ECLI:NL:PHR:2020:1051
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken middelen medeplegen gewoontewitwassen en deelname criminele organisatie
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie. Het hof heeft ook verbeurdverklaring van een bestelauto en een geldbedrag van €100.000,- uitgesproken. De zaak is een vervolg op eerdere procedures, waaronder een arrest van de Hoge Raad uit 2014.
De verdachte heeft het cassatieberoep ingesteld, maar heeft geen schriftelijke middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn. De aanzegging van het cassatieberoep is op 12 juli 2019 persoonlijk aan de verdachte betekend en op 24 juli 2019 aan zijn raadsman. Ondanks deze kennisgeving heeft de raadsman geen middelen ingediend.
Op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de Hoge Raad de verdachte daarom niet in zijn cassatieberoep ontvangen. De conclusie van de procureur-generaal is dan ook dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk zal verklaren. De uitspraak bevestigt hiermee het belang van het tijdig indienen van schriftelijke middelen in cassatieprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van schriftelijke middelen binnen de wettelijke termijn.