Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
Achtergrond: het voorhanden hebben van accijnsgoederen vanaf 1 januari 1993 tot 1 april 2010
tijdstipdat de accijns verschuldigd wordt. Het belastbare feit (productie of invoer) heeft dan al plaatsgevonden. In de periode daartussen moet de schorsingsregeling zoals gedefinieerd in artikel 4(c) richtlijn 92/12/EEG worden toegepast. [9]
Van de Water [14] overweegt het Hof van Justitie in dit verband (cursiveringen van mijn hand):
Wanneer derhalve voor de nationale rechter is aangetoond, dat een accijnsproduct aan een schorsingsregeling is onttrokken zonder dat de accijns is voldaan, staat vast dat het voorhanden hebben van dit product uitslag tot verbruik is in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn en dat de accijns verschuldigd is geworden.”
Van de Waterheeft de Hoge Raad in zijn rechtspraak twee vereisten ontwikkeld voor het aanwijzen van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft: feitelijke beschikkingsmacht en wetenschap.
Van de Water), ligt het immers niet voor de hand dat de Hoge Raad een richtlijnconforme uitleg heeft toegepast.
(Betrokkenheid bij) het voorhanden hebben van accijnsgoederen vanaf 1 april 2010
Van de Wateren evenmin hoe het begrip ‘betrokken’ moet worden uitgelegd. Later in deze conclusie kom ik daarop terug.
Van de Waterin de richtlijn is opgenomen. [24] Ook merkt hij op dat de vereisten van feitelijke beschikkingsmacht en wetenschap voor de toepassing van het nieuwe artikel 2(1)b WA niet meer van belang zijn: [25]
Met betrekking tot de feitelijke handel in de minerale oliën heeft belanghebbende geen handelingen verricht.
dat hiermee ook degene die enkel behulpzaam is bij het voorhanden hebben van het accijnsgoed of bij de financiële afwikkeling van de handel in dat accijnsgoed, kan worden aangemerkt als "betrokkene" bij het voorhanden hebben van een accijnsgoed.Belanghebbendes stelling dat het betrokken zijn enkel kan zien op het behulpzaam zijn bij het daadwerkelijke voorhanden hebben van het accijnsgoed, is derhalve naar het oordeel van de rechtbank een te beperkte uitleg. De rechtbank acht echter belanghebbendes handelen te beperkt en te ver verwijderd van het voorhanden hebben van accijnsgoederen, om te oordelen dat belanghebbende daarbij betrokken was in vorenstaande zin. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende verwijtbaar heeft gehandeld door ondernemingen in te schrijven in het Handelsregister, behulpzaam te zijn bij het openen van bankrekeningen en zich daar verder niet mee te bemoeien, maakt dit niet anders. Een dergelijke handelwijze - wat daar ook van zij - maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat sprake is van het betrokken zijn bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen in vorenbedoelde zin. Voor dat geval is niet in geschil dat belanghebbende ten onrechte is aangemerkt als belastingplichtige voor de accijns. De naheffingsaanslag is ten onrechte aan belanghebbende opgelegd."
4.Uitleg van de artikelen 8(1)b en 7(2)b richtlijn 2008/118/EG
Richtlijnconforme uitleg
Van de Water). Artikel 17 van Pro de richtlijn staat toe dat accijnsgoederen onder schorsing van accijns worden overgebracht. Een belastingentrepot is een fysieke plaats, een locatie waar de accijnsgoederen zich onder schorsing van accijns mogen bevinden en van waaruit de goederen onder een schorsingsregeling mogen worden overgebracht.
Comida paralela 12 [41] uitgelaten over het begrip ‘betrokken bij’. Dat arrest helpt ons echter niet veel verder. De zaak die tot dat arrest heeft geleid gaat over een rechtspersoon (Comida paralela) die als hoofdelijk medeschuldenaar is aangemerkt voor een accijnsschuld. De accijnsschuld is ontstaan omdat de zaakvoerder (QC) op onregelmatige wijze in België alcoholhoudende dranken heeft binnengebracht die reeds in een andere lidstaat tot verbruik waren uitgeslagen [42] , zonder dat hij voor deze goederen beschikte over de juiste geleidedocumenten en zonder dat – onder meer – de accijns was betaald in België. Het derde lid van artikel 38 richtlijn Pro 2008/118/EG bepaalt voor een dergelijk geval dat de accijns moet worden voldaan door de persoon die overeenkomstig artikel 34(2)a en artikel 36(4)a van de richtlijn zekerheid voor de betaling heeft gesteld en door eenieder die bij de onregelmatigheid betrokken is geweest. Omdat de in België binnengebrachte goederen niet vergezeld gingen van een certificaat van zekerheidsstelling was het onmogelijk betaling van accijns te eisen van een persoon die zekerheid heeft gesteld in de zin van artikel 34 of Pro 36 richtlijn 2008/118/EG. De vraag rees daarom of Comida paralela als ‘betrokkene’ kan worden aangesproken voor de betaling van de accijns. Een belangrijk gegeven is nog dat België een nationale regeling kent op grond waarvan Comida paralela burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de door de zaakvoerder begane strafbare feiten.
Comida paralela 12. Het Hof van Justitie overweegt allereerst dat meer personen als ‘betrokkene’ onder het toepassingsbereik van artikel 38(3) richtlijn 2008/118/EG kunnen vallen en hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de betaling van de accijnsschuld:
een element van opzet, is door de Uniewetgever echter niet opgenomen in artikel 38, lid 3, van die richtlijn.
wegens handelingen van een natuurlijke persoon, indien deze laatste als opdrachtnemer van die rechtspersoon heeft gehandeld.”
Bovendien wordt niet betwist dat het QC heeft gehandeld in het kader van zijn functies en in het kader van het nastreven van het statutair doel van de onderneming.
een rechtspersoon die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de door zijn zaakvoerder begane strafbare feiten, hoofdelijk medeschuldenaar verklaart voor de accijns.
Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs v WR [45] . Het gaat in die zaak om een vrachtwagenchauffeur die accijnsgoederen overbrengt naar het Verenigd Koninkrijk zonder dat hij beseft dat de geleidedocumenten niet bij deze goederen horen. Blijkens de verwijzingsbeschikking wist hij niet, en kon hij niet weten, dat accijns verschuldigd was. De echte fraudeurs zijn onvindbaar. De vragen hebben betrekking op de betekenis van voorhanden hebben als bedoeld in artikel 33 van Pro de richtlijn, al vraag ik mij af of dit juist is. Het gaat immers, net als in
Comida paralela 12, om goederen die zonder geleidedocumenten in het Verenigd Koninkrijk worden binnengebracht. Dan lijkt mij dat sprake is van een onregelmatigheid die is begaan tijdens de overbrenging. De verwijzende rechter noemt artikel 38 ook Pro wel in zijn verwijzingsbeslissing, maar de prejudiciële vragen betreffen artikel 33. Het is mij overigens niet geheel duidelijk of (en in welke lidstaat) de goederen al tot verbruik zijn uitgeslagen, zoals vereist is voor de toepassing van artikel 33 (en overigens ook voor artikel 38). De volgende prejudiciële vragen zijn gesteld:
Gross [46] van het Hof van Justitie. In dit arrest oordeelde het Hof van Justitie dat van een persoon die een accijnsgoed voorhanden houdt overeenkomstig artikel 7 richtlijn Pro 1992/112/EEG (thans artikel 33(3) richtlijn 2008/118/EG) accijns mag worden geheven, ook al is hij niet de eerste persoon die het goed voorhanden heeft. Het Hof van Justitie heeft het volgende overwogen:
Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs v WRvereist – net als in de onderhavige zaak – geen opzet, schuld of wetenschap. Indien de richtlijnbepaling strikt tekstueel moet worden uitgelegd, hebben de Commissioners dus een punt. De belanghebbende heeft daartegenover echter een punt waar hij zich beroept op het evenredigheidsbeginsel. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moeten de instellingen van de Unie alsook de lidstaten bij de uitoefening van de door de richtlijnen van de Unie verleende bevoegdheden de algemene rechtsbeginselen naleven die deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie, waaronder het evenredigheidsbeginsel. [48] In de zaak
Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs v WRen ook in het geval van belanghebbende gaat het om de uitleg van een richtlijnbepaling die de persoon van de accijnsschuldenaar aanwijst. Het gaat dus om de vraag of de richtlijnbepaling zelf, dus een handeling van een instelling van de Unie, de evenredigheidstoets doorstaat. [49] Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat in dat verband moet worden beoordeeld of de getroffen maatregel niet buiten de grenzen treedt van hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd. Wanneer een keuze mogelijk is tussen meer geschikte maatregelen, moet die maatregel worden gekozen die de minste belasting met zich brengt en de veroorzaakte nadelen mogen niet onevenredig aan het nagestreefde doel. [50]
Karelia [51] heeft het Hof van Justitie een risicoaansprakelijkheid aanvaard voor de entrepothouder als bedoeld in de accijnswetgeving. Het Hof van Justitie overweegt onder meer:
The Commissioners for HM Revenue & Customs v WR. Omdat het in die zaak om een volstrekt onschuldige persoon gaat, valt het echter te bezien of het arrest antwoord zal geven op de specifieke vraag die hier speelt.