Conclusie
dominant cause’) van de schade moeten worden aangemerkt. Zonder de storm zouden de hagelstenen immers niet zo groot zijn geworden en niet zo hard hebben ingeslagen.
dominant cause-leer heeft het hof tot het oordeel gebracht dat de geconstateerde schade als het gevolg van de hagel moet worden aangemerkt (en dus niet (mede) als gevolg van de storm).
dominant cause-leer heeft toegepast: een uit het Engelse verzekeringsrecht overgewaaide causaliteitsleer, waarbij het gezond verstand (
common sense) leidend is en die inhoudt dat, indien de schade meer dan één oorzaak heeft, gezocht moet worden naar de
dominante oorzaak. [1]
1.Feiten
gebouwendie volgens het verzekeringsbewijs verzekerd zijn op deze voorwaarden, als de schade is ontstaan door:
storm, tenzij de schade is ontstaan aan
gebouwendie aan drie of meer zijden open zijn. (...) Onder schade door
stormverstaan wij niet de schade die tijdens de
stormdoor de inslag van
hagelis ontstaan.” [4]
bedrijfsgebouwendie volgens het verzekeringsbewijs verzekerd zijn op deze voorwaarden, als de schade is ontstaan door
hagel.”
Hagel
een bijzonder zware onweersbui, welke veelal gepaard gaat met zware neerslag, zware windstoten, grootschalige onweersactiviteit en grote hagelstenen”. Volgens een persbericht van het KNMI vielen op een aantal plaatsen hagelstenen met een doorsnede van 4-6 centimeter en lokaal zelfs stenen van 7-10 cm. [6]
2.Procesverloop
storm, tenzij de schade is ontstaan aan gebouwen die aan drie of meer zijden open zijn.(…)” Interpolis heeft als verweer gevoerd dat de door [eisers] geclaimde hagelschade niet is gedekt onder de verzekering. Zij heeft daartoe verwezen naar de in de versie 5.4 en 5.5 opgenomen dekkingsomschrijving van storm, waarin de volgende toevoeging is opgenomen: “
Onder schade doorstormverstaan wij niet de schade die tijdens destormdoor de inslag vanhagelis ontstaan.”
Onder schade doorstormverstaan wij niet de schade die tijdens destormdoor de inslag vanhagelis ontstaan.” in versies 5.4 en 5.4 van de verzekeringsvoorwaarden (randnummer 2.2 hiervoor), omdat deze zin in versie 5.3 niet voorkwam en Interpolis [eisers] niet over deze ‘wijziging’ heeft geïnformeerd, verworpen. Volgens de rechtbank is slechts sprake geweest van een verduidelijking. [eisers] hadden dit naar het oordeel van de rechtbank kunnen begrijpen.
‘U ontvangt dan een brief met een nieuw verzekeringsbewijs en een overzicht van de eventuele wijzigingen.’[eisers] stelt dat hij zo’n brief nooit heeft ontvangen; hij kreeg de (nieuwe) verzekeringsvoorwaarden per CD-rom toegestuurd (…).”
Onder schade doorstormverstaan wij niet de schade die tijdens destormdoor de inslag vanhagelis ontstaan” toe te voegen aan de dekkingsomschrijving van schade veroorzaakt door storm. [eisers] achten zich niet gebonden aan deze wijziging, althans zij zijn van mening dat Interpolis daarop geen beroep toekomt. [11]
wijzigingvan de polisvoorwaarde(n), maar slechts van een
verduidelijking:
Ik weet dat dit een verduidelijking is die Interpolis heeft aangebracht in de versies vanaf 2015. Het is niet zo dat deze schade onder de eerdere verzekeringen wel werd gedekt. Het stond alleen niet zo expliciet genoemd. Waarom dit er zo ingekomen is moet u aan Interpolis vragen maar ik denk dat het erin is gekomen omdat het er nu duidelijker in staat.” [betrokkene 2] (assurantieadviseur/risicospecialist) verklaart hierover: “
Dit is een verduidelijking van Interpolis. Er waren nog steeds verzekerden die wezen op de situatie van voor 1998 waarbij hagelschade onder stormschade werd gevat. Ik denk dat Interpolis daarom deze verduidelijking heeft aangebracht, om deze discussie te voorkomen.” En tot slot verklaart [betrokkene 3] (manager verzekeringen) hierover: “
Ik weet dat het beleid van dekking bij hagelschades bij Interpolis gewijzigd is. Ik weet niet meer op welke datum dat gebeurd is.
alle gebouwen; 2: inbraak, diefstal, water c.a.
bedrijfsgebouwen; 3: inbraak, diefstal, water c.a.
woningen; 4: opsporing breuk en defect waterschade
woningen; 5: ruitbreuk woningen; 6: hagel
bedrijfsgebouwen; 7: machine en elektronica
bedrijfsgebouwen), waarvan de paragrafen 2, 6 en 7 dus enkel gelden voor bedrijfsgebouwen. Uit de verzekeringsvoorwaarden versie 5.3 van Interpolis in samenhang gelezen met de polis van [eisers] blijkt genoegzaam dat de gebouwen verzekerd zijn tegen onder meer stormschade en dat storm wordt omschreven als een windsnelheid van tenminste 14 meter per seconde. (…)”
een bijzonder zware onweersbui, welke veelal gepaard gaat met zware neerslag, zeer zware windstoten (...), grootschalige onweersactiviteit en grote hagelstenen.” Door de opgaande en neergaande luchtbewegingen kan de aangroei van hagel lang doorgaan en dat is ook de reden dat “
de hagelstenen uit een supercel in de regel groter zijn dan uit een reguliere (hagel)bui.” En tot slot in antwoord op de vraag welke benaming wordt gegeven aan “de objecten” die uit de lucht vielen (op 23 juni 2016): “
Deze objecten hebben de benaming hagel, ongeacht de vorm, de afmeting of het gewicht van deze objecten.” In het persbericht van de [lees: het] KNMI over het weer op 23 juni 2016 (dat ook bedoeld is voor de gemiddelde krantenlezer, zo verstaat het hof) wordt beschreven dat de supercel die over het zuidoosten van Brabant trok zeer grote schade veroorzaakte, met name door hagelstenen. (…)”
Contra proferentem regel’, het beroep van [eisers] op uitleg in hun voordeel als volgt beoordeeld:
De rechtens relevante schadeoorzaak – dominant cause leer’ geoordeeld over rov. 4.17. van het vonnis van de rechtbank (hiervoor randnummer 2.5) waarvan de tekst als volgt luidt:
Op 23 juni 2016 was er tijdens de hagelbui sprake van windsnelheden in dezelfde orde [van] grootte als de maximale valsnelheid van de hagel. Als gevolg van deze situatie nam de kinetische energie van de beschouwde hagel met 89% toe (verdubbelde bijna) en was de impact op verticale vlakken nagenoeg gelijk aan die op horizontale vlakken. Ook op schuine vlakken was de impact van de hagel door deze windinvloeden veel groter. Hieronder konden hagelstenen, die ander[s] niet genoeg kinetische energie hadden bezeten om schade te kunnen veroorzaken, alsnog het geconstateerde verwoestende effect hebben. (...) Hagelstenen van een dergelijke omvang [diameter van 5 cm, toev. hof] blijken deuken in stalen sandwichelementen te kunnen veroorzaken bij windsnelheden vanaf 11 m/s. Deze snelheden zijn tijdens de betreffende hagelbui veelvuldig gehaald en ook ruim overstegen. (...) Bij gevels en steile daken (in het geval van stalen sandwichpanelen boven de 70°) kan de gegeven hagelbui alleen schade veroorzaakt hebben onder invloed van wind.” Volgens [A] is de mate en plaats van de schade (deuken) bij de metalen geveldelen (van het gebouw van de familie […] , toev. hof) eenduidig en alleen te herleiden naar de wind (-snelheden en -richtingen). [eisers] concludeert dan ook dat de rechtens relevante oorzaak van de schade daarmee de storm is en dat sprake is van een gedekt evenement. Interpolis betwist dit.”
dominant cause-leer:
Op donderdagavond 23 juni 2016 zijn er in de regio [vestigingsplaats] en omstreken zware hagelbuien geweest met hagelstenen ter grootte van tennisballen en groter. (...) De golfplaten daken zijn op zeer veel plaatsen geperforeerd met gaten van enkele centimeters tot een doorsnede van 10 tot wel 20 cm. (...) De stalen dakplaten op gebouw 105, 107, en gebouw 116 zijn zichtbaar geraakt en licht gedeukt. (...) De zonnepanelen zijn niet zichtbaar beschadigd. De stalen gevelplaten vertonen deuken.” Een en ander wordt verduidelijkt met foto’s. De conclusie in het rapport luidt: “
Op basis van ons onderzoek van het schadebeeld in het algemeen en de gaten in detail, concludeerden wij dat de beschadigingen in de vorm van gaten in de golfplaten en deuken in de stalen dak- en gevelplaten het gevolg zijn van de hagel.” En verderop over het schadebedrag: “
Door de grote hoeveelheid golfplaten welke door de hagel zijn geperforeerd, moeten de golfplaten daken als verloren worden beschouwd en in het geheel vervangen.’’ Uit dit expertiserapport – dat niet is bestreden – leidt het hof af dat de schade aan de gebouwen (daken) van [eisers] is veroorzaakt door de (inslag van de) hagelstenen. Ook een gemiddeld persoon met gezond verstand zal deze geconstateerde schade niet beschouwen als het gevolg van de storm maar van de hagel. Het onderzoeksrapport van [A] dat in hoge mate op exacte (natuurkundige) basis en berekeningen (over hellingshoeken, wind en de extra kinetische energie die aan de hagelstenen door de wind is gegeven) tracht aannemelijk te maken dat de schade “
eenduidig en alleen(!)” is te herleiden tot de windsnelheid en -richting) doet geen afbreuk aan de rechtens relevante oorzaak van de geconstateerde schade die is veroorzaakt door de (grote) hagel(stenen). Opvallend is overigens dat de zonnepanelen geen deuken/gaten hebben opgelopen door de hagel, maar dit terzijde. De bewijsaanbiedingen van [eisers] (memorie van grieven sub 143) missen verdere relevantie nu deze niet ter zake dienend zijn voor de beslissing van het hof dat hier sprake is van hagelschade waarvoor geen dekking onder stormschade is. De conclusie is dat grief IV ook faalt.”
3.Het cassatiemiddel
neerslag in de vorm van ijskorrels”). In dit verband merken [eisers] op dat zij hebben betoogd dat ijsbollen tot 10 cm doorsnee niet als ‘korrels’ kunnen worden aangemerkt. Daarnaast heeft het hof volgens [eisers] miskend dat het schadebeeld niet bepalend is voor de rechtens relevante oorzaak van de schade, althans is het zonder afdoende motivering voorbijgegaan aan het standpunt van [eisers] dat hier de storm de dominante oorzaak is van (in ieder geval een belangrijk deel van) de schade. Zonder de supercel waren de ijsbollen van deze omvang immers niet ontstaan en waren zij ook niet ingeslagen op de wijze waarop dat op 23 juni 2016 is gebeurd.
dominant cause-leer moet worden toegepast in de onderhavige zaak (rov. 2.13) en dat een gemiddeld persoon met gezond verstand de geconstateerde schade niet zal beschouwen als het gevolg van de storm maar van de hagel (rov. 2.14).
dominant cause-leer moet worden toegepast (rov. 2.13), aan de kaak stelt. Omdat causaliteitskwesties zoals die in de onderhavige zaak aan de orde zijn, vaker rijzen en het beeld in feitenrechtspraak en literatuur niet eenduidig is, ga ik hierna in paragraaf 4 eerst uitgebreid in op causaliteit in het verzekeringsrecht.
[…] /Unigarant-arrest, waaruit, kort samengevat, volgt dat in causaliteitskwesties als de onderhavige de (inhoud van de) verzekeringsovereenkomst vooropstaat (randnummers 4.7 tot en met 4.13). Vervolgens worden verschillende causaliteitsleren besproken die in het verzekeringsrecht een rol spelen (of hebben gespeeld) en die inspiratie kunnen geven in het kader van uitleg van de overeenkomst of een rol kunnen spelen langs de weg van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (randnummers 4.15 e.v.), waaronder de
causa remota-leer (randnummers 4.21 tot en met 4.25), de leer van de toerekening naar redelijkheid (randnummers 4.26 tot en met 4.49) en de
causa proxima-leer, waaruit de
dominant cause-leer is voortgekomen (randnummers 4.54 tot en met 4.72). Hierna besteed ik aandacht aan oplossingen die in de literatuur naar voren zijn gebracht voor het probleem van samenwerkende oorzaken (randnummers 4.73 tot en met 4.83). Het gaat daarbij in het bijzonder om het geval waarin bijvoorbeeld twee oorzaken tot schade hebben geleid en één van de oorzaken wel onder de verzekeringsdekking valt, maar de andere niet. Ik sluit af met een eindbalans (randnummers 4.88 tot en met 4.93).
4.Causaliteit in het verzekeringsrecht
[…] /Unigarant-arrest
causa remota-leer
Causa proximaen
dominant cause
Inleiding
eenszijn over de oorzaak van de schade en deze oorzaak onder de dekking valt, is er geen probleem: de verzekeraar is dan tot uitkering gehouden, op voorwaarde dat aan alle overige (wettelijke en contractuele) vereisten voor het bestaan van het recht op uitkering is voldaan. [17]
dominante oorzaakmoet worden aangewezen), terwijl volgens Interpolis de schade is ontstaan door hagel (althans de hagel als dominante oorzaak moet worden aangewezen).
causaliteitwordt aan casusposities als deze aandacht besteed in de verzekeringsrechtelijke literatuur. Het thema behoort tot de lastiger onderwerpen van het verzekeringsrecht. Vele auteurs, onder wie ook grote namen in het verzekeringsrecht als Offerhaus, Dorhout Mees en Mijnssen, hebben zich met dit onderwerp beziggehouden en daarbij uiteenlopende accenten gelegd. Daarbij komt dat ook van een ontwikkeling in de tijd sprake is: net als in het aansprakelijkheidsrecht geldt dat een causaliteitsleer die in een bepaalde periode rechtspraak en literatuur heeft beheerst in een latere periode wordt bijgesteld of zelfs door een andere leer wordt verdrongen. Uit de literatuur en uit de feitenrechtspraak blijkt dat de huidige stand van zaken niet duidelijk is en dat verschillende opvattingen als geldend recht worden gepresenteerd. In deze paragraaf probeer ik niet alleen een adequate stand van zaken te geven, maar zal ik waar nodig ook kleur bekennen.
[…] /Unigarant-arrest van Uw Raad. [20] Uit dit arrest volgt – een meer uitvoerige bespreking komt straks – dat primair de verzekeringsovereenkomst bepalend is. In elke verzekeringsovereenkomst wordt, zij het niet steeds in dezelfde woorden (en ook niet steeds op dezelfde manier), [21] een causaal verband verlangd tussen de door verzekerde geleden schade en een gedekte oorzaak. De verzekeringsovereenkomst brengt steeds een bepaalde
causaliteitseismee – en mogelijk zelfs een keuze voor een
causaliteitsleer(bijvoorbeeld de leer van de toerekening naar redelijkheid), al lijkt dit eerder theorie dan praktijk [22] – die dan tussen verzekerde en verzekeraar geldt. De verzekeringsovereenkomst kan bijvoorbeeld bepalen dat de verzekerde alleen dan dekking heeft voor een bepaald risico, als de verwezenlijking van dit risico
rechtstreeks, dus zonder tussenkomende medeoorzaken, tot de schade heeft geleid. [23] Welk causaliteitsvereiste uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeit, is, een kwestie van uitleg van de verzekeringsvoorwaarden in het licht van inhoud en strekking van de verzekering.
dominant cause-leer die het hof blijkens rov. 2.13 van het bestreden arrest van toepassing heeft geacht in de onderhavige zaak. Deze causaliteitsleren komen na de bespreking van het
[…] /Unigarant-arrest aan bod. Dat geldt ook voor de vraag of aan één van deze leren algemene gelding toekomt.
Het […] /Unigarant-arrest
causaliteitseisinhouden. [26] Een dergelijk vereiste kan bijvoorbeeld besloten liggen in de definitie van het verzekerde evenement. Zo kan men bij ongevallenverzekering in de verzekeringsvoorwaarden de volgende definitie van het begrip ongeval tegenkomen:
OngevalEen plotseling van buitenaf komend, onvrijwillig op het lichaam van verzekerde inwerkend geweld, dat rechtstreeks en uitsluitend objectief geneeskundig vast te stellen lichamelijk letsel veroorzaakt, met het overlijden of blijvende invaliditeit als gevolg.” [27]
[…] /Unigarant-arrest in de kern heeft geoordeeld.
elke in de toekomst niet voor verbetering vatbare beschadiging van het lichaam (zowel naar bouw als naar verrichtingen) en/of de geest, als rechtstreeks gevolg van het ongeval”. […] stelde dat hij door het ongeval lichamelijk letsel had opgelopen aan zijn rechterschouder, waardoor hij blijvend invalide zou zijn geworden. Unigarant was het daar niet mee eens. Volgens Unigarant leed […] aan een psychische stoornis: conversie-hysterie. […] toestand moest volgens Unigarant niet aan het hem overkomen ongeval, maar aan zijn psychische stoornis worden verweten.
een kans van mogelijk 10% bestaat dat het ongeval als medeoorzaak van het naar buiten treden van de conversie-hysterie kan worden aangemerkt”. De rechtbank wees vervolgens een bedrag van 10% van ƒ 75.000,-- (de maximale uitkering van 75% van het verzekerde bedrag bij geheel verlies van de functie van de rechterarm), dus van ƒ 7.500,-- toe.
Tussenconclusie: inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst staan voorop
[…] /Unigarant-arrest leert dat bij de beoordeling of een in een verzekering vereist [29] causaal verband aanwezig is, de voor (wettelijke) aansprakelijkheid geldende leer van de toerekening naar redelijkheid (art. 6:98 BW Pro) niet aan de orde is. Het gaat om het in de verzekeringsovereenkomst verlangde causaal verband. Bij de beantwoording van de vraag of het in de verzekeringsovereenkomst verlangde causaal verband aanwezig is, komt het, zoals Uw Raad het heeft verwoord, “
in de eerste plaats aan op inhoud en strekking van die overeenkomst en, zo daarover geschil bestaat, op uitleg van die overeenkomst.” [30]
Causaliteitsleren in het verzekeringsrecht
[…] /Unigarant-arrest gegeven maatstaf. Tegelijkertijd is dit ook geen panacee en blijft in een aantal gevallen een duidelijk antwoord uit. De wet biedt op dit punt geen hulp: in de aan de overeenkomst van verzekering gewijde titel 7.17 BW wordt, anders dan in het schadevergoedingsrecht (art. 6:98 BW Pro; toerekening naar redelijkheid), geen causaliteitsmaatstaf voorgeschreven of aangereikt.
causa remota-leer, die als een toepassing van de leer van de adequate veroorzaking wordt gezien;
condicio sine qua non-leer genoemd. [34] Volgens deze leer heeft elke gebeurtenis of omstandigheid zonder welke de schade niet zou zijn ontstaan, als oorzaak van de schade te gelden. Toepassing van de
condicio sine qua non-leer houdt dus in dat men zich in een ‘wegdenkoefening’ afvraagt door welke oorzaken de schade is ontstaan. Men beperkt zich daarbij overigens tot oorzaken die juridisch relevant zijn, in het licht van de verzekeringsvoorwaarden en het debat dat verzekerde en verzekeraar met elkaar voeren. [35] In de onderhavige zaak bijvoorbeeld twisten [eisers] en Interpolis over de vraag of de schade is veroorzaakt door storm (standpunt [eisers] ) of door hagel (standpunt Interpolis).
condicio sine qua non-leer is van belang, omdat deze leer een soort minimumvereiste stelt: een gebeurtenis die
nietin een
condicio sine qua non-verband staat tot de schade, kan niet als oorzaak van de schade worden aangewezen en kan dus verder worden genegeerd. De
condicio sine qua non-leer biedt echter geen uitkomst in gevallen waarin de schade door meerdere gebeurtenissen is veroorzaakt. De leer wijst dan meerdere oorzaken aan en biedt daarin geen keuze. [36] Juist daarom komen andere causaliteitsleren in beeld. Dat is in het verzekeringsrecht niet anders dan in het aansprakelijkheidsrecht. En net als het aansprakelijkheidsrecht heeft ook het verzekeringsrecht hier een ontwikkeling doorgemaakt: in verschillende periodes hebben ook verschillende leren de boventoon gevoerd.
causa remota-leer (randnummers 4.21 e.v.): als ‘de’ oorzaak moet worden aangewezen de oorzaak die in de tijd het meest ver van het gevolg verwijderd is en waarvan redelijkerwijs te verwachten was dat die het gevolg teweeg zou brengen. Vervolgens werd de discussie in de literatuur beheerst door de vraag of, net als in het aansprakelijkheidsrecht, de leer van de toerekening naar redelijkheid (randnummers 4.26 e.v.) bepalend zou moeten worden geacht. [37] De laatste jaren is de uit Engeland afkomstige
dominant cause-leer in opkomst (randnummers 4.54 e.v.). Deze leer betreft een uitwerking van de
causa proxima-leer, volgens welke uitgegaan moet worden van de oorzaak die in de tijd het dichtst bij het ontstaan van de schade ligt.
De causa remota-leer
causa remota(de meest verwijderde oorzaak) bepalend is. [38] Dat zien we duidelijk terug in de oudere literatuur. Zo hebben Star Busmann en Zevenbergen bijvoorbeeld het volgende gesteld:
meest verwijderdegebeurtenis als oorzaak eener schade beschouwen. Men moet vanaf de schade zelve langs de causaliteitsketen, die haar met het verleden verbindt, zóó ver opklimmen als voor menschelijke waarneming vatbaar is en die laatste gebeurtenis
de oorzaakder schade noemen.
Men moet zich bij die opklimming er echter voor hoeden, dat men niet op zijwegen afdwaalt, maar onder de gebeurtenissen, die een gevolg hebben teweeggebracht, alleen die gebeurtenis de oorzaak van dat gevolg noemen, die blijkens de algemeen menschelijke ervaring dat gevolg als regel teweegbrengt.” [40]
de meest verwijderde gebeurtenis, die bij normale gang van zaken (of: naar redelijkerwijs was te verwachten) dat gevolg te weeg moest brengen”. [41] Hij heeft daarbij vermeld dat deze leer in het strafrecht de leer der adequate veroorzaking wordt genoemd [42] en dat alle auteurs het erover eens zijn dat deze leer ook voor het verzekeringsrecht moet worden aanvaard. [43]
causa remota-variant, ook in het verzekeringsrecht gelden. [44]
het verst verwijderde feit van waaraf de schade het naar ervaringsregelen redelijkerwijs te verwachten gevolg was” (‘causa remota’).
De leer van de toerekening naar redelijkheid
[…] /Unigarant-arrest uit 1993 de discussie over rol en betekenis van de toerekening naar redelijkheid in het verzekeringsrecht sterk heeft beïnvloed.
Algemeen deel van het schadeverzekeringsrecht, verschenen in 1998 en dus na het arrest
[…] /Unigarant, heeft Mijnssen betoogd, dat niet gezegd kan worden dat een van deze ‘regels’ (de causaliteitsleren) met uitsluiting van de andere moet worden toegepast bij beantwoording van de vraag of een gebeurtenis als oorzaak moet worden beschouwd. Voor beantwoording van die vraag komt het in eerste instantie aan op inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst. [57] In dit verband heeft Mijnssen het
[…] /Unigarant-arrest besproken. Uit zijn betoog blijkt dat Mijnssen bij inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst een belangrijke rol weggelegd ziet voor de ‘aard’ van de verzekering. De aard van de verzekering zal dikwijls meebrengen dat de schade door de verzekeraar vergoed dient te worden, ongeacht of de gebeurtenis die de directe oorzaak van de schade is, zelf een andere, verder verwijderde oorzaak heeft. Dit laatste is volgens Mijnssen slechts anders indien de verzekeraar niet aansprakelijk is voor de gevolgen van zo’n verwijderde oorzaak:
[…] /Unigarantuit 1993 heeft Uw Raad de betekenis van inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst (en, zo daarover verschil van opvatting bestaat, uitleg) nog eens onderstreept. Toerekening naar redelijkheid komt dan pas (al dan niet via de aanvullende werking van art. 6:248 lid 1 BW Pro) in beeld als deze eerste stap geen oplossing geeft: voor de een als algemeen richtsnoer (Dommering-van Rongen), voor de ander als één van de mogelijke richtsnoeren (Mijnssen in de druk uit 1998).
[…] /Unigaranttegenwoordig – niet verrassend – steeds als uitgangspunt genomen. [61] Verschillende auteurs, wier opvattingen hierna aan de orde komen, zien daarbij ruimte, de een meer dan de ander, voor toepassing van de toerekening naar redelijkheid (al dan niet in de schadevergoedingsrechtelijke variant (art. 6:98 BW Pro)), terwijl anderen daarvan juist afstand nemen en in plaats daarvan toepassing van de leer van de
dominant causebepleiten.
causa proximamoeten worden gehanteerd. [67] Met name bij aansprakelijkheidsverzekering zou toepassing van de leer van de toerekening naar redelijkheid (in de schadevergoedingsrechtelijke variant) echter voor de hand liggen. [68]
[…] /Unigarantniet is uitgespeeld, blijkt bijvoorbeeld ook uit een bijdrage van Franken uit 2000. [70] Nadat hij het
[…] /Unigarant-arrest heeft vooropgesteld, betoogt Franken dat, juist omdat verzekeren inhoudt dat men bewust risico’s verdeelt, bij het beantwoorden van de vraag of de schade in verband staat met een verzekerde gebeurtenis, de voorzienbaarheid uitgangspunt is, zulks “
uit hoofde van partijbedoeling respectievelijk -verwachting”. De aard (‘inhoud en strekking’) van de overeenkomst kan echter anders meebrengen. Franken geeft in dit verband aan dat naast de tekst van de overeenkomst dan met name gedacht moet worden aan de aard van het verzekerde belang en de aard van de bepaling. Wat Franken betreft brengt de aard van de
aansprakelijkheidsverzekeringbijvoorbeeld mee dat voor deze verzekering de leer van de toerekening naar redelijkheid (in de schadevergoedingsrechtelijke variant) geldt. Bij objectverzekering brengt de aard van het verzekerde belang veelal juist mee dat een nauwer causaal verband wordt aangenomen: de
causa proximaof meest dominante oorzaak is maatgevend; dat lijkt dus een referte aan
dominant cause. Bij persoonsverzekeringen [71] zal volgens Franken de aard van het verzekerde belang veelal een ruime toerekening billijken, waarmee hij, als ik het goed begrijp, ook op toepassing van de toerekening naar redelijkheid (in de schadevergoedingsrechtelijke variant) doelt. [72]
[…] /Unigarant-arrest niet aan toepassing van de leer van de toerekening naar redelijkheid in de weg hoeft te staan. Volgens Blom heeft Uw Raad geoordeeld dat de toerekeningsmaatstaf in de eerste plaats wordt bepaald door polisuitleg. Volgens Blom sluit dit niet uit dat daarbij de leer van de toerekening naar redelijkheid wordt gehanteerd. [73]
condicio sine qua non, A-G], de AQT [de leer van de adequate veroorzaking, A-G] en de TNR [toerekening naar redelijkheid, A-G] een nuttige functie vervullen.” [74]
[…] /Unigarant-arrest leidt zij – op zich terecht – af dat art. 6:98 BW Pro niet van toepassing is in het verzekeringsrecht. [79] Volgens haar leent de leer van de toerekening naar redelijkheid zich ook niet goed voor toepassing in het verzekeringsrecht:
Asser-bewerking aan haar zijde. Ook zij zien weinig ruimte voor de leer van de toerekening naar redelijkheid:
Verzekeringsrecht(R&P nr. VR2) 2015/14.4.2. Anders WERY/MENDEL,
Hoofdzaken verzekeringsrecht2017, par. 2.7. volgens wie – zo uitleg niets oplevert – dan toepassing van de leer van de toerekening naar redelijkheid ook in het verzekeringsrecht op zichzelf mogelijk is. In die zin ook BLOM, diss. 2006, p. 2 e.v., en p. 265. BROUWER, t.a.p., nr. 14.4.2, kiest in dat geval voor de leer van de ‘dominant cause’. (…)” [82]
Asser-bewerkers op dat wel uit de polisvoorwaarden kan voortvloeien dat de leer van de toerekening naar redelijkheid de bepalende causaliteitsmaatstaf vormt:
Tussenconclusie: verdeeldheid over rol en betekenis van toerekening naar redelijkheid in het verzekeringsrecht
causa remota-leer. Deze leer hield in dat als ‘de’ oorzaak moet worden aangewezen de oorzaak die in de tijd het meest ver van het gevolg is verwijderd en waarvan redelijkerwijs was te verwachten dat die het gevolg teweeg zou brengen. In de literatuur werd opgemerkt dat deze theorie niet meer is dan een variant op de leer van de adequate veroorzaking.
[…] /Unigarant-arrest wordt in de literatuur algemeen aangenomen – terecht – dat het bij de beantwoording van de vraag of het in de verzekeringsovereenkomst verlangde causaal verband aanwezig is, in de eerste plaats aankomt op, zoals Uw Raad het heeft verwoord, “
inhoud en strekking van die overeenkomst en, zo daarover geschil bestaat, op uitleg van die overeenkomst.” Men blijft echter in de literatuur een mogelijkheid zien voor toepassing van de leer van toerekening naar redelijkheid, juist in het kader van de door
[…] /Unigarantverlangde uitleg en anders via de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW Pro). In het oog springt dat daarbij nadrukkelijk wordt gedacht aan differentiatie al gelang naar de aard van de verzekering. Bij aansprakelijkheidsverzekering en de schadeverzekering voor inzittenden wordt daarbij bijvoorbeeld gedacht aan toerekening naar redelijkheid in de zin van art. 6:98 BW Pro, terwijl bij andere verzekeringen, objectverzekeringen bijvoorbeeld wordt gedacht aan de leer van de adequate veroorzaking en de hierna nog te bespreken
dominant cause-leer. Hierna zal ik nog uitwerken dat ik wel heil zie in een verzekeringsrechtelijke variant van de toerekening naar redelijkheid, waarin dan plaats is voor de zojuist genoemde differentiatie (randnummer 4.89).
dominant cause-leer, die nu besproken zal worden. De oorsprong van deze leer ligt in de
causa proxima-leer.
Causa proxima en dominant cause
causa remota) beslissend is, maar juist de oorzaak die in de tijd het dichtst bij het ontstaan van de schade ligt (
causa proxima), heeft haar oorsprong in Engeland. [84] Deze leer werd ingegeven door vrees voor een nimmer eindigend onderzoek naar oorzaken in het verleden, waartoe de
causa remota-leer aanleiding zou kunnen geven. [85] Zoals zo vaak heeft het zeeverzekeringsrecht hier de weg gewezen. [86]
Leyland v. Norwich Unionuit 1918 wordt de
causa proxima-leer niet meer gehanteerd in het Engelse verzekeringsrecht. [87] Het ging in deze zaak om een door een Duitse onderzeeboot getorpedeerd schip dat naar Le Havre werd gesleept. Het leegpompen van het schip werd belemmerd door een storm. De havenautoriteiten vreesden dat het schip vóór de kade zou zinken. Daarom werd het schip weggesleept, waarna het elders aan de grond raakte en zonk. De verzekeraar weigerde de schade te vergoeden, omdat ‘molest’ (het torpederen van het schip was een oorlogsdaad) van dekking was uitgesloten. De verzekeraar kreeg gelijk: de
House of Lordsverwierp eenparig het beroep tegen de uitspraak dat het torpederen als de oorzaak van de schade moest worden aangemerkt. De
House of Lordszagen het torpederen als de
dominanteoorzaak. [88] De
causa proxima(het wegslepen van het schip op last van de havenautoriteiten) legde het daartegen af.
causa proxima-leer tegenwoordig niet meer wordt gehanteerd. Men gaat niet meer standaard uit van de oorzaak die in de tijd het dichtst bij het ontstaan van de schade ligt (de
causa proxima), maar men zoekt in de plaats daarvan naar de
dominant cause. Birds omschrijft de
dominant cause-leer als volgt:
He must also show that the loss was proximately caused by an insured peril. The proximate cause does not, however, mean the last cause, but the effective, dominant or real cause.” [89] (cursivering van mij, A-G)
proximate cause(te begrijpen als:
the effective, dominant, real cause) is volgens Birds in elke situatie “
strictly a question of fact”. Eerder in de rechtspraak beslechte zaken kunnen daarom slechts als voorbeeld dienen. De daarin gegeven beslissingen zijn niet bindend. Birds merkt voorts op dat de
dominant cause-leer van toepassing kan worden uitgesloten in de verzekeringsvoorwaarden. [90]
proximate causeeen toepassing van het gezond verstand (
common sense) vergt. Birds geeft aan dat dit inderdaad blijkt uit veel van de eerder in de rechtspraak beslechte zaken. [91]
Arnould, Law of Marine Insurance and Average [92] wordt aandacht besteed aan de
dominant cause-leer. Gesproken wordt van ‘the modern doctrine of proximate cause’. Over de zojuist besproken zaak
Leyland v. Norwich Union,een
landmark decision,wordt het volgende vermeld:
Lewland v Norwich Union, the vessel was torpedoed by a German submarine, then brought into harbor, and sank about two days later. The question was whether this was covered as a loss by perils of the seas or excluded as a consequence of hostilities under the f.c & s. [free of capture and seizure, A-G] clause. The House of Lords concluded unanimously that torpedoing was the proximate cause. Lord Dunedin used the adjective “dominant” to describe the test to be applied: “the moment that the two clauses have to be construed together it becomes vital to determine under which expression it falls. The solution will always lie in settling as a question of fact which of the two causes was … the dominant cause of the two”. Lord Shaw stated that: “Where various factors or causes are concurrent, and one has to be selected, the matter is determined as one of fact, and the choice falls upon the one which may be variously ascribed the qualities of reality, predominance, efficiency”.” [93]
causa proxima-leer:
Leyland v Norwich Unionshow that the choice of the dominant cause is to be made according to “a broad common sense view of the whole position”, but this criterion is not always easy to apply; common sense is notoriously a matter on which opinions may differ.” [94]
dominant cause-leer bepleit door Van Huizen, Hendrikse, Brouwer en ook, zoals hiervoor al aan de orde is gekomen, door Wansink en Van Tiggele-van der Velde in de
Asser-serie. [95] In hun publicaties duikt ook het ‘gezond verstand’-aspect steeds op. De leer lijkt zijn populariteit onder Nederlandse auteurs (mede) hieraan te danken.
dominant cause-leer voor het Nederlandse verzekeringsrecht. [96] Het lijkt hem namelijk, “
onverschillig welke leer wordt gehanteerd”, in overeenstemming met “
de huidige Engelse opvatting over de causa proxima” dat gezocht dient te worden naar de meest dominante, inwerkende oorzaak. [97] Volgens Van Huizen past de regel dat gezocht moet worden naar de meest dominante oorzaak zowel binnen de leer van de
causa remotaals binnen de leer van de toerekening naar redelijkheid. We zien hier ook al iets terug van het al genoemde ‘common sense’-aspect; volgens Van Huizen gaat het namelijk om een vraag van gezond verstand. [98]
dominant cause-leer getoond:
[…] /Unigarant-arrest gegeven criterium, A-G] komt erop neer dat men allereerst kijkt of in de verzekeringsvoorwaarden voor een causaliteitscriterium is gekozen, bijvoorbeeld door het gebruik van een woord als ‘rechtstreeks’ hetgeen duidt op een toepassing van de ‘
causa proxima’-leer, en voor zover dit niet het geval is, kiest men voor toepassing van een causaliteitscriterium dat het meest recht doet aan de inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst. In het laatste geval is de uit het Engelse verzekeringsrecht afkomstige ‘
dominant cause’-theorie, welke leer inhoudt dat men op zoek moet gaan naar de rechtens relevante oorzaak of de rechtens relevante oorzaken, over het algemeen het meest passend. Deze theorie ziet het causaliteitsprobleem immers als een vraag van gezond verstand: (…).” [99]
dominant causewel omschreven als het principe dat een gebeurtenis als een oorzaak van de schade kan worden aangemerkt wanneer de daaropvolgende gebeurtenissen geen zelfstandige betekenis hebben en deze zijn terug te voeren op die ene gebeurtenis [Brouwer verwijst hier in voetnoot naar de opvatting van Van Huizen, A-G]. De leer van de
dominant causeis mijns inziens echter veel ruimer: bij toepassing van de
dominant causekan men een gebeurtenis
ofmeer gebeurtenissen als oorza(a)k(en) van de schade aanwijzen wanneer zij effectief de schade rechtens relevant heeft (hebben) veroorzaakt. De
dominant causewordt vastgesteld met behulp van het gezond verstand. Naar mijn mening kunnen zich situaties voordoen waar meer dan één oorzaak als rechtens relevant valt aan te duiden.” [100]
dominant-cause-theorie te zijn omdat deze naar mijn mening steeds leidt tot het meest billijke resultaat. Het gezond verstand speelt immers een belangrijke rol in de vaststelling van de rechtens relevante oorzaak bij de toepassing van de onderhavige causaliteitsmaatstaf. Het gebruikmaken van het gezond verstand bij het hanteren van deze theorie is overigens afkomstig uit de Engelse rechtspraak waar sprake is van ‘common sense of a business or seafaring man’.” [101]
dominant cause-leer:
Transportverzekering1986, p. 152. BROUWER,
NTHR2014/1, p. 1 e.v., bepleit een ruimere invulling: een gebeurtenis kan als oorza(a)k(en) van de schade worden aangewezen wanneer zij effectief de schade rechtens relevant heeft (hebben) veroorzaakt. Steun verdient zij ook waar zij stelt dat indien de verzekeringsovereenkomst niet geacht kan worden voor een bepaald causaliteitscriterium te hebben gekozen, de leer van de dominant cause het meest recht doet aan de inhoud en strekking van de verzekeringsovereenkomst; dit omdat deze steeds leidt tot het meest billijke resultaat. Illustratief daarvoor zijn onder meer de casus in het arrest van 23 april 1982,
NJ1982/620 [lees: 520, A-G] (Che Guevara); Rb. Rotterdam 21 januari 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BH1979,
RAV2009/51, en de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 25 april 2013, nr. 2013-125. (…).” [103]
Che Guavara-arrest [106] van Uw Raad. Het ging in deze zaak om de Noordzeekotter 'Che Guavara', die op 9 juni 1976 zonk bij Bants Balje in de Waddenzee, tijdens een (onder de dekking van de verzekering vallende) reis van Enschede naar Norddeich (Duitsland). De eigenaar van de kotter, Raimond, die zich had weten te redden, deed een beroep op de verzekering die hij bij Kröller had afgesloten. Het ging om een ‘Nederlandse beurs-cascopolis voor de binnenvaart 1966’. Schipbreuk viel onder de dekking, evenals ‘alle andere van buiten aankomende onheilen', echter met uitzondering van particuliere averij, ontstaan door brand, explosie en storm. De rechtbank oordeelde dat van een van buiten komend onheil geen sprake was geweest en evenmin van een ander in de polis genoemd evenement. Daarom behoefde volgens de rechtbank de stelling van Kröller dat het schip door een eigen gebrek, te weten lekkage, was gezonken, geen behandeling. In hoger beroep oordeelde het hof anders. Volgens het hof was sprake van schipbreuk, hetgeen het hof afleidde uit het door Raimond na het zinken van zijn kotter bij Kröller ingediende reisverslag. [107] Uit dit reisverslag leidde het hof echter ook af dat de Che Guavara ten tijde van de ramp ernstig lekte en dus een eigen gebrek had. [108] Het hof oordeelde dat Kröller zich terecht op het standpunt had gesteld dat de Che Guavara door een eigen gebrek verloren was gegaan en dat zij gelet op art. 249 Wetboek Pro van Koophandel [109] niet gehouden was het verlies van het schip te vergoeden. [110] In cassatie werd door Raimond onder meer aangevoerd dat het hof ten onrechte de
causa proxima-leer had toegepast, een leer die volgens hem onder het Nederlandse verzekeringsrecht niet van toepassing was. [111]
dominant cause-leer in het verzekeringsrecht. Uit het in stand laten door Uw Raad van het oordeel van het hof dat de schade is veroorzaakt door het feit dat het schip ernstig lekte en dus een eigen gebrek had, kan dat niet worden afgeleid. In het hof-arrest werd niet gesproken van een ‘naaste’, ‘efficiënte’ of ‘dominante’ oorzaak, hetgeen op toepassing van de
causa proxima-leer of
dominant cause-leer zou duiden. Ik heb ook niet de indruk dat het hof zich heeft laten leiden door een causaliteitsleer. Het hof heeft volgens mij slechts een feitelijk oordeel gegeven en Uw Raad heeft dit oordeel in stand heeft willen laten.
Che Guavara-arrest afleiden. [112] Zo hebben Engel [113] en Mendel [114] uitdrukkelijk aangegeven geen verwijzing naar de
dominant cause-leer (of aanwijzing voor de toepassing ervan) te hebben kunnen vinden in dit arrest. [115]
dominant cause-leer aan populariteit lijkt te winnen, niet alleen, zoals is gebleken, in de literatuur maar ook in de feitenrechtspraak. Inmiddels hebben enkele rechtbanken en hoven, waaronder het hof Arnhem-Leeuwarden in de onderhavige procedure tussen [eisers] en Interpolis (rov. 2.13), de
dominant cause-leer aanvaard althans de mogelijkheid van toepassing van die leer niet verworpen. [116] Ook de Geschillencommissie van het Kifid heeft gekozen voor de
dominant cause-leer. [117] Volgens Overes lijkt de
dominant cause-leer de verzekeringsrechtelijke rechtspraak te gaan ‘domineren’. [118]
dominant cause-leer. Het in dit verband centraal gestelde
common sense-criterium geeft te weinig richting. [119] Wat met de
dominant cause-leer wordt bereikt, het aanwijzen van een ‘rechtens relevante oorzaak’ in het geval meerdere oorzaken zich aandienen, kan bovendien net zo goed binnen een op verzekering toegespitste toerekening naar redelijkheid. [120] Ik wijs in dit verband ook op de wankele basis van de leer waar het om het Nederlandse recht gaat: een richtinggevende uitspraak van Uw Raad is er niet. Op dit punt zit ik dus op eenzelfde spoor als Mendel en Engel (randnummer 4.70 hiervoor). Het is vooral een aantal schrijvers dat zich sterk maakt voor de
dominant cause-leer en dat, het moet gezegd, met enig succes, want in verschillende rechterlijke uitspraken wordt de leer als bepalend aangemerkt. In de eindbalans kom ik hierop nog terug.
Samenwerkende oorzaken
dominant causedus). [133] Verder lijkt ook Blom weinig tot geen ruimte te zien voor een toerekening/verdeling van de schade aan/over meerdere oorzaken. [134]
dominant cause-leer hebben geprofileerd (Van Huizen, Hendrikse en Brouwer), juist wel – en nadrukkelijk – een toerekening van de schade aan meerdere oorzaken, zij het in specifieke gevallen, [135] voor mogelijk houden. Dit zou men bij een (door de auteurs voorgestane) zoektocht naar de
dominanteoorzaak niet direct verwachten. Van Huizen heeft voorgesteld bij de problematiek van de samenwerkende oorzaken geen toevlucht te zoeken in een alles-of-niets-oplossing, waarin men kiest voor dekking of geen dekking, maar in plaats daarvan een middenweg te bewandelen. Hij stelt voor dat verzekeraar en verzekerde in het geval van samenwerkende oorzaken elk een deel van de schade voor hun rekening moeten nemen. In beginsel moeten dat gelijke delen zijn. Een andere verhouding is volgens Van Huizen uitgesloten, omdat dit direct zou impliceren dat er sprake is van een overheersende (dominante) oorzaak, die een verdeling juist overbodig maakt. [136]
[…] /Unigarant-zaak gebeurde: […] kreeg 10% van zijn schade vergoed (omdat 10% van de blijvende invaliidteit van de begunstigde werd toegeschreven aan het ongeval (gedekte oorzaak) en 90% aan de conversie-hysterie (niet onder de polis gedekte oorzaak). Vervolgens betoogt Hendrikse dat als een exacte verdeling niet mogelijk is, gekozen moet worden voor een gelijke verdeling over de oorzaken:
tezamende schade hebben veroorzaakt. Deze situatie wordt door Blom het probleem van de samenwerkende oorzaken genoemd. In een dergelijk geval ligt het naar mijn mening voor de hand om aan elke oorzaak een gelijk schadepercentage toe te rekenen.” [138]
samenwerkende oorzaken, waarbij vaststaat dat zonder de oorzaken de schade niet zou zijn ontstaan maar waarbij men de oorzaken ‘niet uit elkaar kan halen’, en ‘meervoudige causaliteit in het algemeen’, waarbij men dit laatste wel kan (randnummer 4.75 hiervoor). [139] Zij stelt bij
samenwerkende oorzakeneen gelijke verdeling voor, in navolging van Van Huizen (en eigenlijk ook Hendrikse). [140] Bij
meervoudige causaliteit in het algemeenstelt zij een meer precieze proportionele verdeling voor, zodat dan naar rato een uitkeringsverplichting zou ontstaan respectievelijk sprake zou zijn van uitsluiting van dekking. [141]
dominant cause-leer in deze zaak toegepast, omdat partijen het daarover eens waren (rov. 4.6). De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de storm wel
condicio sine qua nonvoor het ontstaan van de schade is geweest, maar niet geacht kan worden een zodanige overheersende invloed te hebben gehad dat deze als
dominant causevan de schade is aan te merken (rov. 4.7.2). Brouwer betreurt dat de rechtbank de mogelijkheid van het aanwijzen van twee dominante oorzaken (en daarmee de mogelijkheid van een gedeeltelijke uitkering) niet in ogenschouw heeft genomen:
Tussenconclusie: verdeeldheid over een eventuele proportionele oplossing
dominant cause-leer (Van Huizen, Hendrikse en Brouwer), nadrukkelijk een proportionele oplossing voor mogelijk houden. Dit is opmerkelijk, omdat de
dominant cause-leer in beginsel leidt tot een zoektocht naar de
dominant causewaaraan de schade vervolgens geheel wordt toegerekend. [144] Daarbij past een proportionele oplossing alleen als men aanvaardt dat de uitkomst van een zoektocht naar de
dominant causekan zijn dat de schade is veroorzaakt door meerdere
dominant causes. Men komt dan echter in de knel met de kern van de leer: als meerdere oorzaken in gelijke mate hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade, is geen daarvan werkelijk ‘dominant’.
Eindbalans
[…] /Unigarant-arrest vooropstaat, ook in het geval van samenwerkende oorzaken. [148] Bij de beantwoording van de vraag of het in de verzekeringsovereenkomst verlangde causaal verband aanwezig is, komt het, zoals Uw Raad het heeft verwoord, “
in de eerste plaats aan op inhoud en strekking van die overeenkomst en, zo daarover geschil bestaat, op uitleg van die overeenkomst.” In lastige gevallen, waarin men er met dit richtsnoer niet uitkomt, zal men, juist in het kader van de door het
[…] /Unigarant-arrest gevraagde uitleg of langs de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, kunnen terugvallen op een causaliteitstheorie, waarvan er meerdere zijn: de
causa remota-leer (een adequatietheorie), de leer van de toerekening naar redelijkheid, de
causa proxima-leer en de daaruit voortgekomen leer van de
dominant cause. Niet gezegd kan worden dat onder het huidige recht één van deze theorieën, met uitsluiting van de andere, toegepast moet worden. [149]
de’leer die, in lastige gevallen, moet worden toegepast. [150] Ik stel me hierbij dan een verzekeringsrechtelijke variant van deze leer voor, waarbij schade wordt toegerekend aan een of meerdere oorzaken in het licht van de (bepalingen van de) verzekeringsovereenkomst, dus in het licht van de (al dan niet geobjectiveerde) bedoelingen en verwachtingen van de verzekeraar en de verzekeringnemer. De aard van de verzekering kan hierbij een rol spelen. Dit zou goed passen bij de centrale overweging van Uw Raad in het
[…] /Unigarant-arrest. Zo’n theorie biedt ook ruimte voor differentiatie: bij de aansprakelijkheidsverzekering en de schadeverzekering voor inzittenden kan men bijvoorbeeld het accent leggen op de toerekening naar redelijkheid zoals art. 6:98 BW Pro die meebrengt, terwijl men bij andere verzekeringen, bijvoorbeeld bij de CAR-verzekering, het accent kan leggen op de
causa proxima. Voor een dergelijke differentiatie, die nu reeds aanhangers heeft, is het aanvaarden van de door mij genoemde overkoepelende variant van de toerekening naar redelijkheid niet nodig. Zelf zie ik er vanuit een ordeningsperspectief wel voordelen aan verbonden.
dominant cause-leer aan populariteit lijkt te winnen, zoals eerder al door Overes [151] en Brouwer [152] is geconstateerd. Bij deze ontwikkeling kan wel een enkele kanttekening worden geplaatst. Bij deze leer speelt bijvoorbeeld het gezond verstand een belangrijke rol – hetgeen, als gezegd, haar toenemende populariteit lijkt te verklaren (het lijkt als waarborg voor het bereiken van billijke resultaten te worden gezien) –, maar zoals in de literatuur al is opgemerkt, wordt het gezond verstand bij toepassing van andere causaliteitsleren, zoals de leer van de toerekening naar redelijkheid, uiteraard niet uitgeschakeld. Daarbij komt dat men in de Engelse literatuur heeft geconstateerd dat het
common sense-criterium weinig richting geeft (
Arnould, randnummer 4.60 hiervoor [153] ). Dit is van belang: een verwijzing naar het gezond verstand biedt niet noodzakelijk een goed, onderscheidend criterium. Het is dan nog steeds mogelijk dat men van mening verschilt over wat het gezond verstand meebrengt. Het
common sense-criterium is voor mij daarom geen overtuigend argument om voor de
dominant cause-leer te kiezen. [154]
dominant cause-leer in het Nederlandse recht. Anders dan in de literatuur naar voren is gebracht (door Brouwer en door Wansink en Van Tiggele-van der Velde), heeft Uw Raad in het
Che Guavara-arrest
nietvoor deze leer gekozen, ook niet impliciet. Het
Che Guavara-arrest kan dus niet dienen als basis voor de (toepassing van de)
dominant cause-leer in het Nederlandse recht. Niet ontkend kan worden dat in de feitenrechtspraak inmiddels toepassing aan deze leer wordt gegeven, [155] maar in de betreffende uitspraken wordt uitdrukkelijk of impliciet dan weer steun gezocht in de verzekeringsrechtelijke literatuur, die weliswaar ook aanhangers van de
dominant cause-leer kent, maar zeker niet alleen van deze leer. [156]
dominant cause-leer wel degelijk ruimte zien voor een rol van de toerekening naar redelijkheid (in de schadevergoedingsrechtelijke zin), namelijk bij aansprakelijkheidsverzekering en schadeverzekering voor inzittenden (randnummers 4.38 en 4.49 hiervoor).
5.Beoordeling van het cassatiemiddel
Onder hagel wordt neerslag in de vorm van ijskorrels verstaan”. Zou het hof hebben aangenomen dat er op 23 juni 2016 géén hagel naar beneden is gekomen, omdat van ‘ijskorrels’ geen sprake is geweest, dan zou Interpolis geen beroep toekomen op het feit dat [eisers] geen dekking hebben voor schade door hagel.
Hagelschade is in de polis omschreven als neerslag in de vorm van ijskorrels” in rov. 2.9, alsmede op het slot van deze rechtsoverweging, waaruit valt af te leiden dat het hof gezien heeft dat de definitie van hagel in de verzekeringsvoorwaarden het woord ‘ijskorrels’ bevat. Het hof heeft deze definitie niet prominenter hoeven betrekken in zijn oordeel. Rov. 2.9 staat immers in het teken van de vraag of [eisers] dekking hebben onder de rubriek ‘storm’, voor de schade die op 23 juni 2016 is ontstaan.
naar normaal spraakgebruikinhoudt, in plaats van
volgens de polisvoorwaarden. Het subonderdeel richt hiertegen een motiveringsklacht. Volgens [eisers] heeft het hof onvoldoende aandacht besteed aan het verweer van [eisers] “
dat van een hagelbui in de zin van de polisvoorwaarden zoals die zich op de schadedatum voordeed (de supercel) geen sprake is en dat hij, door de beperkte reikwijdte van de definitie van hagel in de polisvoorwaarden in de veronderstelling verkeerde dat hij verzekerd was voor schade als gevolg van ‘door storm inslaande extreem grote ijsballen’” (randnummer 2.15 hiervoor). In dit verband voeren [eisers] aan dat wat naar normaal spraakgebruik onder ‘hagel’ moet worden verstaan niets zegt over hoe [eisers] de definitie van ‘hagel’ in de polisvoorwaarden hebben mogen opvatten.
allegevolgen die de storm meebracht. Het hof heeft zich mogen beperken tot het geval dat zich heeft voorgedaan (een combinatie van storm en hagel). De voor dit geval gegeven oordelen van het hof zijn goed te volgen en naar behoren gemotiveerd.
ijskorrels, en/of hagel die als gevolg van en tijdens een storm naar beneden komt).
contra proferentem. De omstandigheden waarop het subonderdeel wijst – (i) tot en met (v) –, pleiten mijns inziens echter in onvoldoende mate voor een dergelijke uitleg. Ik loop deze omstandigheden één voor één af.
contra proferentem. Het hof heeft dit betoog op goede gronden verworpen. Ik verwijs in dit verband naar mijn bespreking van subonderdeel 2.4.
de polisvoorwaarden anders uitleggen”, heeft het hof mijns inziens niet hoeven betrekken in het kader van zijn objectieve uitleg. Het hof heeft hierin ook geen omstandigheid hoeven zien die pleit voor een uitleg in het nadeel van Interpolis. Het hof heeft een eigen, reële uitleg gegeven van de verzekeringsvoorwaarden. Hiermee heeft het hof mogen volstaan. [eisers] verwijzen in cassatie naar een beroep [162] dat zij hebben gedaan op een vonnis [163] van de rechtbank Rotterdam, gewezen tussen een agrarische onderneming en Allianz, op een vonnis [164] van de rechtbank Den Haag, gewezen tussen de eigenaar van een paardenstal en Reaal en op een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, [165] gewezen tussen de houder van een pluimveebedrijf en Allianz. Het beroep op deze vonnissen is niet overtuigend. In dit verband wijs ik op rov. 2.4. en rov. 4.9. van het vonnis van de rechtbank Rotterdam waarop [eisers] een beroep doen:
Storm
schade die tijdens de storm door de inslag van hagel is ontstaan.” Een dergelijke uitsluiting heeft Allianz niet in haar voorwaarden opgenomen.”
contra proferentem-regel (art. 6:238 lid 2 BW Pro).
beleidvan andere verzekeraars (en hun opvatting in de situatie die zich heeft voorgedaan). Mijns inziens heeft het hof dit beroep van [eisers] op het beleid van andere verzekeraars (ten aanzien van andere verzekerden) met betrekking tot de schade veroorzaakt door de supercel van geen belang mogen achten. Dit beleid kan immers heel goed zijn ingegeven door strategische of coulanceoverwegingen van de desbetreffende andere verzekeraars, waaraan Interpolis nu eenmaal niet gebonden is. De overweging van het hof dat het beleid van andere verzekeraars tegenover andere verzekerden voor het oordeel in de onderhavige zaak (met de daarbij behorende feiten en omstandigheden) niet van belang is, acht ik daarom juist. [168]
combinatievan storm en (op zijn beurt weer door de storm veroorzaakte) ‘hagel’.
Het gaat hier aldus om een combinatie van storm, wind en hagel die ieder voor zich de schade kan veroorzaken” in rov. 2.13. De frase ‘die ieder voor zich de schade kan veroorzaken’ zou zo gelezen kunnen worden dat het hof hiermee heeft bedoeld dat ook de storm, zonder de hagel dus, ‘de’ schade had kunnen veroorzaken, waarbij ‘de’ schade dan moet zijn: gaten in de golfplaten en deuken in de stalen dak- en gevelplaten (rov. 2.2). Dat de storm
dieschade heeft veroorzaakt, ligt niet voor de hand. Een storm kan op zichzelf geen ‘gaten’ en ‘deuken’ veroorzaken. Aannemelijk is althans dat
dieschade in het onderhavige geval (mede) veroorzaakt is door de forse hagel(stenen) die op 23 juni 2016 naar beneden vielen.
In de polisvoorwaarden zijn storm en hagel (apart) gedefinieerd (…)”, waaruit volgt dat het hof overstapt op het bespreken van de oorzaken die in het licht van de verzekeringsovereenkomst van belang zijn. Hiermee heeft het hof recht gedaan aan grief IV, waarmee [eisers] naar voren hebben willen brengen dat de schade niet (alleen) is veroorzaakt door hagel, maar (ook) door de storm. [169]
Onder schade doorstormverstaan wij niet de schade die tijdens destormdoor de inslag vanhagelis ontstaan” inhield. Deze zin is alleen te vinden in versies 5.4 en 5.5. Vervolgens voert het subonderdeel aan dat als het hof doelt op de versies 5.4 en 5.5, dan niet valt in te zin dat Interpolis de voornoemde zin aan [eisers] kan tegenwerpen, nu Interpolis hen niet over deze toevoeging heeft geïnformeerd.
Van stormschade wordt in de polisvoorwaarde uitgesloten de schade die door hagelinslag is ontstaan.” In het midden kan blijven welke versie van de voorwaarden – versie 5.3 (2014), 5.4 (2015) of 5.5 (2016) (zie rov. 2.1) – het hof hierbij voor ogen had. Het hof heeft immers vastgesteld dat Interpolis sinds 1998 onder stormschade geen hagelschade meer vergoedt (rov. 2.6), dat het begrip stormschade in versie 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden niet mede omvat(te) de schade als gevolg van hagelstenen (rov. 2.9 samen met rov. 2.11, eerste zin) en dat dit betekent dat Interpolis [eisers] niet hoefde te informeren over de opname van de toevoeging “
Onder schade doorstormverstaan wij niet de schade die tijdens destormdoor de inslag vanhagelis ontstaan” in versie 5.4 en latere versies van de verzekeringsvoorwaarden (rov. 2.11, tweede zin). Tegen deze rechtsoverwegingen van het hof, waaruit volgt dat volgens het hof Interpolis [eisers] niet had hoeven informeren over de bestreden zin, richt het subonderdeel geen klachten, zodat het faalt.
dominant cause). Volgens [eisers] heeft het hof miskend dat het bij de beoordeling of een in een overeenkomst geëist causaal verband aanwezig is, aankomt op inhoud en strekking van die overeenkomst en, als daarover geschil bestaat, op uitleg van die overeenkomst. Volgens het subonderdeel had het hof de verzekeringsovereenkomst, op het punt van de voor dekking vereiste causaliteit, moeten uitleggen aan de hand van (in het bijzonder) de in het arrest
[…] / […] [170] daarvoor gegeven regels.
dominant cause-leer aangestuurd (mijns inziens een mooi voorbeeld van de populariteit van deze leer, zie randnummers 4.61, 4.71 en 4.90 hiervoor). Dit geven zij ook toe in voetnoot 15 van de procesinleiding:
dominant cause-leer aangestuurd. [172] Bij deze stand van zaken – partijen waren het eens over de toepassing van de
dominant cause-leer – was het hof mijns inziens gehouden om de
dominant cause-leer toe te passen (art. 24 Rv Pro), althans kan het hof niet worden verweten dat het dit gedaan heeft. [173] Het hof heeft mogen aannemen dat partijen het erover eens waren dat de
dominant cause-leer van toepassing was op hun rechtsverhouding (een overeenkomst van verzekering), nu zij beide de toepassing van deze leer hebben bepleit. Uitgangspunt in het verzekeringsrecht is dat de van toepassing zijnde causaliteitsmaatstaf is ingebed in de verzekeringsovereenkomst (
[…] /Unigarant) en daarmee in de contractuele verhouding tussen partijen. Het hof heeft er daarom in dit geval juist aan gedaan niet van een andere causaliteitsmaatstaf uit te gaan dan de
dominant cause-leer. [174]
dominant cause-leer inderdaad toepassing had gevonden. Het hof had dan inderdaad, zoals [eisers] in het kader van dit subonderdeel bepleiten, het
[…] /Unigarant-arrest voorop moeten stellen, in plaats van (direct) aan te sluiten bij één van de causaliteitsleren die in de literatuur worden aangehangen.
dominant causeheeft toegepast. Volgens het subonderdeel heeft het hof van twee of meer mogelijke schadeoorzaken één als rechtens relevant aangewezen – de hagel –, met uitsluiting van de andere. Het hof zou aldus hebben miskend dat in een geval als het onderhavige, waarin twee of meer gebeurtenissen leiden tot schade die door die gebeurtenissen afzonderlijk niet ingetreden zou zijn, uitgangspunt is dat toerekening in beginsel volledig behoort plaats te vinden aan de gedekte oorzaak (storm). [175]
binnende
dominant cause-leer uitgangspunt is dat, in geval van samenwerkende oorzaken, toerekening in beginsel volledig behoort plaats te vinden aan de gedekte oorzaak. Ik trof wel aan, maar dat komt [eisers] juist niet goed uit, de opvatting van Brouwer, een van de grootste pleitbezorgers van de
dominant cause-leer, die stelt dat onder het Engelse recht geldt dat als voor één van de oorzaken dekking bestaat onder de
Marine Insurance Act 1906,men niet toekomt aan de mogelijkheid van samenwerkende oorzaken en de verzekeraar geen beroep toekomt op een dekkingsuitsluiting voor eigen gebrek (
inherent vice). Brouwer merkt op dat dit onder het Nederlandse recht niet speelt: “
Onder Nederlands recht is het mogelijk om in geval van meervoudige causaliteit de schade proportioneel te verdelen als meer dan één oorzaak geldt als ‘dominant cause’.” Zij spreekt de hoop uit dat het Engelse voorbeeld niet zal worden gevolgd, omdat dit grote gevolgen zal hebben voor de verzekeringspraktijk. [176]
zware hagelbuien”, “
ter grootte van tennisballen”, “
op zeer veel plaatsen geperforeerd”, “
zichtbaar geraakt en gedeukt”, “
deuken”. Deze woorden duiden op hagelschade. De overweging van het hof dat ook “
een gemiddeld persoon met gezond verstand” van ‘hagelschade’ zou spreken, sluit hierop aan. Dit oordeel van het hof lijkt mij ook juist, in welk verband ik erop wijs dat de gezond verstand-maatstaf ook juist bedoeld is om het aanwijzen van ‘de’ oorzaak niet te ingewikkeld te maken (voetnoot 153 van deze conclusie). De supercel heeft het hof niet over het hoofd gezien. Het hof refereert in een van de citaten aan “
donderdagavond 23 juni 2016”, “
de regio [vestigingsplaats]” en aan “
zware hagelbuien (…) met hagelstenen ter grootte van tennisballen en groter”. Het hof heeft dus bij zijn oordeel dat “
een gemiddeld persoon met gezond verstand” de geconstateerde schade als hagelschade zou beschouwen, rekening gehouden met de zwaarte van het onweer (de supercel).
dominant cause-leer toegepast en, zo heb ik hiervoor in randnummer 5.47 betoogd, mogen toepassen. Het aldus bereikte resultaat is echter niet van toepassing van die leer afhankelijk. Voor [eisers] betekent deze uitkomst dat zij geen dekking hebben voor de schade veroorzaakt door de hagelstenen. Deze uitkomst lijkt mij gelet op de inhoud van de specifieke contractuele verhouding (storm gedekt, niet gekozen voor de hagelmodule) uiteindelijk ook juist. Ook wanneer toepassing van de
dominant cause-leer buiten beeld zou blijven, zou deze uitkomst via uitleg of, zo nodig, een andere causaliteitsleer zoals de toerekening naar redelijkheid (in een verzekeringsrechtelijke variant), bereikt (kunnen) worden.