ECLI:NL:PHR:2020:100

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2020
Publicatiedatum
31 januari 2020
Zaaknummer
19/00282
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359a SvArt. 14c SrArt. 14d SrArt. 440 SvArt. 1 Awbi
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bijzondere voorwaarde toezicht digitale gegevensdragers bij voorwaardelijke straf kinderpornografie

De zaak betreft een verdachte die tijdens een proeftijd voor een eerdere veroordeling wegens kinderpornografie onder reclasseringstoezicht stond. Tijdens een huisbezoek, vooraf afgesproken met de verdachte, werd een reclasseringsmedewerker vergezeld door een verbalisant die met toestemming van de verdachte diens computer controleerde op kinderpornografisch materiaal. De verdachte gaf expliciet toestemming ondanks een lichte verstandelijke beperking.

Het hof verwierp het beroep op een vormverzuim bij het binnentreden en het controleren van de computer, omdat de toestemming van de verdachte als rechtsgeldig werd beschouwd. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat vrijwillige en ondubbelzinnige toestemming het optreden rechtvaardigt, ook zonder vooraf bestaande verdenking.

Tegelijkertijd vernietigt de Hoge Raad de bijzondere voorwaarde gekoppeld aan het voorwaardelijke deel van de straf, die de verdachte verplichtte om maximaal tweemaal per jaar toegang tot zijn woning en alle digitale gegevensdragers te verschaffen aan reclassering en politie. Deze voorwaarde overschrijdt de wettelijke kaders van art. 14c en 14d Sr, omdat zij een te ingrijpende inbreuk vormt en niet gericht is op bevordering van goed gedrag.

De overige middelen worden verworpen, en de Hoge Raad beperkt zijn vernietiging tot de genoemde bijzondere voorwaarde, waarbij een passende beslissing op basis van art. 440 Sv Pro zal volgen.

Uitkomst: De bijzondere voorwaarde die de verdachte verplicht tot toegang tot woning en digitale gegevensdragers wordt vernietigd; overige klachten worden verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/00282
Zitting4 februari 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 21 juni 2018 door het gerechtshof Den Haag wegens “een afbeelding en gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, verwerven, in bezit hebben en zich met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren. Daarbij heeft het hof bijzondere voorwaarden gesteld met bevel dat deze voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Voorts heeft het hof de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde straf bevolen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Namens de verdachte heeft mr. I. Jonkers, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt – als ik de schriftuur, die een hoog gehalte aan feitelijk napleiten bevat en zich vooral ook keert tegen het optreden van reclasseringsambtenaar [betrokkene 1] en verbalisant [verbalisant], [1] goed begrijp – dat het hof het verweer inhoudende een beroep van de verdediging op een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv met betrekking tot zowel het binnentreden van de woning van de verdachte alsook het controleren van diens computer op ondeugdelijke gronden heeft verworpen, mede in aanmerking genomen dat het hof heeft overwogen dat bij de verdachte een licht verstandelijke beperking is geconstateerd.
4. Blijkens de stukken van het geding gaat het in deze zaak om het volgende. [2] De verdachte liep ten tijde van het onderhavige feit in een proeftijd van een eerder aan hem opgelegde (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf voor het plegen van een soortgelijk feit (kinderpornografie). In het kader van een desbetreffend reclasseringstoezicht maakte reclasseringsambtenaar [betrokkene 1] van Reclassering Nederland een afspraak met de verdachte voor het afleggen van een huisbezoek om de installatie en werking van het computerprogramma Filternet bij hem thuis te controleren. [betrokkene 1], die niet overweg kon met de te controleren software, was vergezeld door verbalisant [verbalisant]. Deze legitimeerde zich bij binnenkomst met zijn legitimatiebewijs en ook deelde hij de verdachte mee dat hij met de reclassering was meegekomen om te kijken of de geïnstalleerde software correct werkte. De verdachte gaf aan hiertegen geen bezwaar te hebben, liet [verbalisant] binnen en stelde [verbalisant] in de gelegenheid de computer te bekijken. Verbalisant [verbalisant] opende een map waarvan hij ambtshalve wist dat daarin tijdelijke internetbestanden werden opgeslagen. In die map trof hij bestanden aan met namen die verwezen naar kinderpornografisch materiaal. De verbalisant verleende daarop de verdachte de cautie en stelde de verdachte op de hoogte van de jegens hem ontstane verdenking van het bezit van kinderpornografie.
5. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

Verweer ex artikel 359a Wetboek van Strafvordering
De raadsman heeft betoogd - onder meer op gronden zoals vermeld in zijn in eerste aanleg overgelegde pleitnotities- [3] dat bij het optreden van verbalisant [verbalisant] tijdens het huisbezoek bij de verdachte zodanige onherstelbare vormfouten zijn begaan, dat dit dient te leiden tot de uitsluiting van het bewijs van al hetgeen hieruit voortvloeit, zodat de verdachte zou moeten worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Voorop staat dat verbalisant [verbalisant] zich bij de verdachte heeft gelegitimeerd, toen hij samen met reclasseringswerker [betrokkene 1] op een tevoren met de verdachte afgesproken huisbezoek ging in het kader van een de verdachte eerder opgelegd reclasseringstoezicht, en dat de verdachte verbalisant [verbalisant] vervolgens heeft binnengelaten en meedeelde geen bezwaar te hebben tegen de komst van [verbalisant]. Uit het dossier volgt verder dat verbalisant [verbalisant] aanwezig was op verzoek van [betrokkene 1], gelet op zijn specifieke technische kennis. Tot slot blijkt dat de verdachte expliciet toestemming heeft gegeven aan verbalisant [verbalisant] om zijn computer te controleren op de eventuele aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal. Dat bij de verdachte een lichte verstandelijke beperking is geconstateerd, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de waarde van de verleende toestemming, nu niet is gebleken dat de verdachte de gevolgen van het verlenen van toestemming niet heeft kunnen overzien, dan wel dat hij onvrijwillig tot die toestemming is gekomen. Vanwege die toestemming wordt het verweer van de raadsman reeds verworpen. Het bedoelde materiaal kan dan ook als rechtmatig verkregen tot het bewijs worden gebezigd.”
6. Uit het voorgaande blijkt reeds dat de door de verdediging gestelde onherstelbare vormverzuimen op twee verschillende momenten of aspecten inzake het optreden van verbalisant [verbalisant] zien, te weten (i) het betreden van de woning en (ii) het onderzoek aan de computer. Ook het middel klaagt daarover en valt aldus in twee klachten uiteen.
7. Ik begin met de binnentreding. Het hof zou zijn voorbijgegaan aan de feitelijke situatie zoals die door de verdediging is geschetst in de pleitnotities. Mede gelet op deze feitelijke situatie zou de verdachte zijn overrompeld door de aanwezigheid van de verbalisant die achter de reclasseringsambtenaar de woning zou zijn binnengelopen. Om die reden zou het oordeel van het hof dat de verdachte de verbalisant heeft binnengelaten, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn.
8. Behalve dat de Hoge Raad cassatierechter is, en geen feitenrechter, en dat de feitenrechter de (uitleg van) feiten vaststelt, [4] merk ik nog het volgende op. Als algemeen uitgangspunt wordt aangenomen dat de wettelijke vereisten voor de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden niet van toepassing zijn indien de betrokkene met het overheidsoptreden instemt. [5] De grond voor het optreden berust in deze gevallen van vrijwillige medewerking op de veronderstelling dat de rechthebbende met zijn toestemming te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen dat optreden. Van een inbreuk op een (grond)recht en het toepassen van een dwangmiddel is alsdan geen sprake; [6] het niet-naleven van een wettelijke waarborg levert in dat geval geen vormverzuim op. Uiteraard dient de betrokkene te weten waarvoor hij toestemming geeft en moet hij zijn keuze vrijelijk hebben gemaakt. [7] Bovendien kan in zoverre het optreden niet verder gaan dan waartoe de toestemming reikt. Verdergaand optreden moet worden beschouwd als een inbreuk in voormelde zin waarop dus weer de gebruikelijke strafvorderlijke kaders van toepassing zijn. De vaststelling door de rechter of sprake is van rechtsgeldige toestemming en tot hoever deze heeft gestrekt, wordt door de Hoge Raad beschouwd als een feitelijke kwestie die in cassatie slechts op de begrijpelijkheid ervan kan worden getoetst. [8]
9. Uit hetgeen het hof op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld blijkt dat (i) het huisbezoek van tevoren was afgesproken, (ii) van tevoren aan de verdachte was aangegeven dat, met het oog op het bekijken of het programma Filternet naar behoren was geïnstalleerd en werkzaam was, iemand met reclasseringsambtenaar [betrokkene 1] kon meekomen, (iii) verbalisant [verbalisant] degene was die [betrokkene 1] vergezelde, (iv) de verbalisant alvorens binnen te treden zich heeft gelegitimeerd, (v) de verbalisant het doel van het binnentreden heeft meegedeeld, (vi) de verbalisant expliciet toestemming aan de verdachte heeft gevraagd om diens woning binnen te treden en (vii) de verdachte de verbalisant heeft binnengelaten en daarbij heeft meegedeeld dat hij geen bezwaar had tegen de komst van de verbalisant. Daarbij zij nog opgemerkt dat in de overwegingen van het hof ligt besloten dat de reclasseringsambtenaar [betrokkene 1] betrokken was bij de uitvoering van het toezicht op de verdachte ter zake van de eerdere voorwaardelijke veroordeling wegens een soortgelijk feit en dat zij in dat verband (ingevolge de algemene voorwaarde als bedoeld in art. 14d, eerste lid aanhef en onder b sub 2°, Sr) een huisbezoek met de verdachte heeft kunnen afspreken ter controle van de installatie en werking van het programma Filternet. Dit wordt in cassatie niet bestreden.
10. Voor zover het middel bedoelt te klagen dat met betrekking tot het binnentreden sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv (dat, aldus de steller van het middel, tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden) omdat niet zou zijn voldaan aan de voorschriften van art. 1, eerste en vierde lid, Awbi respectievelijk de algemene beginselen van behoorlijke procesorde (détournement de pouvoir en het vertrouwensbeginsel), treft het gelet op het voorgaande geen doel.
11. Dan het controleren van de computer. De verwerping van het verweer steunt op ’s hofs feitelijke vaststelling dat de verdachte expliciet toestemming heeft verleend aan verbalisant [verbalisant] om de computer op de aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal te controleren. Dat lijkt wellicht op het eerste gezicht wat sterker verwoord dan kan worden opgemaakt uit de inhoud van het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal d.d. 22 september 2016 van de politie Eenheid Den Haag zoals door het hof is aangehaald. In het relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant], dat door het hof als bewijsmiddel 1 is weergegeven, staat vermeld dat de verbalisant, na het zich legitimeren bij binnenkomst, de verdachte meedeelde dat hij met de reclassering was meegekomen om “te kijken” of de geïnstalleerde software correct werkte, dat de verdachte aangaf hiertegen geen bezwaar te hebben en dat de verdachte hem, de verbalisant, in de gelegenheid stelde de computer van de verdachte “te bekijken”. Bekijken impliceert in dit verband: kijken in, nalopen van, kennisnemen van een inhoud, kortom controleren, en uiteraard niet het aanschouwen van de buitenkant van de computer, zoals men een schilderij met aandacht pleegt te bezien. Dat bekijken hier dient te worden verstaan in de zin van het controleren van de software van de computer op eventuele aanwezigheid van pornografisch materiaal, wordt bevestigd door een blik achter de papieren muur. Het bedoelde proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] bevat onder meer de volgende passage (p. 24):
“Alvorens te starten met het bekijken van de computer van [verdachte] vroeg ik aan hem of hij er bezwaar tegen had dat ik zijn computer ook zou bekijken op de aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal. [verdachte] gaf aan hier geen bezwaar tegen te hebben. Ik, verbalisant, vroeg aan [verdachte] of de mogelijkheid bestond dat ik kinderporno zou aantreffen. Ik hoorde dat [verdachte] hierop reageerde door te zeggen: ‘Ik hoop van niet, want dan ben ik zwaar de lul’.”
12. Ook het oordeel van het hof dat de verbalisant de computer met toestemming van de verdachte heeft gecontroleerd op eventuele aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal is niet onbegrijpelijk. Ik teken daarbij overigens aan dat – anders dan de steller van het middel meent – geen rechtsregel de verbalisant ervan weerhield om na het binnentreden de verdachte expliciet om toestemming te vragen voor het verrichten van verdere handelingen (het controleren van de computer) en dat voorts uit de rechtspraak van de Hoge Raad niet blijkt dat voor het vragen van toestemming een reeds bestaande verdenking vereist is. [9]
13. Met betrekking tot beide klachten verdient afsluitend nog opmerking dat het hof in zijn beoordeling van het verweer in ogenschouw heeft genomen dat bij de verdachte een licht verstandelijke beperking is geconstateerd. Het hof heeft in zoveel woorden overwogen dat zulks naar zijn oordeel “niet afdoet aan de waarde van de verleende toestemming, nu niet is gebleken dat de verdachte de gevolgen van het verlenen van toestemming niet heeft kunnen overzien, dan wel dat hij onvrijwillig tot die toestemming is gekomen”. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, en kan als verweven met aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.
14. Nu uit het voorgaande blijkt dat het hof heeft kunnen vaststellen dat de bevoegdheid voor het strafvorderlijk optreden zowel wat betreft het binnentreden als met betrekking tot het controleren van de computer op de vrijwillige toestemming van de verdachte berustte, is zijn (impliciete) oordeel dat ten aanzien van beide handelingen geen sprake is van enig onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv, niet onjuist. Ook is dat (impliciete) oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
15. Het middel faalt.
16. Het
tweede middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met art. 14c j° 14d Sr een bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf heeft verbonden, die buiten het wettelijk kader valt.
17. De steller van het middel doelt op de volgende bijzondere voorwaarde:
“Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde maximaal tweemaal per jaar in het kader van controle van zijn digitale gegevensdragers aan de reclassering en eventueel door de reclassering uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaft tot zijn woning, waarbij de veroordeelde dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking moet stellen dan wel overhandigen aan de reclasserings- of politiemedewerkers. De veroordeelde moet de reclassering dan wel de door hen uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.”
18. Deze bijzondere voorwaarde is één van de twaalf bijzondere voorwaarden, die het hof aan de strafoplegging heeft verbonden. Voor een goed begrip vermeld ik ook de bijzondere voorwaarde die direct aan de hiervoor geciteerde voorwaarde voorafgaat:
“Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd op welke wijze dan ook:
- onthoudt van het op digitale wijze met een seksuele intentie communiceren met minderjarigen/kinderen,
- zich onthoudt van gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen,
- zich onthoudt van gedragingen die zijn gericht op internetomgevingen waarin over seksuele handelingen met minderjarigen/kinderen wordt gecommuniceerd, terwijl het daarop uitgeoefende toezicht de afspraak omvat dat de veroordeelde geen wisprogramma's op zijn digitale apparatuur mag hebben of gebruiken.”
19. De wettelijke bepalingen luiden, voor zover hier van belang, als volgt:
Art. 14c, tweede en derde lid, Sr
“2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
[…]
14° andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. Indien bij de toepassing van artikel 14a een bijzondere voorwaarde is gesteld, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden verbonden dat de veroordeelde:
a. […]; en
b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.”
Art. 14d, tweede lid, Sr
“2. De rechter kan aan een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. […].”
20. Uit artikel 14c, tweede lid, Sr vloeit voort dat de rechter in het voorkomende geval bijzondere voorwaarden kan stellen. Deze bepaling somt er specifiek dertien op, en verleent de rechter onder 14° ruimte om “andere voorwaarden” op te leggen die het gedrag van de veroordeelde betreffen. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden als zodanig aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. [10] Uit oogpunt van legaliteit en proportionaliteit dient met de bijzondere voorwaarden niet een té ingrijpende inbreuk op de grondrechten van burgers te worden gemaakt en dienen zij met voldoende precisie te worden geformuleerd. [11]
21. Een soortgelijk geval als het onderhavige deed zich voor in HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:302. In het door het hof bevestigde vonnis werd de bijzondere voorwaarde gesteld dat “de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen.” De Hoge Raad oordeelde dat deze bijzondere voorwaarde in strijd is met de voor toepassing van art. 14c, tweede lid onder 14°, Sv geldende maatstaven. Hij nam daarbij mede in aanmerking “dat het toezicht op de naleving van voorwaarden separaat is geregeld en een bijzondere voorwaarde in de zin van art. 14c, tweede lid onder 14º, Sr, niet geacht kan worden gedrag te omvatten dat in feite overeenkomt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen dwangmiddelen op de veelomvattende en ingrijpende wijze zoals in de onderhavige voorwaarde is geformuleerd.”
22. Ook in de onderhavige zaak heeft het hof de bestreden bijzondere voorwaarde geformuleerd als een gedragsvoorschrift waardoor de veroordeelde – kort gezegd – ertoe gehouden is medewerking te verlenen aan huisbezoeken van en controles van digitale gegevensdragers door reclasserings- of politiemedewerkers. Daarbij heeft het hof getracht het ingrijpende van de daarmee gepaarde inbreuk op het privéleven van de veroordeelde te begrenzen door de frequentie van die huisbezoeken en controles te beperken tot tweemaal per jaar. Dat neemt evenwel niet weg dat de bestreden bijzondere voorwaarde in wezen – toegang verschaffen tot woning en digitale gegevensdragers en ter beschikking stellen dan wel overhandigen van gegevensdragers – het meewerken aan de toepassing van dwangmiddelen ten behoeve van toezicht op de naleving van de voorwaarden betreft. [12] Het verlenen van medewerking aan deze controles kan op zichzelf bezien niet het goede levensgedrag van de veroordeelde bevorderen en betreft niet een gedraging waartoe de verdachte uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. Daarmee voldoet de bestreden bijzondere voorwaarde niet aan de voor art. 14c, tweede lid onder 14º, Sr ontwikkelde maatstaven.
23. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
24. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan. Het tweede middel slaagt.
25. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de bijzondere voorwaarde dat “de veroordeelde maximaal tweemaal per jaar in het kader van controle van zijn digitale gegevensdragers aan de reclassering en eventueel door de reclassering uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaft tot zijn woning, waarbij de veroordeelde dan op verzoek van de reclassering al zijn digitale gegevensdragers ter beschikking moet stellen dan wel overhandigen aan de reclasserings- of politiemedewerkers. De veroordeelde moet de reclassering dan wel de door hen uitgenodigde politiemedewerkers de toegang verschaffen tot alle aanwezige digitale gegevensdragers, bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden.”, in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Meer dan tegen het oordeel van het hof.
2.Ik verwijs met name naar het als eerste bewijsmiddel gebezigde proces-verbaal van 22 september 2016 van de politie Eenheid Den Haag (van de hand van verbalisant [verbalisant]).
3.Het hof heeft blijkens deze overweging de pleitnotities integraal in zijn beoordeling en de verwerping van het verweer betrokken. Ik merk dit op omdat in het proces-verbaal van ’s hofs terechtzitting van 7 juni 2018 per abuis vermeld staat: ”Op uitdrukkelijk verzoek van de raadsman en met instemming van het hof worden de punten 1 tot en met 12 uit de ter terechtzitting in eerste aanleg door de raadsman overgelegde pleitaantekeningen in hoger beroep als herhaald en ingelast beschouwd”. Dat moet zijn: de
4.Zie A.J.A. van Dorst,
5.Vgl. HR 11 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0484,
6.Zie de randnummers 18-19 van mijn conclusie vóór HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8163.
7.Ook het EHRM vereist dat afstand van het grondrecht waarop het dwangmiddel een beperking vormt vrijwillig en ondubbelzinnig geschiedt. Vgl. mijn conclusie van 8 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:908.
8.Vgl. HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8361,
9.Zie HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5315,
10.Zie: HR 26 november 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6079,
11.F.W. Bleichrodt & P.C. Vegter,
12.Gelet op de voorwaarde weergegeven in randnummer 18, die (kort gezegd) het gedrag van de verdachte op digitale gegevensdragers betreft, kan de bestreden voorwaarde niet anders of ruimer worden gelezen dan dat deze uitsluitend ziet op het toezicht op de naleving van die eerdere voorwaarde.