ECLI:NL:PHR:2020:120
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid vereffenaar in cassatieberoep bij geschil over rekening en verantwoording nalatenschap
De zaak betreft een geschil over de aflegging van rekening en verantwoording door de vereffenaar van een nalatenschap. Na het overlijden van de erflater ontstond discussie over de waarde van aandelen en de handelwijze van de vereffenaar. De kantonrechter oordeelde dat het verzoek niet als verzet tegen de uitdelingslijst in de zin van art. 4:218 lid 3 BW Pro moest worden gekwalificeerd, maar als een geschil over de rekening en verantwoording op grond van art. 4:151 BW Pro.
De vereffenaar stelde cassatieberoep in tegen de beschikking, terwijl de verweerders betoogden dat de vereffenaar niet ontvankelijk was omdat tegen de beschikking alleen cassatieberoep openstond en geen hoger beroep. De Hoge Raad onderzocht ambtshalve of het juiste rechtsmiddel was ingesteld en concludeerde dat de kwalificatie van de kantonrechter leidend is en niet die van de partij die het beroep instelt.
De Hoge Raad stelde vast dat de kantonrechter het verzoek als een geschil over de rekening en verantwoording heeft behandeld, waardoor de reguliere rechtsmiddelenregeling geldt en hoger beroep openstaat. De vereffenaar is daarom niet ontvankelijk in het cassatieberoep. De vereffenaar kan echter alsnog hoger beroep instellen op grond van art. 340 Rv Pro. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Uitkomst: De vereffenaar is niet ontvankelijk in het cassatieberoep en kan alsnog hoger beroep instellen.