“hij in de periode van 22 augustus 2010 tot en met 23 augustus 2010 te Wilp, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tractor (type Ford 4000, kleur blauw, registratienummer [001]), toebehorende aan [betrokkene 8]”.
7. Het arrest van het hof van 12 augustus 2019 vermeldt het volgende (vetgedrukt en onderstreept in het origineel):
“
Vordering van de benadeelde partij in de zaak met parketnummer 06-260254-10
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij zal het hof eerst aandacht besteden aan de vraag welke partij schadevergoeding vordert, daarna aan de vraag of de vordering in hoger beroep nog aan de orde is en tot slot zal het hof de vordering beoordelen.
Wie vordert schadevergoeding?
In eerste instantie heeft de eigenaar van de weggenomen tractor, [betrokkene 8], een vordering tot schadevergoeding ingediend door middel van een ingevuld schadeformulier. Ter terechtzitting van de politierechter op 22 augustus 2012 is [betrokkene 8] verschenen. Hij heeft daar verklaard dat hij schadeloos is gesteld door zijn werkgever, die zich als benadeelde partij stelt. Hij is verschenen namens zijn werkgever en is gemachtigd.
Het hof overweegt dat uit het politiedossier en de door de benadeelde partij ingebrachte stukken volgt dat de tractor van [betrokkene 8] in bruikleen was gegeven aan zijn werkgever, Stichting [A], en dat de tractor is weggenomen vanaf het terrein van deze stichting. De schade die [betrokkene 8] heeft geleden als gevolg van deze diefstal is door zijn werkgever aan hem vergoed.
Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat Stichting [A] zich ter terechtzitting van de politierechter van 22 augustus 2012 heeft gevoegd als benadeelde partij en dat zij schadevergoeding vordert zoals door [betrokkene 8] opgegeven in het ingevulde schadeformulier.
Is de vordering in hoger beroep aan de orde?
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 760,93. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich vervolgens in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Hierna is het in deze instantie gewezen arrest vernietigd door de Hoge Raad en is de zaak teruggewezen.
De raadsvrouw heeft zich ter zitting van het hof van 29 juli 2019 op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep thans niet meer aan de orde is, aangezien de benadeelde partij zich na terugwijzing door de Hoge Raad niet opnieuw heeft gevoegd.
Het hof overweegt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX4100) volgt dat de vordering waarmee een benadeelde partij zich in hoger beroep heeft gevoegd, na vernietiging van de in die instantie gedane uitspraak en terugwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling, deel blijft uitmaken van hetgeen in hoger beroep moet worden beoordeeld en beslist, tenzij uit de beslissing van de Hoge Raad het tegendeel voortvloeit. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep aan de orde is.
Beoordeling van de vordering
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 06-260254-10 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Deze schade betreft de missende onderdelen van de tractor, zoals in de vordering is aangegeven. De benadeelde partij heeft deze schade aan haar werknemer vergoed en heeft aldus zelf schade geleden, die naar het oordeel van het hof in voldoende rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”