Conclusie
[...] Beheer B.V.en
[...] Recycling B.V.
Recycling) als pandhouder eerste in rang overgegaan tot het innen van de aan haar verpande vorderingen van Recycling op derden. Tot zekerheid van intercompany schulden had Recycling tevens stille pandrechten op haar vorderingen verstrekt aan de groepsvennootschappen [...] Beheer B.V. (hierna:
Beheer) en verweerster in cassatie, [...] Holding B.V. (hierna: ). Recycling en Beheer zijn failliet verklaard. Het door de bank geïnde totaalbedrag oversteeg het bedrag van haar gesecureerde vorderingen op Recycling.
1.Feiten en procesverloop
[betrokkene 1]), die via een zogenoemde STAK de aandelen in Holding houdt. Zowel Beheer als Recycling verkeren sinds 28 januari 2014 [2] in staat van faillissement.
de bank [3] ). In verband daarmee heeft Recycling ten behoeve van de bank een eerste (stil) pandrecht gevestigd op al haar vorderingen op derden.
Beton), [...] Transport B.V. (hierna:
Transport), [...] Vastgoed en Materieel B.V. (hierna:
Vastgoed) en [...] Vastgoed B.V. (hierna:
BP Vastgoed). Alle aktes zijn namens alle betrokken vennootschappen ondertekend door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
bedrijfsuitrusting, voorraden en (handels)vorderingen (in tweede respectievelijk derde verband)” [5] waarbij Beton, Recycling en Transport onder meer hun vorderingen op derden stil verpanden aan
Beheer. In de pandakte is vastgelegd dat de pandgevers verklaren dat de vorderingen in eerste verband zijn verpand aan de bank (artikel 4.12) en dat de vorderingen in tweede verband zijn verpand aan Holding (artikel 4.13).
bedrijfsuitrusting, voorraden en (handels)vorderingen (in eerste respectievelijk tweede verband)” [6] waarbij Beheer, Beton, Recycling en Transport onder meer hun vorderingen op derden stil verpanden aan
Holding. In de pandakte is vastgelegd dat de pandgever verklaart dat de vorderingen in eerste verband zijn verpand aan de bank (artikel 4.12).
kredietovereenkomst [7] waarbij Beheer aan Recycling een bedrag van € 2.500.000,00 in rekening-courant ter beschikking stelt en waarvoor Recycling tot zekerheid een pandrecht op onder meer haar debiteuren zal verstrekken.
het surplus).
in de hoofdzaak– samengevat – gevorderd:
in de hoofdzaakgemotiveerd verweer gevoerd. De curator heeft zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat Holding geacht moet worden haar stil pandrecht op de vorderingen van Recycling eerst op 1 maart 2014 openbaar te hebben gemaakt [13] en dat Holding pas vanaf dat moment bevoegd was om zich als pandhouder rechtstreeks op het surplus te verhalen. Voor het gedeelte van het surplus dat is ontstaan vóór 1 maart 2014 kan Holding aanspraak maken op betaling vanuit de boedel, waarbij aan haar weliswaar een voorrangspositie toekomt, maar zij ook dient bij te dragen in de kosten van het faillissement (conform de regel uit het arrest
Mulder q.q./CLBN [14] )
,aldus de curator. [15]
in tussenkomst in conventie– samengevat en voor zover in cassatie van belang – gevorderd:
tweeverschillende pandrechten op de vorderingen van Recycling verkregen: een pandrecht derde in rang dat is gevestigd voor alle vorderingen van Beheer op Recycling en een pandrecht tweede in rang dat specifiek is gevestigd ter verzekering van de kredietfaciliteit van € 2.500.000. [19]
in tussenkomstgemotiveerd verweer gevoerd en heeft betwist dat de akte met het opschrift “Kredietovereenkomst” (akte nr. 12, prod. 5 bij inl. dagv.) de strekking had om ten gunste van Beheer ook een pandrecht tweede in rang te vestigen (naast het pandrecht derde in rang dat strekte tot zekerheid van alle vorderingen van Beheer op Recycling). Volgens Holding is deze akte slechts een overeenkomst waarin Recycling zich heeft verplicht tot het vestigen van een pandrecht, en vormt deze niet tevens een pandakte waarmee het pandrecht daadwerkelijk is gevestigd. Voor zover de tekst van de akte vermeldt dat er door Recycling op haar vorderingen een pandrecht
“in tweede verband”aan Beheer wordt gegeven, is dat een kennelijke verschrijving. De bedoeling was om aan Beheer tot zekerheid van al haar vorderingen een pandrecht in tweede verband te geven op de bedrijfsuitrusting en de voorraad, alsmede een pandrecht in derde verband op de vorderingen. Dit is ook gebeurd, door middel van de akte met opschrift “
Pandakte bedrijfsuitrusting, voorraden en (handels)vorderingen (in tweede respectievelijk derde verband)” (akte nr. 7, prod. 3 bij inl. dagv.). [20]
in de hoofdzaak, geoordeeld dat Holding zich op het gehele surplus kan verhalen, zonder te hoeven bijdragen in de algemene faillissementskosten (rov. 4.12). De rechtbank heeft daartoe – samengevat – als volgt overwogen:
alleopenstaande vorderingen –, ook als zijn vordering kleiner is dan de (te verwachten) opbrengst (rov. 4.8);
Mulder q.q./CLBNheeft louter betrekking op het geval van inning van stil verpande vorderingen door de curator van de pandgever zelf, hetgeen hier niet aan de orde is (rov. 4.9);
Kredietovereenkomst” (akte nr. 12) heeft geleid tot een pandrecht tweede in rang ten gunste van Beheer (rov. 4.13) ontkennend beantwoord. De rechtbank heeft – samengevat – geoordeeld dat alleen de akte met het opschrift “
Pandakte bedrijfsuitrusting, voorraden en (handels)vorderingen (in tweede respectievelijk derde verband)” (akte nr. 7) bestemd was tot daadwerkelijke vestiging van een pandrecht ten gunste van Beheer (rov. 4.17).
in de hoofdzaak en in de tussenkomst, voor recht verklaard dat het pandrecht van Holding op de vorderingen van Recycling waarvan de opbrengst is gestort op de in het vonnis genoemde rekening van de bank, in rangorde komt voor het pandrecht van Beheer op de vorderingen van Recycling. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
geenonderwerp van debat is geweest.
rechtstreekstoekomt aan de pandhouders Holding en Beheer als separatisten, of dat deze pandhouders hun uitkering dienen te ontvangen
via de boedelen derhalve onder een bijdrage in de algemene faillissementskosten. Tegen het oordeel van de rechtbank dat verdeling van het geïnde met toepassing van art. 3:253 BW Pro plaatsvindt “
buiten de boedel om”, is in appel het merendeel van de grieven (III-X) gericht. Deze grieven verwerpt het hof in rov. 5.3 (in cassatie bestreden met de onderdelen III en IV).
rangorde/voorrangHolding en Beheer bij hun verhaal op het geïnde kunnen bogen, waren vooral de volgende drie documenten van belang:
(…) (handels)vorderingen (…) in (…) tweede verband”, waarbij Recycling haar vorderingen op derden stil verpandt aan
Holding;
(…) (handels)vorderingen (…) in (…) derde verband”, waarbij Recyling haar vorderingen op derden stil verpandt aan
Beheer;
kredietovereenkomstwaarbij Beheer aan Recycling een bedrag van € 2.500.000 in rekening-courant ter beschikking stelt, tot zekerheid waarvan Recycling een pandrecht op haar debiteuren zal verstrekken.
tweedein rang en Beheer als pandhouder
derdein rang. Er heeft geen debat plaatsgevonden over de vraag of partijen onderling een afwijkende rangorde van deze pandrechten hebben vastgesteld en, zo ja, of hun dit vrijstond. [28]
tweepandrechten heeft gevestigd ten gunste van Beheer: naast het pandrecht tot zekerheid voor
alle vorderingenvan Beheer op Recyling [29] (d.m.v. pandakte nr. 7) zou dat een pandrecht tot zekerheid voor de
extra kredietfaciliteitvan € 2.500.000 [30] zijn (d.m.v. akte nr. 12). [31] Volgens de curator zou de kredietovereenkomst niet alleen als titel maar tevens als pandakte fungeren. Door registratie van de kredietovereenkomst zou een (apart) pandrecht ten gunste van Beheer tot stand zijn gekomen. Slechts met betrekking tot dit tweede pandrecht van Beheer heeft de curator zich op het standpunt gesteld dat het, gelet op de tekst van art. 10 van Pro de kredietovereenkomst, een pandrecht tweede in rang is,
gelijkin rang met het pandrecht van Holding. [32]
(a)geoordeeld dat een afzonderlijk tweede pandrecht van Beheer niet tot stand is gekomen (eindvonnis, rov. 4.17) en
(b)op die grond vastgesteld dat Holding geldt als (voormalig) pandhouder tweede in rang en Beheer als (voormalig) pandhouder derde in rang (rov. 4.18).
(a)was grief XI gericht, waarmee de curator zijn stellingen omtrent het door registratie van de kredietovereenkomst (akte nr. 12) gevestigde extra pandrecht (tweede in rang, gelijk met dat van Holding) herhaalde (MvG, nr. 95-103). [33] De curator heeft (ook) in hoger beroep
nietgesteld dat het pandrecht van Beheer dat is gevestigd door middel van de pandakte (akte nr. 7) gelijk in rang is met het pandrecht van Holding om de reden dat deze pandrechten op dezelfde dag zijn geregistreerd. Als gevolg hiervan heeft Holding in hoger beroep ook geen beroep gedaan op een rangvaststelling door partijen.
(b)dat Holding en Beheer op grond van de (op dezelfde dag geregistreerde) pandakten nrs. 8 en 7 moeten worden aangemerkt als pandhouder tweede respectievelijk derde in rang (rov. 4.18) als zodanig geen grief was gericht, lag deze rangorde buiten de rechtsstrijd van partijen en had het hof niet de vrijheid in te gaan op en af te wijken van het oordeel van de rechtbank op dit punt. [34] Ik meen dat de onderdelen I en II reeds op die grond niet tot cassatie kunnen leiden. [35]
prior tempore, potior iure). [36] Het prioriteitsbeginsel is een uitvloeisel van het
nemo plus-beginsel. Na bezwaring van een goed met het eerste pandrecht kan de pandgever nog slechts over dit goed beschikken met eerbiediging van het eerste pandrecht. [37]
Stichting Rivierenland/Gispen q.q. [39] volgt dat voor de registratie van een onderhandse akte als dag van registratie wordt aangemerkt: de dag waarop de akte bij de Belastingdienst ter registratie wordt
aangeboden.Uw Raad heeft in dit arrest overwogen dat art. 3:19 lid 2 BW Pro – waarin voor inschrijvingen in de openbare registers die betrekking hebben op een registergoed is bepaald dat het tijdstip van aanbieden geldt als tijdstip van registratie – zich te dezen leent voor analoge toepassing.
gelijkerang zijn, aldus Van Mierlo en Krzeminski. [44]
akten zijn opgemaakt, dan wel, indien beide akten op dezelfde dag zijn opgemaakt en het notariële akten zijn, door de volgorde van de tijdstippen waarop de akten zijn opgemaakt.
gemeenschappelijkpandrecht van degenen die bij de verschillende tegelijkertijd ter registratie aangeboden onderhandse pandakten als potentiële pandhouder betrokken zijn. Hij wijst erop dat, indien met betrekking tot dezelfde onroerende zaak op hetzelfde moment twee transportakten zijn gepasseerd die op hetzelfde moment zijn aangeboden, er ook niet twee afzonderlijke eigendomsrechten ontstaan. [47]
afzonderlijkepandrechten te vestigen ten gunste van de betrokken pandhouders. Als gevolg daarvan is er geen grond partijen te veroordelen tot een gemeenschap van één enkel pandrecht. Van een gemeenschappelijk zekerheidsrecht is ook geen sprake indien de toepassing van art. 3:21 lid 2 BW Pro ertoe leidt dat twee gelijktijdig gevestigde hypotheekrechten gelijk in rang staan. Het voorliggende geval, waarin partijen beogen afzonderlijke pandrechten te vestigen, verschilt volgens Faber en Vermunt van de situatie waarin van rechtswege een gemeenschap van één enkel pandrecht ontstaat omdat dat pandrecht als gevolg van een latere handeling aan twee of meer deelgenoten gaat toebehoren (bijv. bij partiële cessie van een door pandrecht gesecureerde vordering). De auteurs menen dat gelijktijdig gevestigde pandrechten die betrekking hebben op dezelfde goederen, leiden tot afzonderlijke pandrechten van
gelijkerang. [48]
nietleent voor analoge toepassing. Zij wijzen erop dat een hypotheekakte notarieel wordt verleden, terwijl een onderhandse pandakte niet de tussenkomst van een notaris of andere onafhankelijke ambtenaar vergt. De waarborg tegen antedatering en andere wijzigingen of aanvullingen van een onderhandse pandakte is gelegen in het vereiste van registratie van die akte. Met die waarborg is moeilijk verenigbaar dat het moment waarop de akte is opgemaakt (waarbij geen waarborg tegen antedatering bestaat), een rol zou kunnen vervullen bij het bepalen van de rangorde van het te vestigen pandrecht. Daarbij komt nog dat de wet – anders dan bij een hypotheekakte – het vermelden van een dag of tijdstip waarop de pandakte is opgemaakt, niet als vereiste stelt, en dat in de praktijk in ieder geval het tijdstip van het opmaken van een pandakte nimmer in de akte wordt vermeld. Bij het bepalen van de onderlinge rangorde van pandrechten die bij geregistreerde onderhandse akte zijn gevestigd, moet dan ook enkel worden aangeknoopt bij de dag waarop de betreffende pandakten bij de belastingdienst ter registratie zijn aangeboden, aldus Faber en Vermunt. [49]
bij voorbaateen rangwisseling met het later te vestigen pandrecht (dat uiteindelijk in rang moet worden verhoogd) worden opgenomen. De rangwisseling is pas effectief wanneer het latere pandrecht is gevestigd. Tot aan het moment waarop het latere pandrecht tot stand komt, staat het eerdere pandrecht eerste in rang. [64]
expliciete toestemmingvan de lager te rangschikken pandhouder nodig is. Net als bij art. 3:262 BW Pro dienen voorts ook andere beperkt gerechtigden met de rangwisseling in te stemmen. Voor zover zij geen toestemming voor de rangwisseling hebben gegeven, zal aan de rangwisseling geen werking toekomen voor zover die beperkt gerechtigden daardoor zouden worden benadeeld of bevoordeeld. Aangezien rangwisseling bij hypotheek slechts kan worden bewerkstelligd door een notariële akte die in de registers wordt ingeschreven, zou rangwisseling bij pandrecht op het eerste gezicht ook moeten plaatsvinden op de wijze waarop de betreffende pandrechten worden gevestigd. Nu op grond van art. 3:258 lid 2 BW Pro een pandhouder afstand kan doen van zijn pandrecht bij een enkele overeenkomst, mits van de toestemming van de pandhouder uit een schriftelijke verklaring blijkt, kan men zich volgens Vermunt echter afvragen of in geval van rangwisseling bij pandrecht niet kan worden volstaan met een enkele overeenkomst, mits van de toestemming van de beperkt gerechtigden die daardoor worden benadeeld uit een schriftelijke verklaring blijkt.
toekomstigegoed. De tussen hen op grond van art. 3:98 jo Pro. 3:97 lid 2 BW geldende rang kan langs deze weg worden gewijzigd. [68]
gewijzigd. [74] Voor wijziging van een pandrecht dient in de eerste plaats te worden voldaan aan de vereisten van art. 3:98 jo Pro. 3:84 lid 1 BW. In de tweede plaats is, naast de toestemming van de pandgever, ook de toestemming nodig van andere pandhouders, beperkt gerechtigden of derden die door de wijziging worden benadeeld (althans om die wijziging tegen die derden te kunnen inroepen). [75] Volgens Steneker is rangwijziging één van de toepassingen van de wijziging van een pandrecht.
nietin het systeem van de wet, aangezien de wetgever rangwisseling in art. 3:262 BW Pro heeft toegelaten
in afwijking ophet systeem van de wet. De veronderstelling dat de wetgever niet aan het opnemen van een rangwisselingsregel zou hebben gedacht vormt volgens De Hoog geen argument om de mogelijkheid van een rangwisseling met goederenrechtelijk effect bij pandrecht aan te nemen. Hij stelt zich op het standpunt dat, zolang de wetgever een regeling voor rangwisseling bij pandrecht niet heeft gecodificeerd en de Hoge Raad zich evenmin over analoge toepassing van art. 3:262 BW Pro heeft uitgelaten, een rangwisseling bij pandrecht zal moeten worden gerealiseerd doordat de eerste pandhouder afstand doet van zijn pandrecht om zo een andere schuldeiser in de gelegenheid te stellen een eerste pandrecht te verkrijgen, alvorens opnieuw een (tweederangs) pandrecht te bedingen. Overigens verdient het volgens De Hoog, gelet op de wens van de praktijk, wel aanbeveling dat de wetgever voorziet in een wettelijke mogelijkheid voor rangwisseling bij pandrechten. De motivering van de wetgever voor de invoering van deze mogelijkheid bij hypotheekrechten is immers ook van toepassing op pandrechten. [83]
nietonderling kunnen omdraaien op de wijze als voorgeschreven voor hypotheken. Aangevoerd wordt dat de regeling uit art. 3:262 BW Pro een bijzondere regeling is, uitsluitend geschreven voor hypotheken. Voor pandrechten en hun rangorde geldt volgens de auteurs dan ook alleen het tijdstip van vestiging; de enige beschikbare techniek voor rangwisseling bij pandrechten is de reeds beschreven constructie van ‘lichten’ c.q. afstand van het eerste pandrecht.
Barracuda). [87] In deze zaak was sprake van meerdere pandrechten op vorderingen van de maatschap NGN: een eerste pandrecht ten gunste van de bank, een pandrecht ten gunste van eiseressen 1 en 2 respectievelijk hun bestuurders en een pandrecht ten gunste van de maatschap [...] . Eiseressen 1 en 2 vormden samen de maatschap NGN en maakten tevens (met een aantal andere vennootschappen) deel uit van de maatschap [...] . De maatschap [...] heeft op enig moment mededeling gedaan van haar pandrecht aan de debiteuren van NGN en deze debiteuren geïnformeerd dat zij alleen nog bevrijdend aan de maatschap [...] konden betalen. NGN heeft o.a. aangevoerd dat de maatschap [...] niet inningsbevoegd was, omdat zij niet de hoogst gerangschikte pandhouder was. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent:
geveren dat zij daarbij ten onrechte geen gewag hebben gemaakt van hun eigen pandrecht. In een dergelijk geval mag een verklaring in de zin van art. 3:237 lid 2 BW Pro niet al te lichtvaardig worden opgevat als een verklaring die tevens strekt tot rangwisseling, aldus Schuijling.
Stagekings). [89] In deze zaak speelde de vraag of een pandrecht tweede in rang kan worden gevestigd vóórdat het pandrecht eerste in rang is gevestigd. In een vaststellingsovereenkomst tussen eiser en Stagekings c.s. was afgesproken dat aan eiser een tweede pandrecht zou worden verstrekt. Stagekings c.s. stelden zich vervolgens op het standpunt dat zij niet konden meewerken aan de vestiging van dit tweede pandrecht zolang niet eerst een eerste pandrecht ten behoeve van een (andere) vennoot van Stagekings was gevestigd. De voorzieningenrechter overwoog hieromtrent:
prior tempore-regel niet mogelijk lijkt om een tweede pandrecht te vestigen voordat er een eerste pandrecht is gevestigd. Hij onderschrijft echter wel de uitkomst waartoe de voorzieningenrechter komt en zoekt een mogelijke dogmatische inpassing ervan in een rangwisseling bij voorbaat of een rangwisseling onder opschortende voorwaarde (bij onbekendheid van de beoogde eerste pandhouder zonodig bij wijze van derdenbeding). Een alternatief zou kunnen zijn dat de tweede pandhouder moet worden geacht voorshands afstand te hebben gedaan van zijn positie als eerste pandhouder (zonder dat daarvoor naderhand nog een nadere wilsverklaring vereist is), maar volgens Kraaipoel komt dat op hetzelfde neer. [90]
Stagekings-uitspraak niet van oordeel is dat een tweederangs pandrecht kan bestaan voordat het eersterangs pandrecht is gevestigd, maar slechts tot uitdrukking heeft willen brengen dat met de vestiging van het beoogde tweederangs pandrecht niet behoeft te worden gewacht totdat het beoogde eersterangs pandrecht is gevestigd. Volgens de auteurs ligt daarin de erkenning van een rangwisseling bij voorbaat besloten. De rangwisseling is pas effectief wanneer het latere zekerheidsrecht is gevestigd. [91]
zijngevestigd.
ongeachtwelke rangorde uit de prioriteitsregel zou voortvloeien.
tegenhet aanvaarden van rangwisseling bij pandrecht, is dat de wet niet in deze mogelijkheid voorziet. Daarvoor is, als gezegd, door diverse auteurs de plausibele verklaring gegeven dat de wetgever zich bij de introductie van het stille pandrecht – ter vervanging van de fiduciaire overdracht (waarbij meervoudige zekerheidstelling onmogelijk was) – onvoldoende heeft gerealiseerd dat dezelfde behoefte aan rangwisseling die in de praktijk al bestond met betrekking tot hypotheekrechten, ook zou kunnen gaan ontstaan met betrekking tot (wel meervoudig te verlenen) stille pandrechten. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt bovendien niet dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om de mogelijkheid van rangwisseling bij hypotheek wél, maar bij pand niet in te voeren.
voorhet aanvaarden van rangwisseling met betrekking tot pandrechten genoemd:
Onderdeel Ifaalt dan ook.
vormvereistegelden.
instemmingvan de oorspronkelijk hoger gerangschikte pandhouder(s), alsmede van eventuele andere beperkt gerechtigden, wier positie door de rangwijziging wordt geraakt.
Pandakte (…) vorderingen (in (…) derde verband)” waarbij haar door Recycling een pandrecht werd verleend (rov. 3.4), maar ook bij akte nr. 8, waarin door (o.m.) Recycling een pandrecht tweede in rang is verstrekt aan Holding (rov. 5.7 en 5.8), waarbij het hof tevens heeft vastgesteld dat alle pandakten namens alle betrokken vennootschappen door dezelfde twee personen zijn ondertekend (rov. 3.4).
onderdeel IIfaalt.
niet bevoegdwas (op basis van haar eigen pandrecht of dat van Holding) om over te gaan tot executie ten aanzien van de geïnde bedragen die samen het surplus vormen. Het surplus diende dan ook door de eerste pandhouder te worden afgedragen aan pandgever Recycling, aldus het onderdeel.
curatorheeft afgesproken dat de bank het surplus
ten gunste van (de boedel van) pandgever Recyclingzou innen. Zou het hof menen dat het surplus een executieopbrengst betreft, ongeacht ten gunste van wie het surplus door de bank is geïnd, dan is dat oordeel onjuist.
Holdingen de bank, dan is dit oordeel niet gemotiveerd en onbegrijpelijk. [96] Zou het hof menen dat tussen de curator en de bank
nietis afgesproken dat het surplus ten gunste van (de boedel) van pandgever Recycling zou worden geïnd, dan is dat oordeel niet gemotiveerd en onbegrijpelijk. [97]
voor wiede opbrengst bestemd is. Is de opbrengst bestemd voor de pandgever zelf, dan is de inning geen executie. Is de opbrengst bestemd voor één of meer schuldeisers van de pandgever, dan is de inning wél executie. Int de pandhouder een openbaar verpande vordering, dan is de opbrengst in beginsel bestemd voor de pandhouder en eventuele andere schuldeisers. Inning door de pandhouder is daarom in beginsel executie, zodat de pandhouder voorrang heeft bij verdeling van de opbrengst, welke hij buiten een eventueel faillissement van de pandgever om te gelde kan maken. Ook inning door de curator is executie, aangezien de opbrengst bestemd is voor de schuldeisers in het faillissement; de pandhouder heeft dus voorrang op het geïnde, maar dient de afwikkeling van het faillissement af te wachten en draagt bij in de algemene faillissementskosten, aldus Steneker. [107]
gehelebedrag van de aan hem verpande vordering te innen, ook voor zover dit de vordering tot zekerheid waarvan pandrecht werd gevestigd, te boven gaat. [111] In dit verband wordt verwezen naar de ondeelbaarheid van het pandrecht (art. 3:230 BW Pro) [112] , naar het feit dat art. 3:246 lid 1 BW Pro de pandhouder inningsbevoegd maakt zonder daarbij enige beperking aan te brengen [113] en naar de onwenselijkheid van de confrontatie van de debiteur met twee schuldeisers [114] .
ABN AMRO/Marell [115] heeft uw Raad echter, in verband met de vraag of een inningsbevoegde pandhouder bevoegd is het aan de verpande vordering verbonden pandrecht uit te oefenen, als volgt geoordeeld:
tot het beloop van haar (ABN AMRO’s) vordering op Pegas.” [onderstreping A-G]
“tot het beloop van haar (ABN AMRO’s) vordering op Pegas”een “slip of the pen” is geweest. [116]
alleopenstaande vorderingen van [Recycling] – verkrijgt de exclusieve bevoegdheid tot inning van het gehele onderpand, ook als zijn vordering kleiner is dan de (te verwachten) opbrengst.”
voldaan. Bovendien is denkbaar dat de pandrechten ook strekken tot zekerheid van toekomstige vorderingen, zodat de resterende pandrechten niet vervallen zodra de openstaande vorderingen zijn voldaan uit de opbrengst. Volgens Schuijling dient als uitgangspunt te gelden dat de pandhouder betalingen mag ontvangen op de verpande vorderingen, ook nadat hij al voldoende opbrengst heeft gegenereerd om zijn eigen gesecureerde vordering(en) te voldoen. Een andere benadering zou een doelmatige uitoefening van het pandrecht onnodig belemmeren. Anders dan bij de executie van zaken, is het te gelde maken van verpande vorderingen door inning een proces waarover de pandhouder geen volledige controle heeft. Óf een debiteur betaalt en zo ja, wanneer, ligt niet geheel in de macht van de pandhouder. Ook in een geval als in de onderhavige zaak, waarbij de pandhouders onderling afstemmen wie (mede ten behoeve van de ander) zal mededelen en incasseren, is het gerechtvaardigd dat de pandhouder kan blijven innen. Een vergelijkbare praktische benadering treft men bij de regeling van cumulatief derdenbeslag in art. 478 Rv Pro, aldus Schuijling. [118]
niet bevoegdwas om over te gaan tot executie ten aanzien van de bedragen die samen het surplus vormen.
ABN AMRO/Marell [124] , de inningsbevoegdheid van de pandhouder niet is beperkt tot het bedrag van de gesecureerde vordering, maar zich uitstrekt over het
geheleonderpand. Dit geldt mijns inziens zowel in het geval waarin het onderpand bestaat uit één vordering die het bedrag van de gesecureerde vordering overtreft, als in het geval waarin het onderpand bestaat uit diverse kleinere vorderingen die tezamen het bedrag van de gesecureerde vordering overtreffen. Art. 3:246 lid 1 BW Pro stelt immers geen beperking aan de inningsbevoegdheid van de pandhouder. De artikelen 3:255 jo. 3:253 BW jo. 490b Rv geven bovendien nu juist een regeling voor wat er moet gebeuren als het geïnde bedrag het bedrag van de gesecureerde vordering van de innende pandhouder overstijgt.
onderdeel IIIfalen.
onderdeel IVwordt betoogd dat de bank, nadat zij zich op 17 februari 2014 uit het geïnde had voldaan [125] , de nadien binnenkomende bedragen (het surplus) niet is gaan innen ten gunste van pandhouder
Holding, maar ten gunste van (de boedel van)
pandgeverRecycling. Daardoor zou geen sprake zijn van een executieopbrengst en zouden de bepalingen over executie (lees: art. 3:253 BW Pro jo. art. 490b Rv) niet van toepassing zijn. Zoals ik hiervoor (onder 2.6) reeds opmerkte, was het bezwaar van de curator in appel met name gericht tegen verdeling van het geïnde met toepassing van art. 3:253 BW Pro buiten de boedel om.
(rechts)klachtvan onderdeel IV berust op de lezing dat het hof meent dat het surplus een executieopbrengst betreft,
ongeacht ten gunste van wiehet surplus door de bank is geïnd. Geklaagd wordt dat dat oordeel onjuist is.
(motiverings)klachtgaat ervan uit dat het hof heeft geoordeeld dat het surplus als executieopbrengst dient te worden aangemerkt op basis van een
afspraak tussen Holding en de bank.Dat oordeel zou niet gemotiveerd en tevens onbegrijpelijk zijn.
nietis afgesproken dat het surplus ten gunste van de boedel van Recycling zou worden geïnd, is dat oordeel niet gemotiveerd en onbegrijpelijk, aldus de volgende
motiveringsklacht.
klacht(p.i., nr. 12) dat onbegrijpelijk is dat het hof het expliciet geformuleerde bewijsaanbod van de curator heeft gepasseerd betreffende de stelling dat de bank vanaf 17 februari 2014 de vorderingen op de debiteuren van Recycling voor en namens de boedel is gaan incasseren.
onderdeel IVfalen.