Conclusie
DPW,
Esso,
1.Feiten
[betrokkene 1]) is bestuurder en aandeelhouder van DPW. Tankstation De Paal werd tussen 1973 en 1993 geëxploiteerd door de wijlen vader van [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 2]). Deze exploiteerde in 1973 en daarvoor al tankstation De Parckelaer, gelegen aan de provinciale weg Apeldoorn-Deventer.
Toewijzingsregeling) in aanmerking voor een exploitatievergunning voor een benzinestation langs de A1. [betrokkene 2] behoorde tot de groep handelaren die worden aangeduid als ‘de toegewezen exploitanten’: handelaren die bij wijze van compensatie de mogelijkheid aangeboden kregen een tankstation aan de nieuwe snelweg te exploiteren.
de exploitatieovereenkomst’. [6]
‘company owned, dealer operated’)
.De Paal is daar een voorbeeld van.
‘dealer owned, dealer operated’), wat inhoudt dat de exploitant de economisch eigenaar is. DODO-tankstations kunnen wél kortingen krijgen op de inkoopprijzen die staan opgenomen op de landelijke prijslijst van de oliemaatschappij.
“de prijs waartegen oliemaatschappij op de dag der levering aardolieprodukten van dezelfde kwaliteit in de zone, waar het onderhavige station is gesitueerd, algemeen aan gecontracteerde (rijkswegstation) handelaren verkoopt. (...)”(…).
Wat van de door DPW in dat verband geuite verwijten en bezwaren verder zij, de toewijzingsregeling en artikel 4 van Pro de exploitatieovereenkomst bieden haar in deze strijd geen wapen, omdat uit die regelingen noch naar de letterlijke tekst, noch naar de strekking, noch bij wijze van redelijke uitleg voortvloeit dat DPW aanspraak kan maken op de prijzen die Esso (na 1992) aan DODO's als De Parckelaer in rekening heeft gebracht. Het ontbreekt aan toereikende aanknopingspunten om aan te nemen dat de opstellers van de exploitatieovereenkomst in 1972 hebben beoogd om te garanderen dat gedupeerden als DPW onder alle omstandigheden, waaronder de huidige, kunnen profiteren van de prijzen die vrije exploitanten (DODO's) op basis van hun specifieke onderhandelingspositie in vrije concurrentie zouden kunnen bedingen. Esso heeft gemotiveerd - en door DPW onvoldoende weersproken - uiteengezet dat en waarom zij na 1992 de kortingen is gaan toepassen waarmee zij de DODO's per saldo lagere prijzen is gaan rekenen. Esso heeft toegelicht dat zulks in het bijzonder verband hield met het feit dat de contracten met deze exploitanten een kortere looptijd kregen, zodat het voor de oliemaatschappijen niet langer loonde om (een deel van) de investeringen in het tankstation voor hun rekening te nemen. De vrije exploitanten hebben vervolgens, zo begrijpt het hof, hun concurrentiepositie benut om kortingen te bedingen, zulks mede ter compensatie van de ongunstiger positie waarin zij op dit punt, ten opzichte van de CODO's waren komen te verkeren. Dat de positie van DPW (...) weer afwijkt van de andere CODO's is geen reden om anders te oordelen over de uitleg van artikel 4 van Pro de exploitatieovereenkomst. Voor laatstgenoemde exploitanten, wier inkomen door de oliemaatschappij zowel aan de onder- als de bovenzijde is gefixeerd, zijn de inkoopprijzen weliswaar mogelijk van geringer belang dan voor DPW, maar DPW heeft op haar beurt het voordeel dat zij, anders dan deze andere CODO's, haar exploitatie in vergaande mate zelf kan inrichten en dat zij de inkomsten uit de shop mag behouden, hetgeen ook volgens DPW zelf een zeer omvangrijke bron van inkomsten oplevert. Mede in dat licht bezien heeft DPW onvoldoende beargumenteerd dat en waarom de beschermende strekking van meergenoemde regelingen meebrengt dat Esso haar wat betreft de prijsstelling niet als een CODO heeft mogen behandelen. Welke winst Esso met deze prijsstellingen/of bij verkoop van haar rechten realiseert is in dit verband niet van doorslaggevend belang, zo min als de omstandigheid dat Esso in 1972 niet heeft hoeven betalen om haar rechten te verwerven.
2.Procesverloop
de rechtbank) de vorderingen van DPW afgewezen en (alleen) de geliquideerde proceskosten toegewezen. [12] Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vorderingen van DPW strijdig met de beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, waaraan gezag van gewijsde toekomt (rov. 4.1-4.5). Een veroordeling in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten acht de rechtbank echter niet aan de orde omdat de vorderingen niet zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan DPW de onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (rov. 4.7-4.8).
het hof) het bestreden vonnis bekrachtigd en DPW op basis van de daarvoor geldende forfaitaire tarieven in de proceskosten van het hoger beroep veroordeeld. Daartoe heeft het hof, samengevat, het volgende overwogen:
“veroordeling van [DPW] in de werkelijke, volledige kosten van het geding in cassatie, zulks nader te specificeren bij de nota van dupliek, althans in de kosten van het geding in cassatie (…).”Esso heeft evenwel afgezien van dupliek; een kostenspecificatie is niet overgelegd.
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
geensoelaas biedt voor het probleem waarvoor DPW zich sedert 1992 zag gesteld, te weten dat zij (net als de overige CODO’s) zonder steun van de BOVAG niet in staat is gebleken te bedingen dat de marges werden aangepast.
ookmet het exploiteren van een shop. [34]
magonderhandelen over de prijs betekent niet dat zij dat ook
moetdoen.
subonderdeel III.1zien opnieuw op rov. 6.4.6 en moeten m.i. falen.
rendabeleexploitatie op te zetten. Niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat dit doel niet meebrengt dat DPW als toegewezen handelaar recht had op een (na onderhandeling tot stand te komen) lagere prijs dan aan andere CODO’s in rekening wordt gebracht.
subonderdeel III.2wordt opgekomen tegen rov. 6.4.7, waarin het hof heeft overwogen dat DPW geen andere omstandigheden heeft aangedragen die nopen tot de door haar voorgestane uitleg van artikel 4 van Pro de exploitatieovereenkomst.