Conclusie
3.Bewijsvoering
1. Het proces-verbaal relaas d.d. 17 september 2015 (pg, 4-21), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
4.Het eerste middel
“Je rijdt op een recht zandpad, het gaat behoorlijk hard, dus je kijkt alleen voor je op het pad”.[medeverdachte 1] noemde het pad dicht begroeid en niet erg overzichtelijk. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat het zicht door de laag staande zon niet optimaal was. [medeverdachte 2] schatte de snelheid ten tijde van het voorval op ongeveer 80 kilometer per uur. Hij merkt daarover op dat je in de bossen vooruit kijkt en dus niet op je snelheidsmeter. Op een lang recht stuk gaat het gas open, zo verklaarde hij. [medeverdachte 1] schatte de snelheid ten tijde van het voorval in op 70 plus (het hof begrijpt: meer dan 70 kilometer per uur), maar merkt daarbij op dat hij een niet-kloppende kilometerteller had en dat hij daarop niet heeft gekeken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij op 8 maart 2015 op het voornoemde bospad heeft gereden op zijn motor met een snelheid van rond de 60 kilometer per uur.
isveroorzaakt dan wel het verkeer
isgehinderd, maar dat door de gedraging de verdachte gevaar op die weg
konworden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg
konworden gehinderd. Voor zover de steller van het middel meent dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd omdat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat op het bewezenverklaarde tijdstip medeweggebruikers “concreet gevaar of hinder hebben ondervonden” dan wel “daadwerkelijk personen aanwezig waren ten aanzien van wie dat gevaar en/of de hinder zich concreet heeft voorgedaan” kan het middel reeds daarom in zoverre niet slagen. [2]
5.Het tweede middel
Ad 1 (brief).
kunnen zienals hij zich ervan had vergewist of hem de toegang was ontzegd. Dat de verdachte de borden niet heeft gezien komt zo bezien voor zijn eigen rekening omdat hij op een wijze het bos heeft betreden – namelijk niet via de toegangswegen maar via een droogliggende beek - waar de eigenaar van het bos niet op bedacht behoefde te zijn.
NJ1927, p. 350. De verdachte was veroordeeld voor overtreding van art. 461 Sr Pro door – kort gezegd - zonder daartoe gerechtigd te zijn op een rijdier te hebben gereden in het landgoed Meyendel. De kantonrechter had aan het bewezenverklaarde “een voor hem blijkbare wijze” ten grondslag gelegd dat het landgoed Meyendel was afgezet met op duidelijk zichtbare wijze geplaatste borden met het opschrift “Verboden toegang”, dat de verdachte langs deze borden moet zijn gereden indien hij de gewone ingangswegen had gevolgd en dat het ook mogelijk is door de duinen en tussen de waarschuwingsborden door het verboden terrein te bereiken. De Hoge Raad oordeelde dat geen van de bewijsmiddelen iets inhield omtrent de vraag welke ingangsweg de verdachte heeft gevolgd en dat de verdachte heeft verklaard dat hij geen waarschuwingsbord had gezien. De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de toegang naar het Meyendel op voor de verdachte blijkbare wijze was verboden en vernietigde het vonnis.