Conclusie
eerste middelklaagt over schending van het recht om door een onafhankelijke en onpartijdige rechter te worden berecht, “doordat anderen dan rechters deel hebben genomen aan de beraadslaging en besluitvorming die hebben geleid tot de beslissing om de zaak niet te verwijzen naar een ander hof”. Dit zou in strijd zijn met art. 6 EVRM Pro en art. 62b RO.
advocaat-generaaldraagt de zaak voor.
voorzitterbrengt naar voren:
mr. Kuijperen
mr. Drummengeven te kennen op dit punt geen opmerkingen te hebben.
[…]
Alle raadslieden en de advocaat-generaal hebben verzocht om voormalig zaaksofficier van justitie [betrokkene 2] en de advocaat van de getuige [betrokkene 1] mr. S. van der Eijk als getuige te horen. Het hof deelt u reeds thans mee dat het met u van oordeel is dat beide getuigen moeten worden gehoord. Dit verzoek wordt dus op voorhand gehonoreerd en hoeft u straks derhalve niet meer aan de orde te stellen. In welke vorm dit verhoor zal plaatsvinden zal nog moeten worden besloten en zal vandaag onderdeel uitmaken van het debat.”
tweede middelkomt met drie klachten op tegen de beslissing van het hof waarbij het verweer werd verworpen dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging. De eerste klacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat met de inwerkingtreding van art. 359a Sv vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek enkel binnen het kader van art. 359a Sv beoordeeld kunnen worden. Daarmee heeft het hof de naleving verzuimd van de rechtspraak van de Hoge Raad. De tweede klacht houdt in dat de verwerping door het hof van het verweer, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet naar behoren is gemotiveerd. De derde klacht houdt in dat het oordeel van het hof, dat er geen sprake is van een onherstelbaar verzuim in het voorbereidend onderzoek, onbegrijpelijk is.
1. De standpunten
2. Inleiding
3. De aan het beroep op niet-ontvankelijkheid ten grondslag liggende bezwaren
4. Het juridisch toetsingskader
5. Het verhoor van [betrokkene 1]
opmerking hof: het landelijk politieregistratiesysteem) op te nemen, maar een Word document op te laten maken. Het advies van mr. Wildeman was om de verklaring van [betrokkene 1] nog buiten het onderzoek op te slaan en niet met het onderzoeksteam te delen. Op die manier kon de verklaring op een later moment nog beoordeeld worden. Verder kreeg [betrokkene 2] naar eigen zeggen het advies om geen toezeggingen te doen aan [betrokkene 1] en bij haar geen verwachtingen te wekken. ‘Dat advies van de CIE-officier heb ik opgevolgd en daar meteen gedeeld met de VKL’, aldus [betrokkene 2] .
Naar later bleek dat het verhoor abusievelijk niet op geluid is opgenomen’. Zo is het niet gegaan. Ik heb tijdens het overleg nog expliciet gevraagd of het gesprek werd opgenomen. [verbalisant 2] antwoordde daarop dat dit niet het geval was, hetgeen duidt op een welbewuste keuze van de recherche Wanneer de rechercheurs stellen dat pas later bleek het verhoor niet op geluid is opgenomen, en dat dit ook nog abusievelijk is gebeurd, dan klopt dat dus niet. Ik verneem graag van u waarom dit niettemin toch op deze wijze in het proces-verbaal terecht is gekomen, temeer nu beide rechercheurs het proces-verbaal op ambtsbelofte hebben opgemaakt’.
opmerking hof: op 1 november 2018) op gewezen door haar advocaat. Hierop heeft [betrokkene 2] deze e-mail nader bekeken en heeft ze gezien dat ze die e-mail heeft doorgestuurd. Zij had de e-mail helemaal niet meer op haar netvlies staan. Ze weet ook niet meer of ze de e-mail heeft doorgelezen. Het was een hele lange mail. Ze was op dat moment druk bezig met de voorbereiding van de pro forma zitting van de volgende dag, namelijk 23 maart 2017. Ze kan zich niet herinneren of ze er verder nog iets mee gedaan heeft. De verhorende Rijksrecherche-rechercheurs confronteren haar vervolgens met de verklaring van [verbalisant 3] . Deze verklaart op het moment van de ontvangst van de door [betrokkene 2] doorgestuurde e-mail van Van der Eijk voor het eerst op de hoogte te zijn geraakt van de gebreken in het proces-verbaal van het verhoor van [betrokkene 1] . [verbalisant 3] heeft verklaard: ‘Ik heb haar gebeld en gezegd dat een aantal punten waar Van der Eijk aan refereerde wel klopte en een juiste weergave was zo als het volgens mij ook was gelopen. Het punt dat het verhoor abusievelijk niet was opgenomen klopte niet. Ik gaf aan dat dit niet abusievelijk doch bewust was gebeurd. Ik gaf aan dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] tegen ons verteld hadden hoe dat was gegaan. Ik stelde aan de officier voor om hun een opdracht te geven om een PV te maken waarin ze zouden verantwoorden waarom dat fout in het PV terecht was gekomen’. Eerder bij de rechter-commissaris heeft [verbalisant 3] hierover gezegd: ‘Ik heb voorgesteld om een aanvullend-pv op te laten maken om de omissie vast te leggen. De OvJ was het ermee eens en heeft opdracht gegeven’.
het hof begrijpt: de mail van 22 maart 2017) van Van der Eijk niet meer kan herinneren. ‘In het vonnis las ik dat er ook sprake was van antedatering en dat was voor mij helemaal een volkomen verrassing’, aldus [betrokkene 2] .
6. Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] nader beschouwd
het hof begrijpt: de lay-out) al gemaakt had en ze had daar verder niet meer naar gekeken. Zij heeft dit niet bewust zo neergezet. Het was wel haar fout maar ze heeft nooit de bedoeling gehad om de boel te saboteren. Het is absoluut niet opzettelijk gebeurd, aldus [verbalisant 1] .
7. Correctie op enkele gevolgtrekkingen
het hof begrijpt: de komende pro forma zitting van 23 maart 2017) bij de stukken alleen de eerste verklaring van [betrokkene 1] zit ‘terwijl jullie nog wel kritische vragen hebben’. Dat dit vervolgverhoor van [betrokkene 1] niet heeft plaatsgevonden vóór laatstgenoemde datum, kwam doordat [betrokkene 1] op advies van haar advocaat daar niet meer aan wilde meewerken. Na 23 maart 2017 was een dergelijk politieverhoor van de baan omdat (op verzoek van de verdediging) door de rechtbank het verhoor van [betrokkene 1] werd opgedragen aan de rechter-commissaris. Ook mr. Kuijper zelf was mordicus tegen een politieverhoor, getuige haar brief van 23 maart 2017, waarin zij de officier van justitie laat weten dat een politieverhoor in afwezigheid van de verdediging in strijd is met de beslissing van de rechtbank en dat daarmee het recht van haar cliënt op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak tekort zou worden gedaan.
opmerking hof: kortere?) termijn wordt (
opmerking hof: worden?) geregeld, dan verhoor bij RC waarbij met diverse agenda’s rekening moet worden (
opmerking hof: ge)houden’
in dit stadium van het onderzoek(cursivering door het hof)’.
8. De toetsing van de feiten aan de juridische beoordelingskaders
Hof: artikel 152 Sv Pro) genoemde opsporingsambtenaren slechts dan vrij het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten ingeval hetgeen door hen is verricht of bevonden naar hun, aan toetsing door de officier van justitie onderworpen, oordeel redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing.
derde middelklaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot inzage in de OM-journaals met betrekking tot de beslissing om [betrokkene 1] als getuige te horen. De afwijzing “getuigt van een onjuiste rechtsopvatting” of berust “op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.” Aangevoerd wordt dat de afwijzing onjuist is en/of niet naar behoren is gemotiveerd, in “aanmerking genomen dat art. 149a, tweede lid, Sv bepaalt dat alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn tot de processtukken behoren.”
[…]
De getuige [betrokkene 2]verklaart op vragen van
mr. Kuijper:
voorzittervraagt de
getuige [betrokkene 2]of het VKL als een briefing gezien moet worden.
getuige [betrokkene 2]reageert:
getuige [betrokkene 2]verklaart op vragen van mr. Kuijper:
advocaat-generaalreageert:
voorzittermerkt op dat het hof uitgebreid op de zitting van 25 oktober 2018 heeft beargumenteerd waarom geen inzage in de OM-journaals wordt gegeven. [21]
voorzitterdeelt mee dat het hof op een later moment op het verzoek zal beslissen.
[…]
Mr. Kellouhgeeft aan zich te voegen bij het verzoek van mrs. Kuijper en Van der Werf om inzage in de OM-joumalen die zien op de beslissing tot het horen van [betrokkene 1] .
[…]
Voortzetting van het onderzoek op 20 juni 2019.
De
voorzitterdeelt mee als beslissing van het hof op het verzoek van mrs. Kuijper, Van der Werf en Kellouh om inzage in het OM-journaal:
[van de medeverdachte [medeverdachte 3] , AG]voert het getuigenverhoor van [verbalisant 3] op als argument waarom inzage verleend moet worden. Ik merk op dat [verbalisant 3] als politieambtenaar geen toegang had of heeft tot het OM-joumaal. Hij heeft daar geen aantekeningen over het onderzoek Gees in gemaakt. Ook andere politiemensen hebben dat niet gedaan. [verbalisant 3] kan hoogstens veronderstellingen hebben over wat er in het OM-journaal staat. Wat [verbalisant 3] heeft gezegd over het politiejournaal kan dus geen argument zijn om de verdediging inzage te verlenen in het OM-journaal.
[...]
3.5.3.
[…]
vierde middelklaagt over de bewijsvoering van het bewezenverklaarde medeplegen van de gekwalificeerde doodslag in de zaak met parketnummer 18-950074-16. Aangevoerd wordt dat twee onderdelen van de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig zijn. Het eerste onderdeel betreft twee verklaringen van de getuige [benadeelde] die het hof voor het bewijs heeft gebruikt. Het tweede onderdeel betreft de verklaring van de verdachte en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] die het hof eveneens voor het bewijs heeft gebruikt. De bewijsvoering zou ook tekortschieten omdat daaruit niet is af te leiden dat de verdachte “voorafgaand of ten tijde van het delict op de hoogte is geweest van de (in de woorden van de rechtbank) enorme intensiteit van het door de medeverdachte(n) op [slachtoffer] uitgeoefende fatale geweld zoals vastgesteld door de patholoog”.
als verklaring van [benadeelde]:
als verklaring van verbalisant [verbalisant 4]:
de verklaring van [benadeelde], afgelegd als getuige ter terechtzitting van het hof d.d. 13 juni 2019, voor zover inhoudende:
deskundigenrapportafkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, met zaaknummer 2016.06.30.054, d.d. 4 november 2016, opgemaakt door [betrokkene 8] , arts en patholoog, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige (pagina 439 e.v. van het forensisch dossier TGO Gees), voor zover inhoudende als haar verklaring:
Verspreid aan het lichaam waren vele rode tot paarse huidverkleuringen door bloeduitstorting, plaatselijk met huid verscheuringen, met name aan het gelaat, het hoofd achterwaarts en bovenop het hoofd, de borstkas, beide onderarmen, de linker bovenarm en beide onderbenen, zie bijlage 2. Aan de bovenbenen, de buik, de nek en de rug waren minder letsels.
Rechts zijwaarts aan de rug, in lijkvlekken gelegen, was in een gebied van circa 8 x 3 cm vele paarse stipvormige verkleuringen in een patroon van 2 parallel gerangschikte banen (onder andere foto 2016-140-211). In de nek was in een gebied van 4 x 3 cm parallel gelegen streepvormige rode verkleuringen door bloeduitstorting (foto 2016-140-225).
Er was een matige hoeveelheid lijkvlekken. De lippen waren bleek. De bindvliezen van het linkeroog waren bleek.
De breuken aan de rechteroogkas, de neus en de borstkas beiderzijds duiden erop dat de geweIdsinwerking op het lichaam heftig is geweest.(cursivering hof)
Indiendit geweld gepaard is gegaan met blokkade van de luchtwegen dan kan dit een bijdrage aan het overlijden in de zin van verstikking (door smoren) hebben geleverd. De stipvormige rode verkleuringen sub A2 kunnen in het kader van eventuele verstikking ontstaan, echter ook andere doodsoorzaken, kunnen deze verkleuringen geven.
de verklaring van [verdachte], afgelegd als verdachte ter terechtzitting van het hof d.d. 25 juni 2019, voor zover inhoudende:
Ik zat met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] in de auto. Na de overval heb ik de auto naar België gereden. Het was een zwarte Volkswagen Golf 5.
de verklaring van [medeverdachte 2], afgelegd als getuige ter terechtzitting van het hof d.d. 20 juni 2019, voor zover inhoudende:
het hof begrijpt: overval) te doen. Hij had sleutels van het huis die hij in het bezit had door een eerdere inbraak daar.
We zagen dat de balkondeuren open stonden. [medeverdachte 4] heeft mij een zetje gegeven, daardoor was ik als eerste op het balkon. Toen kwam [verdachte] op het balkon en [medeverdachte 4] kwam als derde. We kwamen binnen in de slaapkamer van [slachtoffer] . Ik stond voor het bed, [medeverdachte 4] stond rechts en [verdachte] stond links. De bedoeling was dat ik [slachtoffer] onder schot hield en dat [medeverdachte 4] en [verdachte] [slachtoffer] vastbonden. We komen binnen, [medeverdachte 4] doet het licht aan en ik trek de deken weg van [slachtoffer] . [slachtoffer] wordt wakker en komt overeind. Uit het niets haalt [medeverdachte 4] uit en heeft hij hem een paar stoten gegeven op zijn gezicht. [slachtoffer] viel toen op bed en is door twee personen vastgebonden. Toen kwam [benadeelde] binnen en is [verdachte] mee naar beneden gegaan. [verdachte] heeft eerst [slachtoffer] vastgebonden en klappen uitgedeeld. [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben klappen uitgedeeld. [medeverdachte 4] heeft [slachtoffer] ook hard geschopt tegen zijn romp. Toen [benadeelde] binnenkwam, zat ik bij [slachtoffer] en heb ik het wapen op haar gericht.
verklaring van [medeverdachte 2], afgelegd als getuige ter terechtzitting van het hof d.d. 25 juni 2019, voor zover inhoudende:
Standpunt verdediging
vijfde middelklaagt terecht dat in de onderhavige zaak vervangende hechtenis voor de duur van één dag is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 kan de Hoge Raad bepalen dat ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
middelklaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van kosten voor gederfd levensonderhoud. Aangevoerd wordt dat dit inhoudelijk oordeel onbegrijpelijk is. In het verlengde hiervan wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof om geen gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid als bedoeld in art. 6:97 BW Pro, blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, en dat het hof ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de schade te splitsen.
€ 27.727,48 (zevenentwintigduizend zevenhonderdzevenentwintig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 2.727,48 (tweeduizend zevenhonderdzevenentwintig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
De vordering
Het slachtoffer en het strafproces: