Conclusie
Bodemvoorrecht
De vordering van [verweerster]
“Tot slot, voor dit moment het bodemrecht van de belastingdienst. Geen van de betrokken partijen heeft bij de beëindiging van de huurovereenkomsten de bedoeling gehad het bodemvoorrecht van de belastingdienst aan te tasten. Dat bodemrecht wordt dan ook door alle betrokken partijen gerespecteerd.”– is teruggekomen op optie II en alsnog heeft gekozen voor optie I.
mitsde Belastingdienst een vordering heeft, waarvoor een bodemvoorrecht geldt. Het antwoord op de vraag of de Belastingdienst een vordering heeft, waarvoor het bodemvoorrecht geldt, wordt ingevolge optie II, zoals [verweerster] terecht aanvoert, later, al dan niet in rechte, bepaald. De omstandigheid dat partijen na 4 maart 2014 regelmatig het woord “bodemzaken” gebruiken rechtvaardigt op zichzelf nog niet de conclusie dat [verweerster] alsnog is teruggekomen op optie II en dat partijen alsnog overeenstemming zouden hebben bereikt over de fictie dat de terreinen waar de bodemzaken van de gefailleerden zich per faillissementsdatum bevonden kwalificeren als bodem in de zin van art. 21 IW Pro, zodat het bodemvoorrecht uitwerkt als ware de huurovereenkomsten niet beëindigd (optie I). Dit geldt te meer nu [verweerster] in zijn e-mail van 15 juni 2014 de gemaakte keuze voor optie II nog eens uitdrukkelijk heeft bevestigd aan de curator.
geensprake is van een fiscaal bodemvoorrecht.
2.Bespreking van het cassatieberoep
optie II) die in de Procesinleiding in cassatie wordt aangeduid als de
Eerste Afspraak. Onderdeel II richt bezwaren tegen de uitleg in rov. 6.4.8-6.4.9 van de overeenstemming vastgelegd in correspondentie van 27 en 28 februari en 4 maart 2014 die de Procesinleiding definieert als de
Tweede Afspraak.
optie II. Het hof legt deze overeengekomen
optie IIals volgt uit: de opbrengst van de bodemzaken die bij verkoop gerealiseerd zou kunnen worden, wordt geparkeerd, waarbij later, al dan niet in rechte, zal worden vastgesteld aan wie die opbrengst toekomt, aan [verweerster] als pandhouder, of aan de boedel/de Belastingdienst in verband met het voorrecht van de Belastingdienst (rov. 6.4.7).
optie IIen alsnog heeft gekozen voor
optie I. Bij die
optie Izouden partijen uitgaan van de fictie dat de terreinen waar de “bodemzaken” van gefailleerden zich per faillissementsdatum bevonden kwalificeren als bodem in de zin van art. 21 e.v. Inv., zodat het bodemvoorrecht van de Belastingdienst uitwerkt alsof de huurovereenkomsten niet waren beëindigd.
optie I.(rov. 6.6.8).
Eerste Afspraakonjuist of onbegrijpelijk heeft uitgelegd [8] . Die
Eerste Afspraakdefinieert het middel als: de afspraak dat
“de opbrengst van de zaken van gefailleerden die zouden kwalificeren als bodemzaak indien de huurovereenkomsten niet waren beëindigd wordt geparkeerd, terwijl later – al dan niet in rechte – wordt bepaald wie de gerechtigde is tot [de] opbrengst” [9] ; het betreft dus
optie II. Het onderdeel leest het (deels impliciete) hofoordeel zo (Procesinleiding 1):
Eerste Afspraak/optie IIis volgens het onderdeel onjuist of onbegrijpelijk. Dit wordt uitgewerkt in drie subonderdelen (a t/m c). Volgens subonderdeel Ia zou de hofuitleg van
optie IIzonder zin zijn en volgens de subonderdelen Ib en Ic zijn verschillende omstandigheden ten onrechte niet meegewogen.
Eerste Afspraak/
optie IIzijn overeengekomen dat de opbrengst van de inventaris toekomt aan de partij die tot die opbrengst gerechtigd zou zijn geweest
“bij een rechtmatige beëindiging van de huur” [12] . In dat verband stelt het onderdeel dat de beëindiging van de huurovereenkomsten onrechtmatig/paulianeus is en de voorgenomen beëindiging van de huurovereenkomsten in strijd met art. 22bis Inv. niet aan de Belastingdienst is gemeld [13] .
Eerste Afspraak/de overeengekomen
optie II. De curator stelde daarentegen juist dat mr. Lammers namens [verweerster] in zijn latere e-mails van 27 februari 2014 en 4 maart 2014 was teruggekomen op
optie IIen alsnog had gekozen voor
optie I: de fictie dat de terreinen waar de “bodemzaken” zich per faillissementsdatum bevonden kwalificeren als bodem, zodat het bodemvoorrecht uitwerkt als zouden de huurovereenkomsten niet zijn beëindigd. Op grond van die alsnog overeengekomen
optie Izou volgens de stellingname van de curator de opbrengst aan de boedel/de Belastingdienst toekomen.
Tussenconclusie
optie IIen alsnog heeft gekozen voor
optie I.Het hof oordeelt dat de curator onvoldoende heeft gesteld om die conclusie te rechtvaardigen.
alsnogbaseren op (een uitleg van) de overeengekomen
optie II. Dat is een ontoelaatbaar novum. Het onderdeel kan ook overigens niet tot cassatie leiden, zoals ik – ten overvloede – nu zal toelichten.
Eerste Afspraakonjuist, althans onvoldoende begrijpelijk is. Het hof heeft er volgens deze klacht ten onrechte geen rekening gehouden dat bij hantering van de Haviltexmaatstaf het uitgangspunt geldt dat tot een uitleg moet worden gekomen die enig effect kan sorteren [20] . Als een beding voor meerderlei uitleg vatbaar is, dan prevaleert een uitleg die (juridisch relevant) gevolg heeft boven een uitleg die géén gevolg heeft [21] . Het hof heeft dit uitgangspunt volgens de klacht miskend, omdat de vraag of de inventaris op het moment van faillietverklaring nog kwalificeerde als bodemzaak al zou zijn beantwoord [22] . De klacht stelt dat tussen partijen al vast stond dat de inventaris niet meer als bodemzaken kwalificeerde op het moment dat [A] failliet werd verklaard. Het parkeren van de opbrengst van de inventaris om op een later moment te bekijken of sprake was van bodemzaken of niet, zou daarom volgens de klacht in de uitleg van het hof geen effect kunnen sorteren. Door toch voor die uitleg te kiezen miskent het hof bedoeld uitgangspunt. Althans is zijn oordeel volgens de klacht onbegrijpelijk, omdat partijen dan kennelijk een afspraak zouden hebben gemaakt over de vraag of de inventaris als bodemzaken kwalificeerde, terwijl zij er allebei al vanuit gingen dat dit niet het geval was [23] . De discussie ging volgens de klacht op dat moment alleen nog over de vraag of de curator/de Belastingdienst actie kon ondernemen tegen de handelwijze van [verweerster] die erin had geresulteerd dat de bodem was weggetrokken toen het faillissement werd uitgesproken [24] .
opties Ien
II.
optie IIopteerde.
optie IIovereenkwamen hebben gediscussieerd over de vraag of de huurovereenkomsten onrechtmatig zijn beëindigd en of de voorgenomen huurbeëindigingen bij de Belastingdienst gemeld hadden moeten worden. Zij besloten echter deze discussie en daarmee samenhangend de vraag aan wie de opbrengst zou worden uitgekeerd voorlopig uit de weg te gaan met de keuze voor
optie II.
Eerste Afspraak/optie II, als uitgelegd door het hof, zowel procedureel als materieel betekenis gehad. De klacht mist daarmee feitelijke grondslag.
Eerste Afspraak/optie IIzo, dat alleen relevant is of de inventaris op het moment van beëindiging van de huurovereenkomsten bodemzaken waren en dat niet relevant is of de huurovereenkomsten
“rechtmatig”zijn beëindigd [26] . Het is nu wel duidelijk dat dit berust op een onjuiste lezing van de uitleg van het hof. Ook daarom kan de klacht niet opgaan.
optie Ihad gekozen – de fictie dat sprake was van “bodemzaken” – in plaats van
optie II, zodat niet meer aan de orde was of de beëindiging van de huurovereenkomsten vernietigbaar was. Met de verwerping door het hof van de stelling dat [verweerster] alsnog voor
optie Ihad gekozen, leed dit betoog van de curator schipbreuk. Bij de toepassing van
optie IIzou daarom weer relevant kunnen zijn geweest of de curator zich (succesvol) op de faillissementspauliana had kunnen beroepen. De curator heeft dat in feitelijke instanties echter niet gedaan vanwege zijn overtuiging dat
optie Iwas overeengekomen.
erkenddat de huurovereenkomsten op die datum zijn geëindigd [29] .
optie I: [verweerster] zou hebben gevreesd dat zij op grond van art. 22bis Inv. gesanctioneerd zou worden [30] . Het hof heeft in dit kader vervolgens begrijpelijkerwijs geen aandacht besteed aan de vraag of [verweerster] enig voornemen tot beëindiging van de huurovereenkomsten aan de Belastingdienst had moeten melden.
Eerste Afspraakals onjuist, althans onvoldoende begrijpelijk, omdat het hof geen rekening zou hebben gehouden met de context waarin deze afspraak is gemaakt. Het hof miskent volgens de klacht in rov. 6.4.7-6.5.5 dat de curator [verweerster] heeft aangeschreven om haar op de hoogte te stellen van het feit dat de inventaris niet meer kwalificeerde als bodemzaak én dat dit volgens hem tot benadeling van de fiscus en/of de boedel leidde. De curator zou met de betreffende correspondentie en de drie voorgestelde opties hebben beoogd “
dat de schuldeisersbenadeling ongedaan wordt gemaakt.”In het licht van deze context kan
optie IIniet anders worden gelezen dan
“als een afspraak om de geparkeerde opbrengst van de Activa uit te keren aan [verweerster] als eerste pandhouder, dan wel via de boedel te laten lopen vanwege het bodemvoorrecht van de belastingdienst, afhankelijk van wie van beide partijen tot de opbrengst gerechtigd wasbij een rechtmatige beëindiging van de huur.”(onderstreping A-G) [31] . De klacht stelt verder:
“Zou – al dan niet in rechte – komen vast te staan dat de Huurbeëindiging had moeten worden gemeld bij de belastingdienst en/of vernietigd zou kunnen worden op grond van de pauliana, dan diende het ervoor gehouden te worden dat de belastingdienst gerechtigd was tot de opbrengst en diende deze dus via de boedel te lopen [32] . Zou komen vast te staan dat géén meldingsplicht bestond en de Huurbeëindiging niet benadelend was, dan zou de opbrengst toekomen aan [verweerster] .”
Eerste Afspraakals in subonderdeel Ia aan de orde was en is hiervoor al besproken, zodat ook deze klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.
Eerste Afspraakis gemaakt. Dit volgt uit het feit dat het hof de relevante passages uit de betreffende correspondentie met de wederzijdse standpunten over de vraag of de huurovereenkomsten onrechtmatig zijn beëindigd en of de voorgenomen huurbeëindigingen bij de Belastingdienst gemeld hadden moeten worden citeert in rov. 6.1.8 en 6.1.9. Daarnaast betrekt het hof bij zijn uitleg van de overeenstemming van partijen op 13 februari 2014 in rov. 6.4.7 ook uitdrukkelijk dat de curator in zijn e-mail van 5 februari 2014 heeft aangegeven dat en waarom volgens hem de boedel is benadeeld door de huurbeëindigingen.
Eerste Afspraakonjuist, althans onvoldoende begrijpelijk is, nu het hof geen rekening heeft gehouden met omstandigheden die zich na deze afspraak hebben voorgedaan. Het hof miskent volgens de klacht dat tijdens een bespreking op 24 september 2014 mr. Lammers de suggestie heeft gedaan om de vraag of [verweerster] in strijd heeft gehandeld met art. 22bis Inv. voor te leggen aan [betrokkene 2] van het Ministerie van Financiën [33] . De klacht interpreteert deze suggestie als volgt: “
Het idee van mr. Lammers was om daarmee de discussie over de opbrengst van de Activa te beslechten, zoals die bestond naar aanleiding van de door mr. Lammers gekozen optie ii (het parkeren van de opbrengst en het later - al dan niet in rechte - bepalen wie ertoe gerechtigd is). Zou mr. Lammers gemeend hebben dat de vraag wie gerechtigd is tot de opbrengst er louter van afhankelijk was of de Activa op de faillissementsdatum nog als bodemzaken kwalificeerden, dan zou deze suggestie zinledig geweest zijn. Tussen partijen was namelijk al duidelijk dat dat niet meer het geval was. De suggestie die mr. Lammers doet is dan ook een andere: [betrokkene 2] te vragen of er met de Huurbeëindiging gehandeld is in strijd met art. 22bis IW, zodat (buiten rechte) kan worden vastgesteld of de belastingdienst gerechtigd was geweest tot de opbrengst van de Activa c.q. het treffen van andere verhaalmaatregelen en deze opbrengst dus via de boedel zou moeten lopen.”Volgens de klacht blijkt hieruit dat [verweerster] de keuze voor
optie IIheeft opgevat “
als het parkeren van de opbrengsten het vooruitschuiven van de vraag of de Huurbeëindiging rechtmatig was.” [34] (onderstreping A-G). Door deze omstandigheid niet kenbaar bij de uitleg van de
Eerste Afspraakte betrekken, heeft het hof volgens de klacht een onjuiste uitlegmaatstaf gehanteerd, of een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Eerste Afspraakals in subonderdeel Ia besproken en ketst daar zodoende eveneens al op af bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Tweede Afspraakonjuist of onbegrijpelijk heeft uitgelegd. Die
Tweede Afspraakdefinieert het middel als: de afspraak dat
“de opbrengst van de inventaris van de gefailleerde vennootschappen door de boedel [loopt] mits (i) de Belastingdienst een vordering heeft waarvoor haar voorrecht uit artikel 21 IW1990 geldt en (ii) de Belastingdienst niet uit vrij actief kan worden voldaan” [39] . Het onderdeel leest het hofoordeel zo (Procesinleiding 17):
Tweede Afspraakis volgens het onderdeel onjuist of onbegrijpelijk en dat wordt uitgewerkt in vier subonderdelen (a t/m d).
Tweede Afspraakzijn overeengekomen om de geparkeerde opbrengst van de inventaris (via de boedel) te doen toekomen aan de Belastingdienst, indien komt vast te staan dat de Belastingdienst tot die opbrengst gerechtigd zou zijn geweest
“bij een rechtmatige beëindiging van de huur”,en dat de curator de e-mail van mr. Lammers van 27 februari 2014 aldus heeft begrepen (en ook zo mocht begrijpen)
“dat mr. Lammers namens [verweerster] ermee instemde dat, of althans geen bezwaar maakte tegen, het feit dat partijen er alsnog van zouden uitgaan alsof de Huurbeëindiging onrechtmatig was (dan wel zich anderszins zou kunnen verhalen) en dat dus de Activa zouden worden aangemerkt als bodemzaken” [40] (Procesinleiding 29).
Tweede Afspraakvolgens het middel
een bevestiging en nadere invullingis van de
Eerste Afspraak, zoals die
Eerste Afspraakdoor de curator – bij de toelichting op onderdeel II [41] – wordt uitgelegd: dat de geparkeerde opbrengst van de inventaris (via de boedel) toekomt aan de Belastingdienst, indien komt vast te staan dat de Belastingdienst tot die opbrengst gerechtigd zou zijn geweest bij een rechtmatige beëindiging van de huur (Procesinleiding 26; zie ook hierna in 2.29) [42] . Een nadere invulling in die zin, dat uit de e-mail van 27 februari 2014 (ook) zou volgen dat partijen ervan zouden uitgaan dat de huurbeëindigingen onrechtmatig waren en de inventaris daarom zou worden aangemerkt als bodemzaak [43] .
Tweede Afspraak) een bevestiging en nadere invulling is van de overeenstemming in de correspondentie van 5 februari en 13 februari 2014 (de
Eerste Afspraak). Integendeel: de curator stelde juist dat [verweerster] in de latere correspondentie was teruggekomen op de
Eerste Afspraak/optie IIen alsnog had gekozen voor
optie I, de fictie dat de inventaris bodemzaken waren. De curator geeft dan ook in cassatie opeens een nieuwe uitleg aan de
Tweede Afspraak. Voor die spoorwissel is het in cassatie te laat. Daar loopt dit onderdeel al op de klippen, maar het kan ook om andere redenen niet cassatie leiden, hetgeen ik hierna – ten overvloede – bespreek.
Tweede Afspraakuitlegt als een bevestiging van de
Eerste Afspraak, zoals die
Eerste Afspraakdoor het hof wordt uitgelegd. Het stelt dat
“Nu de Eerste Afspraak in de opvatting van het Hof geen rechtsgevolg in het leven roept – zie (…) hiervoor onder 6-9 – betekent dit dat partijen bij het maken van de Tweede Afspraak in de opvatting van het Hof óók geen rechtsgevolg in het leven zouden hebben willen roepen. Daarmee zouden de Curator en mr. Lammers in totaal zes brieven en e-mails hebben uitgewisseld [44] (....) om een afspraak te maken die exact op hetzelfde neerkomt als niets afspreken.”(Procesinleiding 23). Deze klacht bouwt voort op hetzelfde uitgangspunt als in subonderdeel Ia, dat de
Eerste Afspraak/optie IIzoals uitgelegd door het hof zinledig is en geen (juridisch) effect kan sorteren. Bij de bespreking van subonderdeel Ia hebben we gezien dat dit feitelijke grondslag mist, zodat ook deze klacht tevergeefs is voorgesteld.
Tweede Afspraakgeen rekening is gehouden met
de contextwaarin deze afspraak is gemaakt. Het onderdeel voert daartoe aan dat partijen met de
Eerste Afspraakzijn overeengekomen dat de geparkeerde opbrengst van de inventaris (via de boedel) toekomt aan de Belastingdienst, indien komt vast te staan dat de Belastingdienst tot die opbrengst gerechtigd zou zijn geweest bij een rechtmatige beëindiging van de huur. Onder verwijzing naar (i) de brief van de curator van 5 februari 2014 met de drie voorgestelde opties en (ii) de e-mail van mr. Lammers van 27 februari 2014
(“Geen van de betrokken partijen heeft bij de beëindiging van de huurovereenkomsten de bedoeling gehad het bodemrecht van de belastingdienst aan te tasten. Dat bodemrecht wordt dan ook door alle betrokken partijen volledig gerespecteerd.”) betoogt het middel dat
“de gedane toezegging”geen betrekking heeft op de vraag of de inventaris nog kwalificeerde als bodemzaken op het moment van faillietverklaring van [A] , maar op de vraag of de huurbeëindigingen in strijd waren met het bodemvoorrecht. De reden van de gewijzigde opstelling van [verweerster] is volgens de klacht te verklaren door de dreigende toepassing van art. 22bis Inv., waarmee [het concern] een risico liep [45] . De latere
‘ontkenning’van de
Tweede Afspraakin de e-mail van 15 juni 2014 van [betrokkene 1] namens [verweerster] [46] kan volgens de klacht niet afdoen aan de
Tweede Afspraaken is bovendien niet in lijn met de handelwijze van [verweerster] in de periode voor 15 juni 2014 [47] . Het hofoordeel in de laatste volzin van rov. 6.4.8 is daarom onbegrijpelijk, aldus de klacht. In het licht van deze context dient de e-mail van mr. Lammers van 27 februari 2014 (de
Tweede Afspraak) volgens de klacht gelezen te worden als, naar ik begrijp, een bevestiging en nadere invulling van de
Eerste Afspraak, een en ander als hiervoor weergegeven in 2.26.
Eerste Afspraakis gemaakt. Bij zijn uitleg van de overeenstemming van partijen op 13 februari 2014 in rov. 6.4.7 heeft het hof uitdrukkelijk betrokken dat de curator in zijn e-mail van 5 februari 2014 heeft aangegeven dat en waarom volgens hem de boedel is benadeeld door de huurbeëindigingen. Het hof oordeelt in rov. 6.4.7 ook uitdrukkelijk dat de e-mail van mr. Lammers van 27 februari 2014 bezien dient te worden in het licht van de daaraan voorafgaande e-mailcorrespondentie tussen de curator en mr. Lammers. Hieruit volgt dat het hof bij zijn uitleg van de
Tweede Afspraakdus ook de daaraan voorafgaande correspondentie (de
Eerste Afspraak) uitdrukkelijk meeweegt. Bij zijn uitleg van de
Tweede Afspraakbetrekt het hof in rov. 6.4.8 verder ook uitdrukkelijk het standpunt van de curator over de betekenis van de door de klacht geciteerde passage in de e-mail van mr. Lammers van 27 februari 2014 over het respecteren van het bodemvoorrecht van de Belastingdienst. Het hof onderzoekt daar namelijk of [verweerster] door middel van die e-mail is teruggekomen op de keuze voor
optie IIen alsnog heeft gekozen voor
optie I. Volgens het hof is dit niet het geval. Uit een en ander volgt dat het hof dus wel degelijk rekening heeft gehouden met de context waarin de
Tweede Afspraakis gemaakt. De andersluidende klacht is zodoende tevergeefs voorgesteld.
“Ten overvloede merkt het hof in dit verband nog het volgende op.”). Ook overigens is deze klacht tevergeefs voorgesteld. Het hofoordeel dat [verweerster] in zijn e-mail van 15 juni 2014 de gemaakte keuze voor
optie IInog eens uitdrukkelijk heeft bevestigd aan de curator, ondersteunt volgens het hof zijn oordeel dat de correspondentie van 27 februari, 28 februari en 4 maart 2014 niet begrepen kan worden in de door de curator in feitelijke instanties bepleite zin, namelijk dat [verweerster] is teruggekomen op
optie IIen alsnog heeft gekozen voor
optie I.Dit feitelijke oordeel is goed te volgen.
Tweede Afspraakzouden hebben voorgedaan, niet heeft meegewogen:
Tweede Afspraakheeft voorgedaan [54] .
optie I). Hierin ligt besloten dat het hof de hiervoor vermelde omstandigheden heeft meegewogen in zijn oordeel, maar kennelijk te licht bevonden om te oordelen dat het standpunt van de curator juist is. Dit aan de feitenrechter voorbehouden oordeel is ook zonder nadere motivering goed te volgen. Dat volgt al uit het feit dat het hofoordeel waarom het standpunt van de curator niet wordt gevolgd voor het overige uitgebreid en niet onbegrijpelijk gemotiveerd is. Het hof hoefde ook niet uitdrukkelijk op alle aangedragen omstandigheden in te gaan. Dit geldt temeer nu de stelplicht en bewijslast hier op de curator rustte [55] en [verweerster] de relevantie van deze omstandigheden gemotiveerd heeft betwist [56] .
“Uw interpretatie is juist”) nietis bevestigd de wijze waarop de curator bedoelde afspraak heeft begrepen. Het hof overweegt in rov. 6.4.8 namelijk:
“Anders dan de curator stelt, kan de e-mail van 4 maart 2014 van mr. Lammers dan ook niet worden gezien als een bevestiging van de door hem gestelde, eerder bereikte overeenstemming.”Het hof legt vervolgens in een overweging ten overvloede uit wat mr. Lammers met zijn e-mail wél heeft bevestigd aan de curator – kort gezegd: de keuze voor
optie lI.