Conclusie
de strandexploitant) aan verweerster in cassatie onder 1 (hierna:
het watersportbedrijf). Vast staat dat de strandexploitant onrechtmatig heeft gehandeld jegens het watersportbedrijf door de onderhandelingen af te breken. In eerste aanleg is de strandexploitant op die grondslag veroordeeld tot het alsnog aangaan van een huurovereenkomst met het watersportbedrijf, bij wijze van schadevergoeding in natura als bedoeld in art. 6:103 BW Pro Curaçao (hierna: BWC). In het door de strandexploitant ingestelde hoger beroep heeft het hof de veroordeling tot schadevergoeding in natura vervangen door een veroordeling tot schadevergoeding, op te maken bij staat. In cassatie gaat het om de vraag of het hof dit kon doen zonder dat de vorm van de schadevergoeding (in natura of in geld) in de grieven ter discussie was gesteld. Verder wordt de vraag opgeworpen of de gewijzigde veroordeling in strijd is met de regel dat het hoger beroep van de appellant niet mag leiden tot een voor hem ongunstiger resultaat (‘
reformatio in peius’).
1.Feiten en procesverloop
de vrouwen
de man). Zij zijn beiden aandeelhouder van verweerster in cassatie onder 2, die een duikschool exploiteert.
de compagnon), die een bedrijf exploiteert dat zich bezighoudt met de verhuur van waterscooters. [2] Deze samenwerking had tot doel in een gezamenlijke onderneming duik- en waterscooteractiviteiten aan te bieden vanaf het strand van de strandexploitant op Curaçao.
volledigeschadevergoeding, op te maken bij staat, bij wijze van substituut voor de onder 2 gevorderde schadevergoeding in natura en de onder 3 gevorderde
aanvullendeschadevergoeding. [11]
onder 1gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar (rov. 4.11 e.v.).
onder 2(tot schadevergoeding in natura) is dus toewijsbaar. De veroordeling zal worden gespecificeerd door te bepalen dat de door de strandexploitant overgelegde huurovereenkomst met de compagnon [16] moet worden aangegaan met het watersportbedrijf (rov. 4.16).
onder 4(tot volledige schadevergoeding, op te maken bij staat) en het bepaalde in art. 6:103 BWC Pro, zal het gerecht de strandexploitant veroordelen tot betaling aan het watersportbedrijf van een schadevergoeding in geld, op te maken bij staat, voor het geval dat de strandexploitant niet binnen zes maanden voldoet aan de veroordeling tot het aangaan van een huurovereenkomst met het watersportbedrijf. Het gevorderde voorschot zal het gerecht afwijzen: over de schadeomvang is nader debat nodig (rov. 4.18).
onder 3(tot aanvullende schadevergoeding, náást schadevergoeding in natura) geldt dat de door het watersportbedrijf geleden schade – die op zichzelf voldoende aannemelijk is – zich nog niet laat begroten. Ook voor de begroting van deze schade zal de zaak daarom worden verwezen naar de schadestaatprocedure (rov. 4.19).
Grief IIwas gericht tegen rov. 4.13, betreffende de schadeplichtigheid van de strandexploitant.
Grief IIIwas gericht tegen rov. 4.13 tot en met 4.19, betreffende de toewijsbaarheid van de vorderingen tot schadevergoeding. In dat kader heeft de strandexploitant de gestelde schade betwist (
subgrief III.a) en een beroep gedaan op vermindering van de vergoedingsplicht wegens eigen schuld in de zin van art. 6:101 BWC Pro (
subgrief III.b).
Grief IVbetrof de proceskosten.
Grief Vwas een veeggrief.
on hold.’ [30]
toev. A-G) zal bij de vaststelling van de schadeomvang worden beoordeeld, maar staat niet in de weg aan een veroordeling tot schadevergoeding en verwijzing naar de schadestaatprocedure. In zoverre falen de grieven 2 en 3 in het principaal hoger beroep (rov. 2.5).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1). Tevens wordt geklaagd dat het hof daarmee het verbod van ‘
reformatio in peius’ (
onderdeel 2), de grenzen van de rechtsstrijd in appel (
onderdeel 3) en het bepaalde in art. 6:103 BWC Pro heeft miskend (
onderdeel 4).
vormwaarin schadevergoeding plaatsvindt. De eerste volzin bevat de hoofdregel dat schadevergoeding wordt voldaan in geld. De tweede volzin bepaalt, bij wijze van uitzondering (‘nochtans’), dat de rechter op vordering van de benadeelde een ‘schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een geldsom’ kan toekennen. Dit wordt ook wel schadevergoeding ‘in natura’ genoemd. Zij kan zowel feitelijke handelingen – zoals het herstel van een zaak – als rechtshandelingen – zoals de levering van een goed – omvatten. [38]
aansprakelijkeeen veroordeling tot schadevergoeding in natura uitspreekt. De achterliggende gedachte is dat ‘de aansprakelijke de benadeelde niet iets moet kunnen opdringen waar deze niet mee instemt’. Dit klemt volgens de wetgever temeer waar het gaat om een schadevergoeding wegens wanprestatie: hier zou voornoemde mogelijkheid ertoe leiden ‘dat de schuldeiser nog lang na de wanprestatie zou kunnen worden gedwongen met de oorspronkelijke prestatie genoegen te nemen en van schadevergoeding af te zien’. [42] Schadevergoeding in natura is, met andere woorden, een voorziening ten behoeve van de
benadeelde, niet een alternatieve (mogelijkerwijs voordeliger [43] ) vergoedingsvorm die ten dienste staat van de
aansprakelijke. [44]
discretionaire bevoegdheidvan de rechter. Aangenomen wordt dat de rechter weliswaar gehouden is om een veroordeling tot schadevergoeding in natura uit te spreken, als is voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden, maar dat aan zijn beslissing over het al dan niet toekennen van schadevergoeding in natura geen hoge motiveringseisen kunnen worden gesteld. [47]
vormvan de schadevergoeding (namelijk gedeeltelijk anders dan in geld). Deze uitleg vindt volgens het onderdeel steun in het door de strandexploitant in appel ingenomen standpunt dat zij zou hebben voldaan aan de veroordeling in eerste aanleg, door een huurovereenkomst aan te bieden aan het watersportbedrijf. Ook verweerders zouden de principale grieven 2 en 3 aldus hebben begrepen, dat daarmee niet de
vormvan de schadevergoeding ter discussie werd gesteld (
onderdeel 1.1). Tegen deze achtergrond wordt ’s hofs oordeel in rov. 2.12, over het gedeeltelijk slagen van de principale grieven 2 en 3, eveneens als onbegrijpelijk bestreden (
onderdeel 1.2).
vormde schade moet worden vergoed.
aanvullendeschadevergoeding, op te maken bij staat (onderdelen 5.2 en 5.4 van het dictum in eerste aanleg), respectievelijk tot
volledigeschadevergoeding, op te maken bij staat, voor het geval dat geen huurovereenkomst met het watersportbedrijf tot stand zou komen (onderdeel 5.3 van het dictum in eerste aanleg).
omvangen de
vormvan de verschuldigde schadevergoeding. Dát het hof de grieven aldus heeft opgevat, blijkt uit rov. 2.5 (waar het hof overweegt dat de betwisting van de schadeomvang, inclusief het beroep op eigen schuld, in de schadestaatprocedure aan bod kan komen), rov. 2.6 (waar het hof overweegt dat de principale grieven 2 en 3 succes hebben, voor zover het de in eerste aanleg uitgesproken veroordeling tot schadevergoeding in natura betreft), rov. 2.7 (waar het hof herhaalt dat het beroep op eigen schuld in de schadestaatprocedure aan de orde kan komen) en rov. 2.12 (waar het hof overweegt dat de principale grieven leiden tot een aangepaste veroordeling met verwijzing naar de schadestaat). [57]
reformatio in peius’ zou hebben miskend. Volgens het onderdeel houdt de gewijzigde veroordeling in appel voor de strandexploitant een verslechtering in ten opzichte van de beslissing in eerste aanleg, althans kan niet worden uitgesloten dat die veroordeling een dergelijke verslechtering inhoudt. Daartoe wordt verwezen naar de al eerder genoemde stellingname van de strandexploitant, dat zij zou hebben voldaan aan de in eerste aanleg uitgesproken veroordeling tot schadevergoeding in natura (
onderdeel 2.1). Het hof zou de juistheid van die stellingname in het midden hebben gelaten. Ervan uitgaande dat de strandexploitant had voldaan aan de genoemde veroordeling, resteerde ten tijde van de beslissing van het hof de veroordeling onder 5.4 van het dictum in eerste aanleg, die was beperkt tot de schade die het watersportbedrijf had geleden in de periode van 1 maart 2014 tot 1 januari 2018 (de ingangsdatum van de te sluiten huurovereenkomst). De veroordeling tot volledige schadevergoeding, op te maken bij staat, die het hof daarvoor in de plaats heeft gesteld, is niet tot die periode beperkt. Gelet hierop valt, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien dat de gewijzigde veroordeling in appel voor de strandexploitant geen verslechtering inhoudt, of zou kunnen inhouden, ten opzichte van de veroordeling in eerste aanleg (
onderdeel 2.2). Indien het hof heeft geoordeeld dat ook bij de strandexploitant de wil heeft ontbroken om alsnog een huurovereenkomst met het watersportbedrijf aan te gaan en/of heeft geoordeeld dat de strandexploitant níet aan onderdeel 5.2 van het dictum in eerste aanleg heeft voldaan, is dat oordeel volgens het middel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de meergenoemde stellingname van de strandexploitant over de naleving van de veroordeling in eerste aanleg (
onderdeel 2.3).
reformatio in peius’ – de regel dat het hoger beroep van de appellant niet mag leiden tot een voor hem ongunstiger resultaat [60] – geldt dus in het Caribische appelprocesrecht evenzeer als in het Nederlandse. [61] Wel wordt betoogd dat de mogelijkheid van ambtshalve vernietiging meebrengt dat, indien incidenteel hoger beroep is ingesteld (zoals in dit geval), een vernietiging ten gunste van de incidenteel appellant buiten de incidentele grieven om mogelijk is. Per saldo is de principaal appellant dan als gevolg van het instellen van hoger beroep slechter af. [62] Overigens kunnen feitelijke ontwikkelingen sinds het in appel bestreden vonnis ook meebrengen dat de appellant in feitelijke zin slechter af is door zijn appel, ook al is in juridische zin geen sprake van een verboden verslechtering. [63]
reformatio in peius’ niet miskend. Van belang is in dit verband de stelling van de strandexploitant bij memorie van grieven in het principaal hoger beroep, dat zij er belang bij had dat op zo kort mogelijke termijn met de exploitatie van de duikschool zou worden begonnen (door wie dan ook) en dat het watersportbedrijf niet werkelijk meer geïnteresseerd leek in de exploitatie van de duikschool. [64] Het hof heeft hierop gerespondeerd in rov. 2.6, waar het hof vaststelt dat de verhoudingen tussen partijen inmiddels dusdanig zijn verstoord dat de in eerste aanleg uitgesproken veroordeling tot het alsnog aangaan van een huurovereenkomst ‘meer problemen zal creëren dan oplossen’. Hiervoor bleek al dat die vaststelling in cassatie (terecht) niet is bestreden. Kennelijk bedoelt het hof hiermee dat óók de strandexploitant, gezien het door haar benadrukte belang bij een spoedige herstart, niet (meer) gebaat is bij een veroordeling tot schadevergoeding in natura. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Terzijde merk ik hierbij op dat de strandexploitant in eerste aanleg zelf (ook) nog nadrukkelijk had verklaard dat bij partijen de voor het aangaan van een huurovereenkomst vereiste ‘vertrouwensbasis’ ontbrak, [65] dat sprake was van een ‘verstoorde relatie’ [66] en dat de strandexploitant ‘geen huurovereenkomst meer’ wenste aan te gaan met verweerders. [67]
reformatio in peius’. Ik laat hierbij in het midden of het hof in het
incidentelehoger beroep ambtshalve de gewijzigde veroordeling had kunnen uitspreken (vgl. alinea 2.23 hiervoor). Overigens hebben verweerders bij memorie van antwoord in principaal appel uitdrukkelijk het standpunt ingenomen dat zij geen heil (meer) zien in een samenwerking met de strandexploitant, al hebben zij hun primaire vordering tot schadevergoeding in natura om hen moverende redenen niet prijsgegeven in appel (zie alinea 1.11 hiervoor).
reformatio in peius’, buiten de grenzen van de rechtsstrijd in appel is getreden. Onder verwijzing naar onderdeel 1.1 wordt herhaald dat de strandexploitant in hoger beroep niet heeft verzocht de in eerste aanleg uitgesproken veroordelingen te vervangen door een veroordeling tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Ook het incidentele hoger beroep van de zijde van verweerders en hun wijziging van eis strekten daartoe niet. Verweerders persisteerden in appel bij hun primaire vordering tot schadevergoeding in natura. Hun incidentele grieven zijn (voor zover van belang) verworpen, en hun gewijzigde eis is afgewezen. Gelet op dit alles zou het hof de grenzen van de rechtsstrijd hebben miskend, door de aangepaste veroordeling met verwijzing naar de schadestaat in de plaats te stellen van de in eerste aanleg uitgesproken veroordelingen.
onderdeel 4.1). De motiveringsklacht van onderdeel 2.3, betreffende het door de strandexploitant gedane beroep op naleving van de veroordeling in eerste aanleg, wordt in dit verband herhaald (
onderdeel 4.2).
benadeeldeniet mag worden opgezadeld met een vorm van schadevergoeding die hij niet wenst. De mogelijkheid van schadevergoeding in natura op verlangen van de aansprakelijke heeft de wetgever juist uitdrukkelijk en gemotiveerd verworpen (zie alinea 2.6 hiervoor). De rechterlijke vrijheid op dit punt wordt dus enkel begrensd door de vordering van de benadeelde (behoudens een beroep van de aansprakelijke op uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in alinea 2.7 hiervoor).