Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen I t/m IIIformuleren klachten tegen het oordeel dat [eiseres] niet is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat zij in 2007 de benodigde financiering had kunnen verkrijgen (rov. 2.7-2.11), en
onderdeel Vtegen het oordeel dat slechts een deel van de in verband met de vergunningaanvraag door [eiseres] gemaakte kosten als schade aan het onrechtmatig handelen kan worden toegerekend (rov. 2.12). De
onderdelen IV en VIbevatten voortbouwklachten tegen een aantal beslissingen van het hof in rov. 2.11 respectievelijk rov. 2.13 en het dictum.
onderdeel IIIklagen over de rov. 2.7-2.9 en 2.11. In rov. 2.7-2.9 oordeelt het hof, kort gezegd, dat de in 2007 bestaande specifieke regels en normen voor woningfinanciering erop gericht waren overkreditering van particulieren tegen te gaan, dat deze regels in ieder geval op een deel van het krediet van toepassing zouden zijn geweest, en dat [eiseres] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hantering van deze regels en normen een beletsel zou hebben gevormd aangezien zij in 2007 wel over spaargeld maar niet over inkomen beschikte. In rov. 2.11 concludeert het hof dat de hierop betrekking hebbende grieven van [eiseres] falen.
onderdeel I.ais onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat het hof beslissend heeft geacht dat in het jaar 2007 voor woningfinancieringen “specifieke regels en normen” golden die in het geval van [eiseres] aan kredietverlening in de weg stonden. Indien het hof doelt op art. 4:34 Wft Pro, heeft het hof niet vastgesteld dat overkreditering dreigt (procesinleiding
nrs. 9-10). Voor zover het hof doelt op de regels die volgen uit HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107, heeft het hof nagelaten te onderzoeken of de hypotheeklasten uit het spaargeld konden worden voldaan (procesinleiding
nr. 13). Volgens
onderdeel I.bis onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat het hof heeft nagelaten om te vermelden op welke “regels en normen” het precies doelt en op grond van welke rechtsregel geen financiering zou zijn verkregen, en om feiten vast te stellen die de voorwaarde(n) vormen voor de toepasselijkheid van de relevante rechtsregel waardoor de toepassing van het recht niet controleerbaar is (procesinleiding
nrs. 16-17).
subonderdelen I.a en I.bslagen naar mijn mening niet. Anders dan deze subonderdelen betogen, is voldoende duidelijk aan welke regels en normen het hof refereert. Het hof heeft in rov. 2.7 als vertrekpunt van zijn beoordeling genomen dat “
zoals is verklaard door [betrokkene 1] en door [eiseres] niet is bestreden, voor woningfinancieringen ook in 2007 al specifieke regels en normen golden.” Deze regels en normen zijn volgens het hof in rov. 2.8 “
erop gericht overkreditering van particulieren tegen te gaan”. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft [betrokkene 1] onder meer verklaard dat “
woningfinanciering uitvoerig wettelijk geregeld is”, dat als hij spreekt over woningfinanciering hij het heeft “
over hypothecair krediet in de zin van de Wet op het financieel toezicht”, en dat “(
d)e wetgeving diverse regels [bevat] die beogen overkreditering van kredietnemers tegen te gaan. Dergelijke wetgeving gold destijds in 2007 al”. Ook heeft [betrokkene 1] verklaard dat “
de verschillende banken hun eigen beleid binnen de kaders van de wetgeving” voeren ten aanzien van het toetsen van de lasten aan het inkomen.
Onderdeel I.aberust op een onjuiste lezing van het arrest waar het veronderstelt dat het hof doelt op de civielrechtelijke zorgplichtnormen van HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107.
subonderdelen I.a en I.blijken te veronderstellen, was het niet aan het hof om te beoordelen of volgens de in 2007 geldende regels en normen sprake zou zijn geweest van overkreditering, of de hypotheeklasten uit het spaargeld konden worden voldaan of om de feiten vast te stellen die de voorwaarde(n) vormen voor de toepasselijkheid van de hierop betrekking hebbende rechtsregels. Het was aan [eiseres] om aan te tonen dat zij in 2007 de benodigde financiering zou hebben kunnen verkrijgen. [8]
nrs. 13 en 20een klacht moet worden gelezen die voldoet aan art. 407 lid 2 Rv Pro en inhoudt dat het hof de mogelijkheid tot het verkrijgen van financiering op basis van spaargeld niet in zijn motivering heeft betrokken, dan faalt die klacht mijns inziens. Uit rov. 2.8 blijkt dat het hof heeft onderkend dat [eiseres] in 2007 over spaargeld beschikte. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat [eiseres] niet heeft bewezen dat op grond daarvan de benodigde woningfinanciering kon worden verkregen, ook als er geen inkomsten waren.
onderdeel Inog klaagt over het gebruik van het jaar 2007 als referentiejaar (procesinleiding
nr. 5), faalt het. Niet valt in te zien waarom dit onjuist zou zijn gezien de bewijsopdracht en de verklaringen van de getuigen en partijdeskundigen die steeds verwijzen naar het jaar 2007 (zie rov. 2.3.2, 2.4.1, 2.4.2 en 2.5). Het onderdeel verwijst verder niet naar stellingen van [eiseres] waaruit zou volgen dat zij in de procedure bij de rechtbank en het hof stellingen heeft ingenomen over haar inkomen in, voor zover voor deze procedure relevant, een ander jaar dan 2007.
onderdeel III. Volgens dit onderdeel is onjuist dat het hof, op basis van de verklaring van deskundige [betrokkene 1] en de onvoldoende gemotiveerde betwisting daarvan door [eiseres], heeft vastgesteld dat hantering van ‘regels en normen’ voor woningfinancieringen voor [eiseres] een beletsel zou hebben gevormd om in 2007 een dergelijke financiering te verkrijgen. Betoogd wordt dat het hof bij deze vaststelling ten onrechte kennelijk art. 149 Rv Pro heeft toegepast. Het hof moet zelfstandig het recht uitleggen en toepassen, daarbij is niet van belang hoe deskundigen of partijen een rechtsregel uitleggen en of een bepaalde uitleg door een partij is betwist, aldus de klacht.
onderdeel IIis onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd dat het hof in rov. 2.10 [eiseres] niet heeft toegestaan om te bewijzen dat zij in 2007 over prognosecijfers beschikte en een ondernemingsplan zou kunnen overleggen, maar zijn oordeel dat de plannen van [eiseres] destijds te vaag waren om te kunnen aannemen dat een zakelijke financiering zou zijn verleend wel op het ontbreken van die stukken heeft gebaseerd (procesinleiding
nrs. 23 en 30). Betoogd wordt dat [eiseres] naar aanleiding van de verklaring van deskundige [betrokkene 1] heeft aanboden prognosecijfers en een ondernemingsplan over te leggen, dat dit een voldoende concreet en relevant bewijsaanbod was en dat het partijdebat over de aanwezigheid van deze stukken in het verlengde ligt van grief I in het principaal appel (procesinleiding
nrs. 27-28).
nrs. 23 en 27) tevens klaagt over het passeren van het door [eiseres] aangeboden getuigenbewijs als zijnde te laat of te weinig concreet dan wel niet relevant, dient het eveneens te falen. De klacht vermeldt niet waarom het oordeel van het hof dat het aanbod te laat is, onjuist zou zijn. [12] Voorts heeft het hof, anders dan de klacht veronderstelt, niet geoordeeld dat het bewijsaanbod te weinig concreet of niet relevant zou zijn.
nr. 30), stuit hierop af.
m)ede in aanmerking genomen dat niet is komen vast te staan dat het onrechtmatig handelen van de Gemeente de oorzaak is van het feit dat de financiering van de verbouwing niet is rondgekomen (waardoor alle tekeningen en het onderzoek van onwaarde zijn geworden)”. De klacht houdt in dat het gebruik van het woord “
mede” erop duidt dat er nog andere feiten en omstandigheden zijn waarop dit oordeel is gebaseerd, maar dat het hof die niet heeft vermeld (procesinleiding
nr. 41).
onderdelen IV en VIbevatten louter klachten die op de andere onderdelen van het middel voortbouwen. Ook
onderdeel Vbevat nog een voortbouwende klacht. Deze klachten slagen evenmin. De slotsom is dat het middel niet slaagt zodat het beroep moet worden verworpen. Ik zag in het middel geen klachten die het nodig maken dat de Hoge Raad antwoord geeft op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht.