“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die tot doel had en het mogelijk heeft gemaakt om door middel van grootschalige BTW-fraude grote financiële voordelen te ontvangen. De fraude heeft zich afgespeeld in de handel van mobiele telefoons waarbij gebruik werd gemaakt van zogenaamde plofbedrijven die de door hen in rekening gebrachte en daadwerkelijk ontvangen omzetbelasting niet aan de fiscus hebben aangegeven en afgedragen. Hierdoor is er veel gemeenschapsgeld verloren gegaan en is de belastingmoraal ondermijnd. Bovendien werkt het handelen van de verdachte concurrentievervalsend ten opzichte van ondernemingen die zich wel aan de regels houden.
De verdachte heeft enkel uit winstbejag gehandeld.
Gelet hierop rechtvaardigt de ernst van het feit het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de rechtbank in eerste aanleg is opgelegd.
Het hof neemt bij het bepalen van de hoogte van de straf in aanmerking dat de verdachte een leidende rol heeft gehad in het opzetten en het aan de gang houden van de BTW-fraude. Hij was nauw betrokken bij het "ronselen" van de plof-BV's en het hof acht aannemelijk dat (met name) hij de bestellingen, de factuurstroom en de geldstroom voor de ploffers en voor [G] verzorgde, althans regelde. Het hof zal derhalve aan de verdachte een hogere straf opleggen dan aan de medeverdachte.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Het hof heeft bovendien geconstateerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu er meer dan twee jaren zijn verstreken tussen het aanvangen van de te beoordelen termijn en het eindvonnis. De rechtbank Rotterdam heeft immers pas op 19 september 2013 vonnis gewezen terwijl de verdachte al op 2 oktober 2007 is aangehouden en in verzekering werd gesteld in het kader van de belastingfraude. Daaraan kon de verdachte in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem ter zake strafvervolging zou worden ingesteld. Het hof heeft voorts geconstateerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, nu namens de verdachte op 23 september 2013 hoger beroep is ingesteld en de stukken van het geding pas op 21 januari 2015 ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen en het hof voorts pas op 31 januari 2018 arrest heeft gewezen.
Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf als opgelegd door de rechtbank in eerste aanleg passend, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf van na te melden duur. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geeft het hof geen aanleiding om af te zien van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.
Het hof is - alles, afwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.”