Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 3. “
deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen over in beslag genomen, nog niet teruggeven voorwerpen, een en ander zoals in voornoemd vonnis vermeld.
eerste middelklaagt over de motivering van de verwerping van het verweer inhoudende dat de door medeverdachte [betrokkene 1] afgelegde verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. In het bijzonder klaagt het middel over het oordeel van het hof dat de verklaring van [betrokkene 1] , zoals weergegeven op de pagina’s 1787 en 1788 van het dossier, niet is gebruikt voor het bewijs jegens de verdachte
.Volgens de stellers van het middel is dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk, aangezien in het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank wel degelijk is gebruikgemaakt van de verklaringen van [betrokkene 1] zoals weergegeven op de pagina’s 1787 en 1788 van het dossier.
alles van [verdachte] is”terwijl [betrokkene 1] slechts verklaard zou hebben dat hij dit
dacht. Dit
onderdeelvan zijn verklaring is echter niet tot het bewijs gebezigd. Met betrekking tot de onderdelen van de verklaring van [betrokkene 1] van 8 december 2015 die in het door het hof bevestigde vonnis voor het bewijs zijn gebruikt, heeft de verdediging niet aangevoerd dat daaraan gebreken kleven. Ook in de notities van mr. Van Gijssel, waarnaar door de verdediging ter terechtzitting is verwezen, wordt niet gerefereerd aan de verklaring van [betrokkene 1] d.d. 8 december 2015. Het hof had het verweer van de verdachte dat deze verklaring niet voor het bewijs kan worden gebruikt dan ook slechts als onvoldoende onderbouwd kunnen verwerpen. Ik meen dan ook dat de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang heeft bij het slagen van deze klacht.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof bij zijn oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat de berechting van de onderhavige zaak in hoger beroep binnen twee jaren had moeten plaatsvinden.
derde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.