Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Het perceel tuinland met toebehoren aan [a-straat 1] (…)
toev. A-G] BW, zoals hiervoor aangehaald, strekt de verrekenplicht zich uit over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van wat niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. De rechtbank overweegt dat ook voor het loonbedrijf geldt dat dit op grond van artikel 1:141 lid 3 BW Pro vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. De man heeft niets gesteld waardoor dit vermoeden wordt weerlegd. Evenmin heeft hij feiten of omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie zouden moeten leiden dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht iets anders voortvloeit.
fl. 250.000x huidige waarde tuin- & loonbedrijf.
grief Ikomt de man op tegen de feitenvaststelling; met
grief IVwordt betoogd dat de activa van het voormalige tuinbedrijf en van het loonbedrijf ten onrechte tot het te verrekenen vermogen zijn gerekend.
incidentele grief 4wordt opgekomen tegen het oordeel dat de vrouw aanspraak kan maken op 33,25% van de (huidige) waarde van het loonbedrijf en van de activa en passiva van het voormalige tuinbedrijf.
2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
zuivere tussenuitspraak– het dictum bevat geen beslissing over het verzochte – dan kan cassatieberoep slechts tegelijk met een beroep tegen de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald of art. 75 lid 1 Rv Pro van toepassing is (art. 426 lid 4 jo Pro. 401a lid 2 Rv).
deeluitspraak. Dit is het geval als door een uitdrukkelijk dictum over enig deel van het verzochte een einde wordt gemaakt aan de instantie. Dat gedeelte van de beschikking (het ‘
einduitspraakgedeelte’) heeft als eindbeschikking te gelden. Het gedeelte van de beschikking dat betrekking heeft op het nog niet afgedane deel van het verzochte, waarover partijen verder procederen (het ‘
tussenuitspraakgedeelte’), heeft als tussenbeschikking te gelden. [18]
NJ1992, 85, oordeelde de Hoge Raad (…) dat (…) niet kan worden aanvaard dat een appellant aan de werking van het appelverbod ontkomt door (…), na geappelleerd te hebben van het gehele vonnis, alleen tegen het interlocutaire gedeelte daarvan grieven te richten (…) omdat, indien de eindvonniscomponent van een deelvonnis wordt gebruikt om tussentijds beroep in te stellen tegen een tussenvonnis of tussenarrest waartegen die mogelijkheid (…) is uitgesloten, een goede procesorde juist niet wordt gediend door dat tussentijdse beroep. (…)
NJ2011/408, betrof zowel een echtscheidings- als een verdelingsprocedure. In het dictum van haar tussenbeschikking had de rechtbank met betrekking tot de echtscheidingsprocedure een partneralimentatie vastgesteld en met betrekking tot de verdelingsprocedure de beslissing aangehouden. In de hieraan ten grondslag liggende overwegingen had de rechtbank overwogen dat de aan de man toebehorende aandelen in een autobedrijf niet tot het te verrekenen vermogen behoren. Op het hoger beroep van de vrouw had het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De vrouw stelde cassatieberoep in tegen de beschikking van het hof. Uw Raad overwoog:
LJNZC0076,
NJ1992/85 en, voor het huidige recht (impliciet) HR 23 januari 2004,
LJNAL7051,
NJ2005/510), maar het cassatierekest houdt zodanige klachten niet in.”
niet uitsluitend klachten worden gericht tegen de gedeelten die geen einduitspraak inhouden”. [25]
“partijen hun huwelijkse voorwaarden dienen af te wikkelen zoals in het lichaam van de beschikking vermeld”(dus: met verrekening van de waarde van de activa van de onderneming van de man (rov. 2)).
alsnog zijn (tegen)verzoek in eerste aanleg toe te wijzen, welk oorspronkelijk tegenverzoek inhield:
partijen te beveleningevolge de huwelijkse voorwaarden tot uitkering over te gaan en een
opstelling vermogen en verdeling vast te stellenzoals door de man bijgevoegd.
bepalen:
toev. A-G] van de man treft derhalve geen doel. Een periodiek verrekenbeding dat niet is uitgevoerd wordt afgewikkeld als een finaal verrekenbeding (artikel 1:141 lid 1 BW Pro). Op grond van artikel 1:141 lid 3 BW Pro wordt het aanwezige vermogen op de peildatum vermoed te zijn verkregen uit overgespaarde niet gedeelde inkomsten.
mantot vaststelling van de verrekening door het
hof, resulterend in een door de man aan de vrouw te betalen bedrag. Het hof heeft van elk van partijen een vermogensbeschrijving gevraagd en ontvangen [28] , maar acht zich niet in staat om aan de hand hiervan ieders te verrekenen vermogen vast te stellen. De tekst van het dictum sluit aan bij de laatste volzin van rov. 10.
vrouwom te bepalen dat de waarde van de activa van het bedrijf van de man in de verrekening – die in de visie van het hof, nu het hof de verrekening niet kan vaststellen, door partijen zelf zal moeten worden vastgesteld – moet worden betrokken (zie alinea 2.13 onder (i)). Het hof oordeelt dat die activa niet zijn aan te merken als te verrekenen vermogen.
aangehouden beslissingen, evenals de in rov. 12 gegeven beslissing, die eveneens is gegeven op een daartoe strekkend verzoek van de vrouw in incidenteel appel (het hiervoor onder 2.13 vermelde verzoek (ii)) en die luidt dat de waarden van de lijfrentepolissen (wél) in de verrekening moeten worden betrokken.
tussenuitspraakgedeeltevan de bestreden deelbeschikking.
de oordelen van het hof in rov. 10-11 en de daarop voortbouwende beslissing in het dictumvan de beschikking en de ter zitting op 22 februari 2019 gegeven mondelinge oordelen/beslissing.
als/dathet hof kennelijk mede daarop, naast het overwogene in rov. 10, zijn beslissing in het dictum heeft gegrond om het verzoek van de vrouw tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden af te wijzen.
voortbouwklacht tegen een einduitspraakgedeelte in het dictum van de deelbeschikking [29] – tegen welk gedeelte geen andere klachten zijn gericht – alsnog op oneigenlijke wijze van ontvankelijkheid weet te verzekeren.