Conclusie
Nummer18/02250
Waar het in deze zaak om gaat
Het middel en de relevante overwegingen uit het bestreden arrest
middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt in de kern dat de verwerping door het hof van het in hoger beroep gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de door de verdachte tegenover de politie (telefonisch) afgelegde verklaring, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en/of ontoereikend is gemotiveerd.
Bewijsverweer inzake het recht op rechtsbijstandDe raadsman heeft uitsluiting van het bewijs van de door de verdachte bij de politie op 16 februari 2017 afgelegde verklaring bepleit op grond van het volgende.
Het recht van de verdachte op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor bij de politie (op 16 februari 2017) is geschonden. Volgens de politie zou twee maal een ontbiedingsbrief — waarbij de verdachte werd uitgenodigd voor een verhoor op het politiebureau en waarin hij is gewezen op het recht op consultatie van een raadsman vóór het verhoor en bijstand van een raadsman tijdens het verhoor – aangetekend zijn verzonden naar de verdachte, maar niet blijkt dat die verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de verdachte van die rechten geen uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand gedaan. Nadat de verdachte bij aanvang van het verhoor was gevraagd of hij een advocaat had gesproken, heeft hij alleen gezegd: “Nee, ik wil het zelf oplossen”. De verhorende politieambtenaar had de verdachte daarna moeten mededelen dat hij recht had op rechtsbijstand en dat hij, de verdachte, op elk moment kon terugkomen van zijn afstand van dat recht. De omstandigheid dat het verhoor telefonisch plaatsvond, maakt dat niet anders, nu een advocaat ook bij een telefonisch verhoor aanwezig kan zijn. In de onderhavige zaak heeft het ontbroken aan elke controle, door een raadsman, op eventueel op de verdachte uitgeoefende pressie. Geconcludeerd moet worden dat is gehandeld in strijd met artikel 6 Europees Pro Verdrag voor de rechten van de Mens (hierna: EVRM) en met de Beleidsbrief van het OM hetgeen op grond van artikel 359a Sv tot bewijsuitsluiting moet leiden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Feitelijke gang van zakenAan de verdachte is, blijkens het proces-verbaal van relaas, een (zich niet in het dossier bevindende) brief gestuurd waarin hij werd uitgenodigd als verdachte door de politie te worden gehoord op 11 oktober 2016 om 15.00 uur. De verdachte heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen en een afspraak gemaakt voor zijn verhoor op 25 oktober 2016 om 17.00 uur. De verdachte is door de politie te Amsterdam vervolgens ook nog bij brief uitgenodigd voor dat verhoor (bij de politie te Roermond). In laatstgenoemde die brief is vermeld:
Voor meer informatie over rechtsbijstand van een advocaat verwijs ik u naar het Juridisch loket (www.juridischloket.nl)”.
Later heeft de verdachte de politie telefonisch laten weten dat hij van de trap was gevallen en niet in staat was een verklaring af te leggen. Later is hem een derde uitnodigingsbrief verzonden voor een verhoor bij de politie te Roermond op 14 februari 2017 om 09.30 uur. Deze brief behelst dezelfde informatie over rechtsbijstand van een advocaat als de tweede brief.
De politie heeft de verdachte op 16 februari 2017 gebeld en hem telefonisch gehoord. Hem is medegedeeld waarvan hij werd verdacht en hem is de cautie gegeven. Vervolgens is gevraagd:
“Heeft u voor het verhoor een advocaat gesproken?”, waarop de verdachte heeft geantwoord:
“Nee, ik wil het zelf oplossen”.
Vervolgens heeft de verdachte een verklaring afgelegd waarin hij heeft erkend de aan hem toegeschreven, tenlastegelegde uitlatingen op Facebook te hebben geplaatst.
Juridisch kaderOp grond van inmiddels vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad heeft een aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn (eerste) verhoor bij de politie recht op het consulteren van een advocaat en dient hem te worden medegedeeld dat hem dat recht toekomt. Het verzuim hieraan gevolg te geven, leidt in de regel tot uitsluiting van het bewijs van de (vervolgens) door de verdachte afgelegde verklaring, indien terzake verweer is gevoerd.
Het openbaar ministerie heeft in de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor van 15 februari 2010 (Stcrt. 2010, 4003) onder meer richtlijnen gegeven voor de invulling van dit consultatierecht.
Bij arrest van 22 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3608) heeft de Hoge Raad, mede in aansluiting op nadere jurisprudentie van het EHRM, bepaald dat een aangehouden verdachte ook het recht toekomt tijdens zijn verhoor te worden bijgestaan door een advocaat en dat hij daarop vóór de aanvang van het verhoor moet worden gewezen. Naar aanleiding van dit arrest en het wetsvoorstel tot implementatie van de hierna nog nader te noemen EU-richtlijn inzake het recht op rechtsbijstand in strafprocedures is bij een Beleidsbrief van het openbaar ministerie van 23 februari 2016 (Stcrt. 2016, 8884) voornoemde Aanwijzing aangevuld. Die aanvulling houdt in, voor zover hier van het belang:
“Met betrekking tot ontboden verdachten geldt dat de opsporingsinstantie hem in de ontbiedingsbrief wijst op zijn recht zich bij zijn verhoor te laten bijstaan door een raadsman. De verdachte dient dit zelf te organiseren en de kosten zijn voor eigen rekening”.
Ingevolge de thans geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering heeft de verdachte – ook indien hij niet is aangehouden – recht op bijstand van een raadsman (artikel 28, eerste lid, Sv), waaronder is begrepen het recht op consultatie van een raadsman voorafgaand aan een verhoor door de politie en op aanwezigheid van een raadsman bij dat verhoor. De verdachte moet mededeling worden gedaan van die rechten vóór het eerste verhoor (artikel 27c, tweede lid, Sv) en bij afstand daarvan moet de verdachte worden ingelicht over de gevolgen daarvan, moet hem worden medegedeeld dat hij van die beslissing tot afstand kan terugkomen en wordt van een en ander proces-verbaal opgemaakt (artikel 28a, tweede lid, Sv).
Voornoemde bepalingen maken deel uit van de wet die strekte tot implementatie van de richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L294), verder te noemen de Richtlijn.
Ingevolge artikel 15 van Pro de Richtlijn verstreek de implementatietermijn daarvan op 27 november 2016. De implementatiewet waarvan eerdergenoemde bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering deel uitmaken, is echter pas op 1 maart 2017 in werking getreden. Die bepalingen waren dus niet van toepassing voorafgaand en tijdens het onderhavige verhoor van de verdachte door de politie op 16 februari 2017, zodat zij niet in de beoordeling van het door de raadsman gevoerde verweer kunnen worden betrokken. De verdachte kan echter wel, door het verlopen van genoemde implementatietermijn op 27 november 2016 rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen ontlenen aan de inhoud van de Richtlijn bij gelegenheid van zijn verhoor.
Voor zover ten deze belang luidden de preambule en de bepalingen van de Richtlijn als volgt:
“Overwegende hetgeen volgt:
(12) Deze richtlijn bevat minimumvoorschriften betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel (...). Op die manier bevordert de richtlijn de toepassing van het Handvest (…) door voort te bouwen op de artikelen 3, 5, 6 en 8 van EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat in zijn jurisprudentie, geregeld normen vaststelt betreffende het recht op toegang tot een advocaat. In die jurisprudentie is onder meer geoordeeld dat het eerlijke karakter van het proces vereist dat een verdachte of beklaagde gebruik kan maken van alle specifiek aan rechtsbijstand verbonden diensten. In dat verband moeten de advocaten van verdachten of beklaagden de fundamentele aspecten van de verdediging onverkort kunnen waarborgen (...).
Hebben de volgende richtlijn vastgesteld:
(…).
(…)
Artikel 9
BeoordelingHet hof stelt voorop dat de hiervoor vermelde jurisprudentie van de Hoge Raad (en het EHRM) betrekking heeft op aangehouden verdachten. In de onderhavige zaak was de verdachte niet aangehouden voordat hij werd verhoord (noch is hij nadien aangehouden), zodat het verweer van de raadsman voor zover hij zich daarin heeft beroepen op schending van artikel 6 EVRM Pro niet (zonder meer) kan slagen.
Voor wat betreft de aan de Richtlijn en de Beleidsbrief van het openbaar ministerie te ontlenen aanspraken overweegt het hof het volgende.
Volgens het proces-verbaal van relaas is de eerste brief waarin de verdachte werd uitgenodigd door de politie te worden gehoord (de zogeheten uitnodigings- of ontbiedingsbrief) aangetekend verstuurd. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting medegedeeld dat zij daaromtrent nadere informatie had ingewonnen, waaruit bleek dat het bij de politie te Amsterdam – die de onderhavige brieven, dus ook de tweede en de derde ontbiedingsbrief, heeft gestuurd – standaardpraktijk is dat ontbiedingsbrieven aan verdachten die buiten Amsterdam wonen, aangetekend worden verstuurd en dat, ingeval na verzending van zo’n brief telefonisch contact plaatsheeft met een verdachte, altijd wordt besproken dat deze recht heeft op rechtsbijstand. De politie heeft de advocaat-generaal desgevraagd verzekerd dat in casu ook de latere ontbiedingsbrieven aangetekend zijn verstuurd. En voor zover de desbetreffende opsporingsambtenaar zich kon herinneren, heeft de verdachte naar aanleiding van die laatste ontbiedingsbrief contact opgenomen met de politie voor de datum en de locatie van het verhoor en is uit praktische overwegingen (die samenhingen met reistijd en kosten) gekozen het verhoor telefonisch te laten plaatsvinden op 16 februari 2017.
Een en ander neemt evenwel niet weg dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de laatste ontbiedingsbrief daadwerkelijk heeft ontvangen terwijl evenmin in het proces-verbaal van het telefonische verhoor is vermeld dat de verdachte is gewezen op zijn recht op rechtsbijstand (omvattende zowel de consultatiebijstand als de verhoorbijstand), zodat niet kan worden aangenomen dat dit is gebeurd.
Naar het oordeel van het hof verdient het, ter voorkoming van misverstanden en discussies, aanbeveling dat in gevallen als de onderhavige een bewijs van ontvangst door de verdachte van de (aangetekend verstuurde) ontbiedingsbrief in het dossier wordt gevoegd dan wel dat de verdachte bij aanvang van het verhoor wordt gewezen op zijn recht op rechtsbijstand (alsmede op de mogelijkheid daarvan afstand te doen en die afstand te herroepen) én dat dit wordt gerelateerd in het proces-verbaal van dat verhoor.
Het voorgaande brengt echter niet mee dat de door de verdachte afgelegde verklaring moet worden uitgesloten van het bewijs. In de ontbiedingsbrief voor het verhoor op 25 oktober 2016 is de verdachte expliciet gewezen op zijn recht op consultatie van een advocaat en op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor en is hij tevens verwezen naar informatie op de website van het juridisch loket. Uit de omstandigheid dat hij daarna telefonisch contact heeft opgenomen met de politie kan worden afgeleid dat hij kennis had genomen van de inhoud van die brief. Op grond daarvan kan worden aangenomen dat de verdachte op dit punt toereikend was geïnformeerd. Het hof is dan ook, anders dan de raadsman, van oordeel dat de verhorende politieambtenaar de verdachte bij het verhoor op 16 februari 2017 niet (opnieuw) had hoeven wijzen op zijn recht op rechtsbijstand, hoewel dat wel wenselijk was geweest. Tegen die achtergrond moet het antwoord van de verdachte op de vraag of hij een advocaat had gesproken - welk antwoord luidde “Nee, ik wil het zelf oplossen” – worden begrepen als een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige afstand van zijn recht op rechtsbijstand.
Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte a) is gewezen op de mogelijke gevolgen van het doen van afstand van rechtsbijstand noch dat hem b) is medegedeeld dat hij van die beslissing tot afstand kon terugkomen.
Over de eerste kwestie (a) heeft de raadsman echter niet geklaagd, zodat het hof aan dit verzuim geen gevolgen zal verbinden. Ten aanzien van de tweede kwestie (b) ontbreekt in het pleidooi van de raadsman enige verwijzing naar de ernst van dit specifieke verzuim en het door de verdachte ondervonden nadeel ten gevolge daarvan, zodat het in zoverre op toepassing van artikel 359a Sv gerichte verweer niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en het om die reden zonder gevolg moeten blijven.
Het voorgaande brengt mee dat het verweer wordt verworpen en de verklaring van de verdachte van 16 februari 2017 voor het bewijs kan worden gebruikt.”
Het recht op rechtsbijstand van de niet-aangehouden verdachte en de plicht daarvan mededeling te doen
NJ2018/243, m.nt. Reijntjes.
NJ2018/243, m.nt. Reijntjes, faalt het derhalve. Dat de Hoge Raad aan schending van het voorschrift van art. 27c, tweede lid, Sv in beginsel het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting verbindt, duidt er wel op dat de Hoge Raad de in die bepaling genoemde mededeling van het recht op rechtsbijstand minst genomen van belang acht voor de eerlijkheid van het strafproces in de zin van art. 6 EVRM Pro van de niet-aangehouden verdachte. [4]
Stb. 2017/66), derhalve na het politieverhoor van de verdachte op 16 februari 2017. Deze opvatting van het hof is echter slechts ten dele juist, en wel in zoverre dat art. 28a, tweede lid, Sv – dat betrekking heeft op het doen van afstand van het recht op rechtsbijstand – inderdaad bij deze wet is ingevoerd, dat die wet op 1 maart 2017 in werking is getreden en dat bij die wet art. art. 28 Sv Pro is gewijzigd. [6] De wijziging die deze laatste bepaling onderging, is voor de onderhavige zaak evenwel van ondergeschikt belang. Al sinds – kort gezegd – de Wet van 5 november 2014, houdende implementatie van richtlijn nr. 2012/13/EU, [7] schrijft art. 27c, tweede lid, Sv in verbinding met art. 28, eerste lid, Sv voor dat de niet-aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling dient te worden gedaan van het recht om zich te doen bijstaan door een raadsman. Deze wet trad in werking op 1 januari 2015, derhalve vóór het eerste verhoor van de verdachte. Anders dan in de overwegingen van het hof ligt besloten, diende aan de verdachte dus ook reeds ten tijde van zijn telefonisch politieverhoor op 16 februari 2017 op grond van art. 27c, tweede lid, Sv mededeling te worden gedaan van het recht zich te doen bijstaan door een raadsman. [8] Ingevolge art. 27c, vijfde lid, Sv moest van die mededeling in het proces-verbaal melding worden gemaakt.
3.6 Overige bepalingen uit de richtlijnArtikel 8, eerste lid, van de richtlijn bepaalt dat wanneer informatie op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van de richtlijn aan de verdachte is verstrekt, dit moet worden geregistreerd volgens de registratieprocedure waarin het nationale recht van de betrokken lidstaat voorziet. Dit artikel moet worden gelezen in samenhang met overweging 35 van de preambule waarin is bepaald dat dit niet dient te leiden tot bijkomende verplichtingen om nieuwe mechanismen in te voeren of tot aanvullende administratieve lasten.
Diverse bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering en andere regelingen zijn relevant in verband met de implementatie van dit artikel. In de eerste plaats kan worden gewezen op de in artikel 152, eerste lid, Sv neergelegde algemene verbaliseringsplicht. Deze houdt onder meer in dat ten spoedigste proces-verbaal wordt opgemaakt van hetgeen door de opsporingsambtenaren tot opsporing is verricht of bevonden. Daarnaast kan worden gewezen op enkele bijzondere verbaliseringsplichten zoals artikel 29, derde lid, Sv waarin is bepaald dat de cautie – de mededeling voorafgaand aan het verhoor dat de verdachte niet tot antwoorden is verplicht – in het proces-verbaal moet worden opgenomen. In de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor van het openbaar ministerie (Stcrt. 2010, 4003) is voorts bepaald dat de mededeling aan verdachte betreffende het recht een raadsman te consulteren in het proces-verbaal moet worden opgenomen. Artikel 589 Sv Pro verplicht tot het opmaken van een akte van uitreiking wanneer de dagvaarding met de daarin opgenomen tenlastelegging aan de verdachte wordt betekend. In aansluiting hierop wordt voorgesteld om in artikel 27c, vijfde lid, te bepalen dat in het proces-verbaal melding wordt gemaakt van de mededeling van rechten. Deze bepaling sluit aan bij de huidige praktijk waarin in het proces-verbaal niet alleen, zoals hierboven is aangegeven, wordt vermeld of de verdachte mondeling is geïnformeerd over het recht om een raadsman te consulteren, maar tevens of de verdachte hierover schriftelijke informatie heeft ontvangen.
[…]
[...]
ARTIKELSGEWIJS
Artikel I
De tweede volzin van het eerste lid betreft verdachten die niet zijn staande gehouden of aangehouden. Deze verdachten dient uiterlijk voor hun eerste verhoor te worden meegedeeld ter zake van welk strafbaar feit zij als verdachte zijn aangemerkt. Dat zal kunnen plaatsvinden in de brief waarin zij worden uitgenodigd om op het politiebureau te verschijnen om te worden verhoord. De tweede volzin (en de eerste volzin wat betreft de staande gehouden verdachte) geeft uitvoering aan artikel 3, eerste lid, onder c, in verbinding met artikel 6, eerste lid, van de richtlijn. Deze bepalingen strekken er, kort gezegd, toe te verzekeren dat ook verdachten die niet zijn aangehouden, voorafgaand aan het eerste verhoor worden geïnformeerd over het strafbaar feit ter zake waarvan zij als verdachte zijn aangemerkt.
[...]
[...]
[...]
waivervan het recht op rechtsbijstand, is bovendien een factor van wezenlijk, zo niet cruciaal, belang wat er in rechte kan worden vastgesteld over de “receipt of information” door de verdachte ten tijde van het doen van afstand van een recht. [18] Aldus zal voor de bruikbaarheid van de afgelegde verklaring, evenals bij de cautie, [19] bepalend moeten zijn of de verdachte redelijkerwijs kan worden geacht bekend te zijn met zijn processuele recht. Rechtspraak van de Hoge Raad waarin ter discussie stond of de cautie de verdachte daadwerkelijk had bereikt, heb ik overigens niet aangetroffen. Ik vermoed dat de reden daarvan is gelegen in de staande praktijk dat ook de niet-aangehouden, schriftelijk ontboden verdachte bij aanvang van het politieverhoor (nogmaals) erop zal worden gewezen dat hij niet tot antwoorden verplicht is. [20] Het zou de verhorende opsporingsambtenaar in het algemeen dan weinig moeite moeten kosten de verdachte ook (wederom) te wijzen op zijn recht op rechtsbijstand, een moeite die hij zich bovendien ten aanzien van aangehouden verdachten ook reeds dient te getroosten. Gelet op dit een en ander verdient het mijns inziens de voorkeur om, ter vermijding van onduidelijkheid of misverstand, de niet-aangehouden verdachte bij aanvang van het verhoor nog eens op zijn rechten te wijzen of te vragen in hoeverre hij kennis heeft genomen van de inhoud van de in de ontbiedingsbrief voorziene informatie. Invoelbaar vind ik dan ook de opvatting van het hof dat het in de voorliggende zaak wenselijk was geweest als de verdachte bij aanvang van het verhoor nogmaals op zijn recht op rechtsbijstand was gewezen.
informed consent.Beiden betogen zij dat in cassatie niet kan worden volstaan met toetsing van de (feitelijke) vraag of daadwerkelijk afstand is gedaan respectievelijk toestemming is gegeven, maar dat tevens moet worden bezien of in het concrete geval voldoende (al dan niet wettelijke) waarborgen aanwezig waren om te garanderen dat die afstand of toestemming welbewust, vrijwillig en voldoende geïnformeerd heeft plaatsgevonden. De conclusies hebben voorts met elkaar gemeen dat de advocaat-generaal het oordeel van het hof dat rechtsgeldig afstand was gedaan, onderscheidenlijk toestemming was gegeven, niet begrijpelijk achtte, maar daarin door de Hoge Raad niet werd gevolgd. [24]
Dvorski/Kroatiëdat “the right to counsel, being a fundamental right among those which constitute the notion of a fair trial and ensuring the effectiveness of the rest of the guarantees set forth in Article 6 of the Convention, is a prime example of those rights which require the special protection of the “knowing and intelligent waiver” standard established in the Court’s case-law.” [26] Een afstandsverklaring vereist in deze context dan ook “additional safeguards”, omdat “if an accused has no lawyer he has less chance of being informed of his rights and, as a consequence, there is less chance that they will be respected.” [27] Dat juist dit recht een “prime example” is waarvan het doen van afstand met voldoende (additionele) waarborgen moet worden omringd, illustreert eveneens het op afstand van recht toegespitste art. 9 van Pro de meermalen genoemde Richtlijn 2013/12/EU.
unequivocally), bewust (
knowingly) en weloverwogen (
intelligently) prijsgaf. [31] Niet uitgesloten is dat de verdachte impliciet, door zonder een advocaat te hebben gesproken toch te verklaren, afstand doet van zijn recht op rechtsbijstand, maar dat neemt niet weg dat juist dan aan de informatiepositie van de verdachte ten tijde van zijn vermeende waiver veel gewicht toekomt. Naarmate de verdachte minder ondubbelzinnig en expliciet afstand doet, zal grondiger moeten worden onderzocht in hoeverre de verdachte begrijpt waarvan hij afstand doet en wat daarvan de consequenties kunnen zijn. En ook wanneer de verdachte heeft gevraagd om een raadsman, maar nadien toch zonder raadpleging of bijstand van een advocaat verklaart, is extra voorzichtigheid geboden. [32]
Panovits/Cyprusbleek bewustheid van het bestaan van het recht op rechtsbijstand een basisvoorwaarde om dit recht rechtsgeldig te kunnen opgeven. Aangezien de (minderjarige) verdachte (en zijn vader) niet adequaat waren geïnformeerd over het recht een raadsman te consulteren, achtte het Europese Hof het onwaarschijnlijk dat de verdachte van zijn recht daarop bewust was en hij de consequenties van voortzetting van het verhoor zonder advocaat afdoende kon inschatten. Een passieve benadering waarin te allen tijde een verzoek om een advocaat kan worden gedaan maar daarover geen informatie wordt verstrekt, achtte het EHRM “clearly not sufficient to fulfil their positive obligation to furnish the applicant with the necessary information enabling him to access legal representation”. [33] Ook uit latere rechtspraak van onder meer de Grote Kamer volgt dat voor de geldigheid van een waiver van het recht op een advocaat in de regel cruciaal is dat de verdachte van dat recht op de hoogte is gesteld. [34]
a) de verdachte of beklaagde mondeling of schriftelijk duidelijke en toereikende informatie in eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen is gegeven over de inhoud van het betrokken recht en over de mogelijke gevolgen van het afstand doen daarvan, en
b) deze vrijwillig en ondubbelzinnig geschiedt.
2. De afstand, die schriftelijk of mondeling kan geschieden, wordt geregistreerd, alsmede de omstandigheden waaronder de afstand is gedaan door gebruik te maken van de registratieprocedure overeenkomstig het recht van de betrokken lidstaat.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat deze afstand later op elk moment tijdens de strafprocedure door de verdachte of de beklaagde kan worden herroepen en dat de verdachte of beklaagde van die mogelijkheid op de hoogte gebracht wordt. Dergelijke herroeping van de afstand wordt van kracht vanaf het moment waarop zij heeft plaatsgevonden.”
noodzakelijkevoorwaarde is om de afstandsverklaring als geldend te aanvaarden, is niet duidelijk. Voorts schrijft de richtlijn voor dat de verdachte de mogelijkheid wordt geboden zijn afstand te herroepen en hij van dat recht op de hoogte wordt gebracht (derde lid). Ook ten aanzien hiervan blijkt echter niet met zoveel woorden of aan het verzuim aan die plicht gevolg te geven (in alle gevallen) de conclusie moet worden verbonden dat
dusgeen sprake is van een rechtsgeldige waiver.
2. Wanneer de rechter of opsporingsambtenaar blijkt dat de verdachte de in het eerste lid bedoelde afstand van recht wil doen, licht deze hem in over de gevolgen daarvan en deelt deze hem mee dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt.”
Over het voorgestelde artikel 28a Sv kunnen de volgende opmerkingen worden gemaakt. In het eerste lid is de hoofdregel opgenomen dat de verdachte «vrijwillig en ondubbelzinnig» («voluntarily and unequivocally») afstand doen van zijn recht. Al in het geldende recht ligt, op grond van de door het EHRM aan artikel 6 EVRM Pro gegeven uitleg, besloten dat daarvan sprake moet zijn. Met ondubbelzinnig wordt bedoeld dat de afstand niet voor misverstand of voor tweeërlei uitleg vatbaar dient te zijn. De richtlijn schrijft voor dat de verdachte op elk moment in de strafprocedure van zijn beslissing tot het doen van afstand kan terugkomen en dat hem dit moet worden meegedeeld. In het tweede lid van het voorgestelde artikel 28a Sv is ter implementatie hiervan opgenomen dat de rechter of opsporingsambtenaar de verdachte deze mededeling doet wanneer de verdachte afstand van recht wil doen.
[...]
[...]
[...]
[...]
Voorts vroegen deze leden of het vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doen van het recht op bijstand van een raadsman als uitgangspunt kent dat de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij de verdachte zelf ligt. Die vraag kan in zoverre bevestigend worden beantwoord dat de verdachte, nadat hij over zijn recht op bijstand van een raadsman is ingelicht, zelf moet aangeven dat hij van dat recht gebruik wenst te maken. Wanneer hij aangeeft dit niet te wensen, moet hij vervolgens op de gevolgen van deze keuze worden gewezen.” [41]
Beoordeling van het middel
tegen die achtergronddat het antwoord van de verdachte dat hij het zelf wil oplossen volgens het hof
moet worden begrepenals vrijwillige en ondubbelzinnige afstand van het recht op rechtsbijstand.
dus(en anders dan de verdediging heeft betoogd) de schriftelijke herhaling van die eerder telefonisch gemaakte afspraak waarin staat vermeld dat hij bij verhindering dient te bellen, moet hebben ontvangen. Telefonisch contact opnemen is een voor de hand liggende handelswijze indien men een eerder telefonisch gemaakte afspraak wenst te verzetten. Ontvangst of kennisneming van een herhalingsbrief waarin zulks wordt verzocht, volgt daaruit niet. In zoverre acht ik de overwegingen van het hof niet zonder meer begrijpelijk, waarbij ik mede in aanmerking heb genomen dat ’s hofs oordeel dat de verdachte de brief
moet hebbenontvangen in de redenering van het hof een dragende functie heeft.