Conclusie
NS Stations
JC Decaux
Exterion
1.Inleiding
Ngage) onderhands een concessieovereenkomst gesloten voor een pilot met digitale schermen op enkele grote stations. Volgens JCDecaux had NS Stations beide opdrachten openbaar moeten aanbesteden.
2.Feiten
hof) is in hoger beroep uitgegaan van de feiten zoals vastgesteld in het tussenvonnis van 18 oktober 2017 van de rechtbank Midden-Nederland (hierna:
rechtbank). Het hof heeft daar als vaststaand feit aan toegevoegd dat de waarde van de door NS Stations in 2011 aan Exterion verleende concessie tenminste tussen € 50 en 100 miljoen ligt. [2]
NS). De Staat houdt alle aandelen in NS.
nee, nog niet, maar je staat op de shortlist.”
concessieovereenkomst 2011). [6]
Ngage-overeenkomst) een “
op korte termijn opzegbaar contract is”
.
3.Procesverloop
het bestreden arrest) in alle drie de appelprocedures, alsmede in het incidentele hoger beroep van JCDecaux tegen het eindvonnis. Of NS Stations ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations een aanbestedende dienst is, wordt door het hof beoordeeld in de zaak met nummer 200.233.320 (appel NS Stations). Of de verleende concessies een ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’ hebben wordt door het hof beoordeeld in de zaak met nummer 200.237.719 (appel JCDecaux).
geen sprake is van rechtsverwerkingaan de zijde van JCDecaux. De rechtbank oordeelde dat de door NS Stations en Exterion gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om aan te nemen dat bij NS Stations het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat JCDecaux niet meer het standpunt zou innemen dat NS Stations de concessieovereenkomst uit 2011 had moeten aanbesteden. De gestelde feiten en omstandigheden brengen volgens de rechtbank evenmin mee dat sprake is van onredelijke benadeling bij NS Stations, omdat NS Stations ten tijde van het sluiten van de overeenkomst ermee bekend was dat JCDecaux het standpunt innam dat NS Stations de concessie had moeten aanbesteden. Het hof voegt daar aan toe dat de door JCDecaux gestelde feiten en omstandigheden het beeld schetsen van een situatie waarin NS Stations vanaf 2010 vaag is gebleven over haar onderhandelingen met Exterion en de inhoud en omvang van de (nieuw af te sluiten) concessieovereenkomst. JCDecaux wist daarom niet (precies) waartegen zij zich (eventueel in rechte) diende te verzetten. De situatie is in onduidelijkheid toegenomen voor JCDecaux nadat zij in juni 2011 het nemen van rechtsmaatregelen had aangekondigd en de vage toezeggingen van NS Stations dat zij in 2015 alsnog de uitgifte van reclame-concessies zou openstellen (rov. 3.4).
Grossmann-jurisprudentie [18] in een geschil als dit niet van toepassing is. Daarbij acht het hof van belang dat voor JCDecaux niet duidelijk was of had kunnen zijn vanaf welk moment van haar proactieve actie werd verwacht (rov. 3.5-3.6).
publiekrechtelijke instelling’. Het hof stelt voorop dat partijen het eens zijn over het ter zake geldende toetsingskader (rov. 3.8 e.v.). Het hof oordeelt dat NS Stations voorziet in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard (rov. 3.18-3.19). NS Stations is een ‘publiekrechtelijke instelling’ en zodoende een aanbestedende dienst (rov. 3.20).
duidelijk grensoverschrijdend belangontbrak (rov. 3.23).
tussenconclusiedat NS Stations als aanbestedende dienst zowel ten aanzien van de concessieovereenkomst 2011 als de Ngage-overeenkomst ten onrechte geen passende mate van openbaarheid heeft geboden. Het hof oordeelt dat het sluiten van een concessieovereenkomst voor diensten met een duidelijk grensoverschrijdend belang zonder een passende mate van openbaarheid in acht te nemen, onrechtmatig is jegens gepasseerde gegadigden als JCDecaux. Voor de periode vanaf 2011 tot 1 april 2013 volgt die onrechtmatigheid uit de schending van het (primaire) Unierecht.
slotsom. Het verklaart voor recht dat NS Stations ten aanzien van het (doen) exploiteren van advertentiemogelijkheden op stations een aanbestedende dienst is. Het hof wijst het tweede onderdeel van de door JCDecaux primair gevorderde verklaring voor recht af, voor zover JCDecaux vordert dat in algemene zin voor recht wordt verklaard dat NS Stations vanaf medio 2011 gehouden was overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten op het gebied van reclame en straatmeubilair aan te besteden, althans voor mededinging open te stellen. De gevorderde verklaring voor recht wordt wél toegewezen ten aanzien van de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst, omdat de stellingen van JCDecaux zijn toegespitst op die beide overeenkomsten waarvan zij met succes heeft betoogd dat sprake was van een duidelijk grensoverschrijdend belang.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
regelgevingover dit onderwerp.
Concessierichtlijn). [23] Op grond van deze richtlijn wordt nu ook de procedure voor de verlening van concessies voor werken en van concessies voor diensten in Europese wetgeving geregeld.
functioneel en ruim” te worden uitgelegd [31] (vgl. het bestreden arrest, rov. 3.12).
Universale Bauuit 2002 heeft het Hof van Justitie het volgende overwogen (mijn onderstrepingen): [33]
Korhonen: [34]
zij voor het geheel van haar activiteiten aan te merken als publiekrechtelijke instellingen daarmee als aanbestedende dienst.
LitSpecMet [35] was de vraag aan de orde of VLRD, een 100% dochter van de nationale spoorwegmaatschappij van Litouwen, is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang. Het Hof van Justitie overwoog onder meer (mijn onderstreping):
eerst worden nagegaanof [VLRD] is
opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belangen of haar activiteiten werkelijk in die behoefte voorzien en, als dat het geval is, moet
vervolgens worden uitgemaakt of die behoeften al dan niet van industriële of commerciële aard zijn(zie in die zin arrest van 22 mei 2003, C-18/01, ECLI:EU:C:2003:300 (Korhonen), punt 40)”.
Agora en Excelsioruit 2001 geeft daarvan een voorbeeld. Het ging daar om een entiteit die i) tot doel had activiteiten uit te oefenen verband houdend met de organisatie van jaarbeurzen, tentoonstellingen en soortgelijke projecten, ii) geen winstoogmerk had, maar werd bestuurd op basis van criteria van rendement, doelmatigheid en rentabiliteit, en iii) opereerde in een klimaat van concurrentie. [36]
geenpubliekrechtelijke instelling. [37]
opgericht voor het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang”) en het tweede gedeelte daarvan (“
andere behoeften dan van industriële of commerciële of aard”) – een onderscheid dat in het middel niet scherp wordt gemaakt. In de eerste alinea van rov. 3.12 overweegt het hof namelijk:
transferfunctie: een rechthebbende van een station is verplicht vervoerders, passagiers en verladers veilige en adequate toegang te verlenen (rov. 3.14). [38] Op basis van de beleidsnotitie Definitie Zeggenschap Infrastructuur (hierna:
DZI) en een rapport van Ecorys onderscheidt het hof drie typen infrastructuur: a. railverkeers- en vervoersinfrastructuur (sporen, stationstunnels, perrons, (rol)trappen en liften), b. infrastructuur met gemengde functies (stationsgebouwen) en c. vastgoed (werkplaatsen en kantoren rondom de stations); zie rov. 3.15. NS Stations mag infrastructuur met gemengde functies commercieel exploiteren, maar wel met randvoorwaarden om de publieke verkeer- en vervoersfuncties te waarborgen (rov. 3.16). Het hof overweegt voorts dat de Algemene Voorwaarden Stations over de taken en bevoegdheden van NS Stations bepaalt dat zij verplicht is de stationsgebouwen, die ten dienste staan van de stationsfunctie, zodanig te onderhouden en in stand te houden dat de veiligheid van het (reizigers)publiek is gewaarborgd (rov. 3.17).
van niet-commerciële of niet-industriële aard. Het hof overweegt als volgt (mijn onderstreping):
In de praktijk en conform de in de DZI beschreven taakverdeling met ProRail is er een duidelijke rol voor NS Stations in het beheer en de exploitatie van de [Gemeenschappelijke Infrastructuur], waarmee die daadwerkelijke activiteiten van NS Stations voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard. Op dezelfde gronden verwerpt het hof het argument van NS Stations dat nu zij niet wordt genoemd in de Spoorwegwet zij in publieke zin “niets” is en louter haar commerciële taak (het beheer van commercieel vastgoed) uitoefent. (…).”
haar, als rechthebbende ten aanzien van de stations, een bindende aanwijzing opleggen ter waarborging van die toegang.
implicit guarantee(van uiteindelijk de Staat) is een omstandigheid die in de rechtspraak als relevant is aangemerkt voor de beoordeling of het gaat om andere behoeften van algemene belang dan van commerciële aard. [42]
subonderdeel 1.2.2betoogd dat het hof in rov. 3.14-3.18 van het bestreden arrest heeft miskend dat de oorspronkelijke intentie om aan NS Stations geen publieke taken op te dragen nog altijd niet is verlaten.
die specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang”), terwijl het zojuist besproken subonderdeel 1.1 betrekking heeft op het tweede zinsdeel (“
anders dan van industriële of commerciële aard”). Anders dan Exterion in haar middel in zaak 20/00008, heeft NS Stations dus de logische volgorde van de beide criteria omgedraaid (vgl. 4.25 hiervoor).
strikte scheiding tussen privaat en publiek rond het spoor” [46] mijns inziens niet op. De in het midden van de jaren ’90 doorgevoerde splitsing van de vroegere Nederlandse Spoorwegen in de aanbieder van spoorvervoerdiensten (NS) en de beheerder van de spoorweginfrastructuur (ProRail) betekent niet dat de NS daardoor in het private domein is beland. Dat haar bedrijfsvoering aan bepaalde bedrijfseconomische normen moet voldoen maakt NS evenmin een private onderneming met commerciële activiteiten. De nationale kwalificatie ‘privaat’, wat daar verder van zij, is hoe dan ook irrelevant voor de uitleg van een autonoom Unierechtelijk begrip als ‘publiekrechtelijke instelling’. Tot slot wijs ik erop dat, anders dan NS Stations ingang wil doen vinden, een entiteit ook kan voorzien in behoeften van algemeen belang in de hier relevante betekenis indien haar niet een daartoe strekkende taak is
opgedragen. De aanbestedingsrechtelijke regelgeving en rechtspraak bevatten namelijk geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat het doel om in behoeften van algemeen belang te voorzien formeel moet zijn vastgelegd in een (wettelijke of statutaire) taakopdracht. [47] Bepalend is welke activiteiten een entiteit feitelijk verricht, zoals het hof met juistheid heeft overwogen in rov. 3.19.
Telaustriahierbij aan
. [52] Het Hof legde een koppeling tussen gelijke behandeling en transparantie: het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit (of vestigingsplaats) kan alleen worden nageleefd als transparantie wordt betracht. Je weet immers pas of er andere gegadigden zijn als je openbaar hebt gemaakt dat er een opdracht te vergeven is. Volgens het Hof houdt de transparantieverplichting in (mijn onderstreping):
een passende mate van openbaarheidwordt gegarandeerd, zodat de dienstenmarkt voor mededinging wordt geopend en de aanbestedingsprocedures op onpartijdigheid kunnen worden getoetst.”
Conameuit 2005 bleek dat het niet nodig is om een volledige aanbestedingsprocedure te organiseren; het volstaat dat gegadigden uit andere lidstaten een reële mogelijkheid krijgen hun belangstelling voor de concessie te tonen. [53] In het arrest
Parking Brixen, eveneens uit 2005, overwoog het Hof: [54]
van te vorenaankondigen om de opdracht ‘voor mededinging open stellen’.
An Postuit 2007 kwam het Hof met een iets ander afbakeningscriterium: ‘een duidelijk grensoverschrijdend belang’. [57] Dit criterium werd in die zaak toegepast op een opdracht voor een B-dienst. Aldus werd de ‘
Telaustria-rechtspraak’ doorgetrokken naar B-diensten maar tegelijk geclausuleerd door het criterium ‘een duidelijk grensoverschrijdend belang’.
Commissie/Italiëuit 2008 oordeelde het Hof in gelijke zin ten aanzien van opdrachten beneden de drempelwaarde (mijn onderstreping): [58]
certain’vormt. De Franse taalversie van het arrest (de werktaal van het Hof) luidt: ‘
un intérêt transfrontalier certain’. Doordat het bijvoeglijk naamwoord ‘
certain’achteraan staat, is een
duidelijkgrensoverschrijdend belang bedoeld. Indien een ‘eventueel belang’ of een ‘bepaald belang’ was bedoeld, dan zou het woord ‘
certain’ vooraan moeten staan:
un certain intérêt transfrontalier’’. [59]
SECAPuit 2008 overwoog het Hof van Justitie dat een opdracht een duidelijk grensoverschrijdend belang kan vertonen wegens de geraamde waarde ervan, samen met de technische aard ervan of de uitvoering van de werken op een plek die voor buitenlandse marktdeelnemers interessant zou kunnen zijn. [60] Dit zijn geen cumulatieve vereisten, maar niet-limitatieve factoren die voor de te maken beoordeling van belang kunnen zijn. De rechter moet deze factoren, en mogelijk andere relevante omstandigheden in zijn oordeel betrekken. [61] Aldus heeft het Hof de factoren die bepalend zijn om een duidelijk grensoverschrijdend belang te kunnen aannemen nader geobjectiveerd.
Technoedi(2016),
Borta Klaipedos(2017) en
Oftalma(2018). [62] In laatstgenoemd arrest heeft het Hof (nogmaals) overwogen dat:
JC/Decaux/Eindhoven [64] in 2018 het volgende vooropgesteld (rov. 3.4):
het sluiten van een concessieovereenkomst voor diensten met een duidelijk grensoverschrijdend belang”. [67] Op grond van art. 1.9 lid 2 Aw 2012 (oud) draagt de aanbestedende dienst in ieder geval zorg voor een passende mate van openbaarheid van de aankondiging van het voornemen tot onder andere het sluiten van een concessieovereenkomst voor openbare werken. Blijkens de memorie van toelichting “
geldt hetzelfde (…) met betrekking tot concessieovereenkomsten voor diensten.” [68] De algemene beginselen van aanbestedingsrecht waren in 2015 dus van toepassing op de verlening van een dienstenconcessie die een duidelijk grensoverschrijdend belang had. [69]
in ieder geval” niet mag worden afgeleid dat de overeenkomsten een lokaal karakter hebben. Dat acht ik zonder meer juist.
bestaanvan een duidelijk grensoverschrijdend belang aan te nemen, lijkt hier door NS Stations te worden omgedraaid: het feit dat (alleen) een Nederlandse dochtervennootschap en niet de buitenlandse moeder belangstelling toont voor een dienstenconcessie zou een aanwijzing vormen voor het
ontbrekenvan een duidelijk grensoverschrijdend belang. Ik acht dat onjuist. Ten eerste blijkt uit de rechtspraak dat niet is vereist dat een aanbieder uit een andere lidstaat interesse in een opdracht
heeft getoond(vgl. 4.56 hiervoor); bepalend is of deze gelet op de relevante omstandigheden redelijkerwijs interesse kan hebben. Ten tweede worden ondernemingen die gebruik hebben gemaakt van het door de vrijheid van vestiging (art. 49 VWEU Pro) toegekende secundaire vestigingsrecht (door in een andere lidstaat een dochter op te richten), slechter behandeld dan een vennootschap die rechtstreeks vanuit haar vestiging in een andere lidstaat haar belangstelling kenbaar maakt. Daarin schuilt een risico van discriminatie op grond van nationaliteit: enerzijds omdat aanbestedende diensten dan eerder ervan kunnen uitgaan dat een opdracht niet een duidelijk grensoverschrijdend belang heeft en daarom niet voor mededinging hoeven open te worden gesteld; anderzijds omdat het meedoen aan aanbestedingen rechtstreeks vanuit een ander land, zonder tussenkomst en ondersteuning van een lokale vennootschap, in veel gevallen een nadeel is en daarmee de kans om de opdracht in de wacht te slepen kan verkleinen.
Commissie/Duitslanduit 2010 over het verlenen van opdrachten, op deelstaatniveau en per regio, voor spoedeisende ambulancediensten met een hogere waarde dan medische diensten. Daarin zou het Hof van Justitie hebben uitgemaakt dat ondanks een contractwaarde van € 70 miljoen zich niet een duidelijk grensoverschrijdend belang voordeed. [73] Ik lees dit nogal complexe arrest anders dan NS Stations kennelijk voorstaat. Het gaat in die inbreukprocedure (art. 258 VWEU Pro) om een aanbestedingspraktijk in vier Duitse deelstaten, die door de Commissie wordt geïllustreerd aan de hand van een aantal individuele opdrachtverleningen met een sterk wisselende contractwaarde. Eén opdracht van € 65 miljoen (niet € 70 miljoen) in de regio Hannover springt er in waarde bovenuit. [74] Het arrest ziet niet op dienstenconcessies maar op overheidsopdrachten voor B-diensten. [75] Het Hof oordeelt dat de Commissie het bewijs van de door haar gestelde inbreuk op bepaalde richtlijnbepalingen en art. 49 en Pro 56 VWEU niet heeft geleverd, ook niet ten aanzien van “
de vraag of de door de Commissie genoemde opdrachten een duidelijk grensoverschrijdend belang hebben” (punt 123). Uit het arrest blijkt dat het Hof de bewijsvoering door de Commissie op generiek niveau heeft beoordeeld en niet op het niveau van de aangevoerde individuele gevallen. Wat hier ook van zij, in de zeer specifieke sector van de ambulancediensten is aannemelijk dat markten regionaal of zelfs lokaal van aard zijn, wat de kans op belangstelling vanuit het buitenland niet uitsluit maar wel gering maakt. Voor het uitvoeren van deze diensten gelden strikte vereisten, onder andere op medisch, logistiek en administratief gebied. De sector buitenreclame is daarmee niet vergelijkbaar. Dat is immers een gewone commerciële branche, waarin voor internationaal opererende bedrijven in beginsel geen bijzondere technische of regelgevende belemmeringen bestaan om elders in de Europese Unie dezelfde activiteiten als op de thuismarkt te ontplooien.
Grossmann-jurisprudentie, [77] van JCDecaux een proactieve houding mocht worden verwacht toen zij wist dat een voor haar relevante, omvangrijke concessie onderhands aan een andere partij zou worden gegund en zij meende dat daarbij de aanbestedingsregels werden geschonden. Het grote gewicht dat het hof heeft toegekend aan de door JCDecaux gestelde onzekerheid omtrent de looptijd en de inhoud van de voorgenomen concessieovereenkomst 2011 is volgens het subonderdeel niet te rijmen met het arrest
Oosterbroek/Nekami [78] en, gelet op het partijdebat, onbegrijpelijk. Het subonderdeel voert daartoe aan dat uit de stellingen van partijen volgt (i) dat JCDecaux (voldoende) op de hoogte was van de (langere) looptijd van de voorgenomen concessieovereenkomst, en (ii) dat JCDecaux (voldoende) bekend was met de inhoud daarvan.
Grossmann. [80] In dit arrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld over de vraag of het in strijd is met de zogenoemde Rechtsbeschermingsrichtlijn [81] dat een onderneming op grond van regels van nationaal recht wegens gebrek aan belang geen toegang heeft tot een beroepsprocedure. Op grond van dit arrest mag van de inschrijver c.q. klager een proactieve houding worden verwacht. Hij dient zijn bezwaren zo spoedig mogelijk bekend te maken bij de aanbestedende dienst. Uit het arrest volgt dat inschrijvers in een zo vroeg mogelijk stadium bezwaren tegen een aanbesteding (bijvoorbeeld wegens de voorgeschreven specificaties) kenbaar moeten maken, anders kunnen zij niet meer opkomen tegen de voorlopige gunningsbeslissing.
Grossmannen de onderhavige zaak. In
Grossmannwas een openbare aanbestedingsprocedure gehouden waaraan de gelijknamige onderneming niet had deelgenomen. Deze had ook geen bezwaar gemaakt tegen de voor deelneming aan de aanbesteding vastgestelde specificaties. Hier heeft NS Stations geen aanbesteding georganiseerd en evenmin, voorafgaand aan het verlenen van de beide concessies, een passende mate van openbaarheid betracht. Er was dus niets waartegen JCDecaux bezwaar kon maken. [82] Het hof oordeelt daarom terecht dat de
Grossmann-jurisprudentie niet van toepassing is op een situatie als hier aan de orde. Het hof hoefde ook niet toe te komen aan een analoge toepassing van die jurisprudentie, omdat voor JCDecaux niet duidelijk was of had kunnen zijn vanaf welk moment van haar een proactieve houding kon worden verwacht en omdat NS Stations bewust of onbewust de onduidelijkheid liet voortduren (vgl. rov. 3.6).
er in 2011 geen sprake was van een uit een richtlijn of wet voortvloeiende aanbestedingsplicht voor NS Stations”, oordeelt dat de concessieovereenkomst 2011 een duidelijk grensoverschrijdend belang heeft en wordt beheerst door de algemene beginselen van aanbestedingsrecht (rov. 3.37 in combinatie met rov. 3.43). Het hof is, zoals wij hiervoor zagen, ten aanzien van de Ngage-overeenkomst tot dezelfde conclusie gekomen (rov. 3.47). Waar in het dictum wordt gesproken over ‘aanbestedingsplichtig’ heeft het hof in het licht van zijn oordeel klaarblijkelijk bedoeld dat NS Stations voor beide overeenkomsten verplicht was in ieder geval een passende mate van openbaarheid te betrachten en dus de markt voor mededinging open te stellen.
om in geval van elke overtreding van het onder 4 en 5 geformuleerde verbod en niet-naleving van het onder 6 en 7 geformuleerde gebod een dwangsom aan JCDecaux te betalen van € 100.000,-- per overtreding per dag dat deze voortduurt, tot een maximum van € 1.500.000.”
geboden. Naar ik aanneem is daarvoor de verklaring dat deze geboden, anders dan de verboden, geen termijn bevatten.
dat zij best bereid is geweest een redelijke termijn in acht te nemen.”In haar schriftelijke dupliek (nr. 25) citeert NS Stations uit een vonnis in het (kennelijk door JCDecaux bedoelde) executiekortgeding, dat niet is overgelegd en voor zover ik kan nagaan ook niet is gepubliceerd op rechtspraak.nl. Uit het citaat lijkt af te leiden dat NS Stations de overeenkomsten op 9 respectievelijk 11 oktober 2019 aan JCDecaux heeft verstrekt en het niet aannemelijk is “
dat dwangsommen zijn verbeurd en de bodemrechter anders zal oordelen.” Ik begrijp feitelijke gang van zaken aldus dat (ruimschoots) is voldaan aan de in de vordering genoemde termijn van 15 werkdagen na de betekening van het arrest (als dat überhaupt betekend is).
binnen uiterlijk 15 werkdagen na betekening van het arrest” worden toegevoegd. Het ligt namelijk voor de hand aan te sluiten bij de in de vordering van JCDecaux genoemde termijn. Dit onderdeel van het dictum komt dan te luiden: “
gebiedt NS Stations om binnen uiterlijk 15 werkdagen na betekening van het arrest inzage te verstrekken in de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst waarbij informatie ten aanzien van de prijzen onleesbaar dient te worden gemaakt.” Ik zou menen dat indien hiertoe wordt beslist, de kosten dienen te worden gecompenseerd, aangezien het ontbreken van een termijn in het dictum onder 6) niet is te wijten aan stellingen van JCDecaux en bovendien in het geheel van deze omvangrijke zaak een ondergeschikt punt vormt.
Subonderdeel 4.4klaagt dat het hof in strijd met art. 24 Rv Pro een andere veroordeling heeft uitgesproken dan gevorderd. Na afwijzing van de ruime exhibitievordering kon het hof de daaraan verbonden vordering van een accountantsverklaring niet wijzigen in de wezenlijk andere vordering van een accountantsverklaring waaruit blijkt dat NS Stations een compleet overzicht heeft verstrekt van de concessieovereenkomst 2011 en de Ngage-overeenkomst, aldus het subonderdeel. Verder betoogt het middel dat onduidelijk is waarop de bedoelde accountantsverklaring zou moeten zien. Tot slot is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, nu er een tegenstrijdigheid bestaat tussen het dictum en de daaraan voorafgaande overweging in rov. 4.2. Anders dan in het dictum heeft het hof immers ten aanzien van het gebod tot verstrekking van een accountantsverklaring in rov. 4.2, achter het zevende streepje, niet geoordeeld dat dit gebod wordt versterkt met een dwangsom, aldus het middel.