ECLI:NL:PHR:2020:1221
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt juiste bewijslastverdeling bij accijnsnaheffing op gasolie in bunkertanks schip
In deze zaak is accijns nageheven op gasolie die in meerdere bunkertanks van het schip van belanghebbende werd aangetroffen. De Inspecteur stelde dat niet was aangetoond dat over de olie accijns was geheven, omdat in sommige tanks het voorgeschreven gehalte van het herkenningsmiddel Solvent Yellow ontbrak. Belanghebbende leverde bunkerbonnen aan waaruit bleek dat gasolie was aangeschaft met toepassing van de bunkervrijstelling.
De rechtbank Den Haag oordeelde dat belanghebbende niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling en wees de naheffingsaanslag toe. Het hof Den Haag vernietigde deze uitspraak en stelde dat de Inspecteur onvoldoende had onderzocht of de olie al in de heffing was betrokken en dat de bewijslast correct was verdeeld. Het hof ging ervan uit dat de olie in de heffing was betrokken op het moment dat belanghebbende deze voorhanden kreeg.
De staatssecretaris stelde in cassatie dat het hof een verkeerde maatstaf voor de bewijslastverdeling hanteerde en onvoldoende had gemotiveerd dat de olie in de heffing was betrokken. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het hof de bewijslast juist had verdeeld en dat de staatssecretaris niet had gesteld dat voorafgaand aan het voorhanden hebben van de olie al een belastbaar feit was ontstaan.
De Hoge Raad wordt geadviseerd het beroep ongegrond te verklaren, waarmee de uitspraak van het hof en de vernietiging van de naheffingsaanslag, boete en belastingrente in stand blijven.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof Den Haag blijft in stand.