Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”en (2)
“diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking”,veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen hechtenis.
middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359 lid 3 Sv Pro, althans dat de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd.
“op een of meer tijdstippen”, (2)
“telkens”en (3)
“zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend”, heeft doorgehaald – het hof de verdachte expliciet heeft vrijgesproken van die onderdelen van de tenlastelegging.
hij in de periode van 25 januari 2017 tot en met 07 juni 2017 te [plaats] , opzettelijk heeft geteeld en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [a-straat 1] ), een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, te weten 336 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.”
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”,en de verdachte te dier zake veroordeeld.
“op een of meer tijdstippen”, (2)
“telkens”en (3)
“zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend”. De conclusie die het middel vervolgens verbindt aan het wegstrepen van deze onderdelen van de tenlastelegging kan ik echter niet onderschrijven.
voortdurend delict. [6] Een voortdurend delict vormt een tegenstelling met, bijvoorbeeld, het doodschieten van een ander, of het plegen van een winkeldiefstal. In dat laatste voorbeeld hebben onderdelen in een tenlastelegging als ‘telkens’ of ‘op een of meer tijdstippen’ een toegevoegde waarde, daar zij uitdrukking geven aan het niet éénmalig, maar meermalen plegen van een winkeldiefstal. Het aanwezig hebben en telen van hennepplanten is echter uit de aard van het verwijt al meermalen of voortdurend. Het uit de tenlastelegging wegstrepen van dergelijke (standaard) preciseringen heeft dan ook niet altijd één en dezelfde betekenis, maar moet worden beschouwd in samenhang met het strafrechtelijke verwijt dat wordt gemaakt.
telenen
aanwezig hebben, en niet het
oogstenervan. In die lezing is het aantal oogsten irrelevant.