] toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding” kon manifesteren. Uit de toelichting erop blijkt de minister ook van oordeel te zijn geweest dat “niet iedere beleediging door de strafwet behoort te worden tegengegaan.” [17] De toelichting bij zijn voorstellen laat echter onduidelijk of hij de met betrekking tot de schriftelijke belediging voorgestelde toevoeging “hem of een lid van zijn gezin”, als een nadere inperking ten opzichte van “iemand toegezonden of aangeboden”, dan wel als een uitbreiding ten opzichte van “hem aangeboden of toegezonden” van de strafbaarstelling beschouwde. Dit vraagpunt is onbeantwoord gebleven en behoefde in dat wetgevend kader ook geen antwoord meer; tot een inhoudelijke behandeling in het parlement van de wetsvoorstellen-Van der Linden is het namelijk niet gekomen. [18]
NJ1942/647 had het hof bewezenverklaard dat de verdachte aan de echtgenote van R. een brief had geschreven en verzonden met een voor die R. beledigende inhoud. R. zou vreemd gaan met een ander wijf, een hoer/slet, en zou ook de verdachte hebben gevraagd tegen betaling etc., etc. Geklaagd werd primair dat de verdachte niet het opzet had om te beledigen en subsidiair dat geen van de in art. 266 Sr Pro genoemde gevallen zich voordeed, aangezien het geschrift was gericht en toegezonden aan de echtgenote van R. Er zou derhalve geen sprake zijn van een aan de beledigde toegezonden of aangeboden geschrift, terwijl zich evenmin een andere in art. 266 Sr Pro genoemde omstandigheid voordeed. Toenmalig A-G Wijnveldt meende dat het middel geen doel trof. Hij kwam tot de conclusie dat uit het stuk met aantijgingen het opzet tot beledigen voldoende naar voren kwam en voorts dat het stuk als een aan de beledigde toegezonden geschrift moest worden beschouwd. Ter adstructie wees de A-G op de grote overeenkomst met een beslissing van het Hoog Militair Gerechtshof (HMG). In
die(in zekere zin spiegelbeeldige) zaak waren verschillende feiten van echtbreuk van een vrouw gemeld in een brief die aan haar echtgenoot was geadresseerd. De brief was onder de deur van de echtelijke woning geschoven. Omdat de wijze van bezorging er blijkbaar toe strekte de brief in handen van en ter kennis van beide echtgenoten te brengen, was hier volgens het oordeel van het HMG sprake van belediging. A-G Wijnveldt verwees met instemming naar deze uitspraak van het HMG en daaruit zou kunnen worden opgemaakt dat hij de opvatting was toegedaan dat de woorden “toegezonden of aangeboden” in art. 266 Sr Pro weliswaar op zichzelf betrekking hebben op de persoon van de beledigde, maar dat voor de vaststelling daarvan niet uitsluitend de geschreven tekst, dat wil zeggen de adressering en/of aanhef van het schrijven, van belang is, maar ook de wijze waarop en de plek waar het geschrift is aangeboden. [24] Het hangt aldus van de omstandigheden af hoe “toezenden of aanbieden” moet worden opgevat, aldus de A-G, die er voorts op attendeerde dat met de schrapping van het zinsdeel “in een tot hem gerigt geschrift” uit het wetsvoorstel van 1881, ruimte was ontstaan om art. 266 Sr Pro toepasselijk te achten op situaties waarin de schriftelijke belediging niet (rechtstreeks) aan de beledigde is gericht. De Hoge Raad – ik keer weer terug naar zijn arrest van 22 juni 1942 – beoordeelde de kwestie vanuit een ander perspectief en stelde vast dat de bewezenverklaarde tenlastelegging slechts inhield dat de verdachte aan de echtgenote van R. een brief had geschreven en verzonden met voor R. beledigende inhoud. De bewezenverklaarde tenlastelegging vermeldde echter niet dat de verdachte het opzet had om R. te beledigen of dat de verdachte zelfs maar beoogde dat R. van de aan zijn echtgenote toegezonden brief kennis zou nemen en dat de brief de beledigde ook inderdaad had bereikt, zodat het tenlastegelegde niet strafbaar was en de primaire klacht gegrond. Deze overweging laat de denkbare mogelijkheid open dat het feitencomplex wellicht wél tot een veroordeling wegens belediging van R. had
kunnenleiden, indien tenlastelegging en bewezenverklaring hadden ingehouden dat was beoogd dat R. van de brief zou kennisnemen en deze brief R. uiteindelijk ook had bereikt.
aan de beledigde.De Hoge Raad las immers voor elk van de in de bewezenverklaring genoemde beledigden in, dat het geschrift aan ieder van hen was aangeboden. Ware dat anders, dan had de Hoge Raad aan de bewezenverklaring niet hoeven toevoegen dat het aanbieden en/of toezenden aan de in de bewezenverklaring genoemde beledigde overheidsorganen was geschied.
indirectkan plaatsvinden. Uit de gebezigde bewijsmiddelen bleek namelijk niet dat de drie in de bewezenverklaring van feit 2 genoemde beledigde ambtenaren zélf het beledigende schrijven fysiek in ontvangst hadden genomen. Eén van de ambtenaren had verklaard dat hij een exemplaar van een collega had gekregen, de verklaring van de tweede ambtenaar luidde dat hij een van de, bij de balie van de afdeling Algemene Zaken afgegeven, exemplaren in handen had gekregen en de derde had van het schrijven kennisgenomen. Het op deze verklaringen gebaseerde bewijsoordeel dat het ging om een aan hen toegezonden geschrift was kennelijk niet zo problematisch dat de Hoge Raad daarin aanleiding zag om ambtshalve in te grijpen.
afbeelding. Bewezenverklaard was slechts dat het feit “bij afbeelding” was geschied. [25] De belediging “bij afbeelding” is evenwel alleen als eenvoudige belediging strafbaar indien zij in het openbaar dan wel door toezending of aanbieding plaatsvindt. De Hoge Raad liet zich (ambtshalve) over dit punt verder niet inhoudelijk uit, maar overwoog over de tenlastelegging en de bewezenverklaring enkel dat deze “zien op een belediging die een ander bij afbeelding is aangedaan.” Het gaat dan ook te ver om te zeggen dat dus de bewijsconstructie in dat opzicht in orde was, de kwalificatie belediging was al niet zonder meer begrijpelijk om andere redenen. [26] De Hoge Raad oordeelde namelijk dat aan de enkele omstandigheid dat de foto van de aangeefster in dit filmpje is opgenomen nog niet kan worden ontleend dat het tonen van die afbeelding de strekking heeft de aangeefster in een ongunstig daglicht te plaatsen en haar aan te randen in haar eer en goede naam, en vernietigde de uitspraak.
Hetzij in openbare bijeenkomsten of plaatsen;
Hetzij in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken;
Hetzij in om het even welke plaats, in tegenwoordigheid van de beledigde en voor getuigen;
Hetzij door geschriften, al dan niet gedrukt, door prenten of zinnebeelden, die aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld worden;
Hetzij ten slotte door geschriften, die niet openbaar gemaakt, maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden.”
geschriften. In de literatuur wordt dan ook aangenomen dat de eerste drie omstandigheden, die betrekking hebben op de plaats van handeling, (primair) zien op mondelinge uitingen. [30] Schriftelijke beledigingen zijn strafbaar wanneer zij hetzij verspreid of verkocht, te koop aangeboden of openlijk tentoongesteld worden (het vierde geval), hetzij aan verscheidene personen worden toegestuurd of medegedeeld (het vijfde geval). Sporadisch heeft het Hof van Cassatie zich over de reikwijdte van deze artikelleden uitgesproken. [31] Voor overtreding van het vierde geval is naar zijn oordeel “verspreiding, en derhalve openbaarmaking, vereist.” De mededeling aan een of meer personen beantwoordt in de regel niet aan dat vereiste. Tegelijkertijd wordt door het Hof van Cassatie niet uitgesloten dat de toezending of mededeling van een schrijven aan één persoon onder bijzondere omstandigheden reeds aan verspreiding in de zin van het vierde geval gelijkstaat. [32] In zijn uitspraak van 23 oktober 1916,
Pas.1917, 290 oordeelde het Hof van Cassatie over het vijfde geval voorts dat de voor strafbaarheid vereiste openbaarheid niet het directe gevolg hoeft te zijn van een handeling van de schrijver van het geschrift zelf. Voldoende is dat de ‘publieklijkheid’ het noodzakelijk gevolg is van het toezenden van het schrijven aan de geadresseerde, hetgeen impliceert dat de dader de ‘publieklijkheid’ heeft gewild. De bestreden uitspraak van het Brusselse Hof van Beroep in de zaak hield in dat de schrijvers hun schrijven hadden geadresseerd aan een “fonctionnaire public” en daarbij een onderzoek verzochten, waardoor zij moeten hebben geweten dat het schrijven met meer personen zou worden gedeeld en gecommuniceerd, hetgeen ook is gebeurd. Uit deze feitelijke vaststellingen vloeide reeds voort dat de klacht over schending van art. 444 Sw Pro faalde.
Loi du 29 juillet 1881sur la liberté de la presse”, de tweede (en minder zware) in de Code Pénal.
R. 621-2 van de Code Pénal. [33]
R. 621-2 van de Code Pénal is ondergebracht onder de “Contraventions contre les personnes” en luidt:
R. 621-1) geldt voor de niet-openbare belediging: “les expressions injurieuses visant une personne autre que le destinataire de la lettre qui les contient ne sont punissables que si ladite lettre a été adressée dans des conditions exclusives d'un caractère confidentiel.” [35] Uitingen over niet-geadresseerde derden gedaan in een “correspondance personnelle et privée” moeten zelfs “dans des conditions exclusives de
tout[mijn cursivering, EH] caractère confidentiel” zijn vooraleer zij zich als diffamation respectievelijk injure “non publique” laten kwalificeren. [36]
1 februari 2014in zoverre luidende:
Harassment, alarm or distress
Mental element: miscellaneous.
aan wiehet toezenden of aanbieden dient te geschieden: is restrictief alleen de toezending of aanbieding van een beledigend geschrift
aan de beledigdestrafbaar, of kan extensief onder omstandigheden óók de (enkele) toezending of aanbieding van zo een geschrift
aan een derdestrafbaar zijn? Indien deze eerste vraag in de restrictieve zin wordt beantwoord, dient vervolgens de meer met de feiten en omstandigheden van het concrete geval verweven tweede rechtsvraag te worden bezien wanneer van toezending of aanbieding aan de beledigde kan worden gesproken: kan zulks louter rechtstreeks geschieden, of ook indirect (middellijk) via één of meer tussenschakels?
aan de beledigdestrafbaar is, in bevestigende zin te beantwoorden.
aan de beledigdetoegezonden of aangeboden schriftelijke belediging strafbaar te stellen. De twee mij bekende, en in de randnummers 20 en 21 reeds beschreven, arresten waarin de Hoge Raad zich over deze thematiek heeft uitgesproken, wijzen denk ik in dezelfde richting. In het arrest van 22 juni 1942 casseerde de Hoge Raad ambtshalve omdat niet was tenlastegelegd en bewezenverklaard dat de verdachte op zijn minst bedoeld had dat het schrijven de beledigde zou bereiken. En in het arrest van 22 december 1992 repareerde de Hoge Raad een gebrek in de bewezenverklaring door daarin te lezen dat het geschrift aan de beledigden was toegezonden.
begrensddoor te eisen dat de bedreigde van de bedreiging op de hoogte moet zijn geraakt. Maar dat en waarom hierin dan aanleiding zou moeten worden gevonden om art. 266, eerste lid, Sr juist
extensiefte interpreteren in vergelijking met de (klaarblijkelijke) bedoeling van de wetgever en de rechtspraak, vermag ik niet in te zien.
ratio legisvan de strafbaarstelling van belediging, dit is de bescherming van de eer en goede naam van de betrokken persoon. Bovendien zou kunnen worden gesteld dat die bescherming meer nog dan vroeger gewenst is doordat het doorzenden of “forwarden” van beledigingen aanzienlijk eenvoudiger is geworden en het internet het potentiële bereik van doorgezonden beledigende geschriften ontegenzeggelijk heeft vergroot. [56] De onderhavige zaak illustreert dat aan derden gerichte schriftelijke beledigingen de beledigde wel degelijk serieuze schade kunnen berokkenen. De buitengewoon onbetamelijke en grievende uitlatingen van de verdachte zijn verzonden aan prominente derden die bovendien over de beledigde persoon enige zeggenschap kunnen uitoefenen (aldus de overwegingen van het hof) en van een dusdanig ambtenarenapparaat gebruik maken dat verspreiding van de uitlating te verwachten is, althans niet onvoorzien kan zijn. Ik wijs erop dat het hof heeft overwogen dat de uitlatingen de verdachte via een omweg hebben bereikt. En zelfs als zulks niet zo zou zijn geweest, kan worden volgehouden dat de verdachte door zijn handelswijze het slachtoffer heeft aangetast in diens eer en goede naam.
iedereaantasting in de eer of goede naam het inroepen van het strafrecht rechtvaardigt. Natuurlijk kunnen eerder ingenomen standpunten zich wijzigen als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen en ruimere communicatiemiddelen zoals sociale media. [57] Daar staat dan wel naast dat vanwege de brede betekenis van het delictsbestanddeel “in het openbaar”, veel van de op internet te vinden aantastingen in de eer en goede naam reeds als openbare belediging strafbaar zijn. De mogelijk in het algemeen te signaleren tendens om op wetgevingsniveau de voorkeur te geven aan breed geformuleerde strafbaarstellingen waarbij die
ultimum remedium-gedachte wat naar de achtergrond wordt verdrongen, [58] doet zich, als ik het goed zie, niet of nauwelijks voor in de sfeer van de uitingsdelicten, aangezien zij een beperking van de vrijheid van meningsuiting impliceren. [59] Tegen die achtergrond verbaast het niet dat in Engeland en België de strafbaarheid van belediging is opgeheven respectievelijk is ingeperkt tot slechts zeer bepaalde gevallen.
onder welke omstandighedeneen geschrift kan worden geacht te zijn “toegezonden of aangeboden” aan de beledigde als bedoeld in art. 266, eerste lid, Sr. De in deze conclusie besproken uitspraken van de Hoge Raad uit 1942 en 1992 wijzen in de richting dat de toezending of aanbieding niet steeds rechtstreeks aan de beledigde hoeft te geschieden om strafbare toezending of aanbieding aan de beledigde aan te nemen. Wanneer van strafbare toezending of aanbieding aan de beledigde op niet-rechtstreekse wijze sprake is, laat zich moeilijk in algemene zin verwoorden. Wanneer echter kan worden vastgesteld dat (i) de verdachte de bedoeling of de wetenschap heeft gehad dat zijn geschrift de daardoor beledigde persoon zal bereiken en (ii) hij dat geschrift heeft doen uitgaan op zodanige wijze dat inderdaad te verwachten valt dat het geschrift de beledigde langs indirecte weg zal bereiken, terwijl (iii) het geschrift de beledigde daadwerkelijk heeft bereikt, zal naar mijn inzicht kunnen worden gezegd dat de verdachte het geschrift aan de beledigde heeft “toegezonden of aangeboden” als bedoeld in art. 266, eerste lid, Sr.
IX. Slotsom