Conclusie
Ten aanzien van de verzoeken van de man heeft de moeder de rechtbank gevraagd:
De bijzondere curator heeft verder incidenteel appel ingesteld en het hof daarbij verzocht om deze beschikking voorwaardelijk te vernietigen voor zover daarbij vervangende toestemming voor erkenning is verleend en alsnog het verzoek van de bijzondere curator tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man toe te wijzen. [11]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeel [15] is gericht tegen rov. 3.9.3 van de bestreden beschikking, waarin het hof met betrekking tot het verzoek tot vernietiging van de erkenning door [de erkenner] als volgt heeft overwogen (ik citeer ook rov. 3.9.2):
De rechtbank heeft in haar beschikking van 28 november 2018 geoordeeld dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek tot vernietiging van de erkenning en dat verzoek toegewezen. Daartoe heeft zij als volgt overwogen (p. 7-8):
a. het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;
b. de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;
In de lagere rechtspraak over de toepassing van art. 1:205 BW Pro wordt in sommige gevallen aangenomen dat, ook als aan de vereisten voor vernietiging is voldaan, een extra belangenafweging nodig is alvorens de rechter tot vernietiging kan overgaan. [19]
Wanneer de strikte maatstaf van toepassing is, volstaat voor het oordeel dat de moeder misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt dus niet dat zij in redelijkheid niet tot het verlenen van toestemming heeft kunnen komen, maar dient zij die toestemming te hebben gegeven met slechts het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden.
nietig(en dus niet op de voet van art. 1:205 BW Pro
vernietigbaar) is. [25] In lijn daarmee zou de erkenning nietig dienen te worden verklaard in plaats van vernietigd.
De rechtbank heeft in het vierde tekstblok evenwel ook – in aansluiting op de stellingen van de moeder en de man ten aanzien van de daarna gelegen periode – vastgesteld dat de moeder al op 30 december 2016 de erkenner, met haar toestemming, [de zoon] heeft laten erkennen en daarmee de mogelijkheden voor de man om vervangende toestemming aan de rechtbank te vragen aanmerkelijk heeft bekort tot een periode van minder dan drie maanden na de geboorte van [de zoon].
met toepassing van de strikte maatstaftot het oordeel gekomen dat sprake is van misbruik van bevoegdheid, maar heeft kennelijk ook ruimte gezien voor een belangenafweging in het (zich volgens de rechtbank hier niet voordoende) geval dat de moeder wel een te respecteren belang zou hebben.
kunnenwijzen op toepasselijkheid van de minder strikte maatstaf. Reeds om die reden lijkt mij de overweging van het hof dat geen van partijen tegen ‘dit uitgangspunt van de rechtbank’ (in de ogen van het hof dus: toepasselijkheid van de strikte maatstaf) een grief heeft aangevoerd, niet beslissend. [26] Het hof heeft evenwel aan zijn oordeel dat de strikte maatstaf van toepassing is mede ten grondslag gelegd dat (“ook”) in hoger beroep niet is gebleken dat de man niet (tijdig) om vervangende toestemming heeft kunnen vragen en die overweging kan de toepasselijkheid van de strikte maatstaf zelfstandig dragen.
Nu rov. 3.9.2 in cassatie niet is bestreden (zie hierna onder 2.19), dient m.i. in cassatie van de strikte maatstaf te worden uitgegaan.
Dit gedeelte van subonderdeel B duid ik aan als B.1.
Stb.2013, 486) is geschrapt en dat nu juist geen voorwaarde voor erkenning door een gehuwde man (meer) is dat deze deel uitmaakt van het dagelijkse gezinsleven van de moeder en het kind (zie het verzoekschrift tot cassatie onder 3.3.4-3.3.5). Verder is bij subonderdeel A gewezen op de gemotiveerde stellingen van de moeder terzake, kort (en puntsgewijs) weergegeven:
kwalificatie ‘opa-kleinzoon relatie’vragen oproept. Volgens het subonderdeel baseert de rechtbank dat oordeel kennelijk op het getrouwd zijn van [de erkenner] , het niet samen een gezin vormen met de moeder en [de zoon], de frequentie van het contact en de leeftijd van [de erkenner] . Wat betreft de frequentie van het contact valt volgens het subonderdeel niet goed in te zien hoe daarin een (objectieve) aanwijzing kan worden gevonden dat de moeder met het verlenen van toestemming tot erkenning aan [de erkenner] slechts het oogmerk heeft gehad de belangen van de man te schaden. Het subonderdeel betoogt daarbij verder, kort gezegd, dat bedoelde frequentie (eenmaal per week of 14 dagen) niet ongebruikelijk is in omgangsregelingen en als zodanig passend is bij een hechte relatie. [34] Het subonderdeel klaagt dat de rechtbank dus rechtens de verkeerde maatstaf heeft gehanteerd, dan wel haar oordeel zonder nadere, ontbrekende, motivering onbegrijpelijk is. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor het aspect ‘de leeftijd van [de erkenner] ’. Volgens het subonderdeel houdt een oordeel over de aard van de relatie gebaseerd op de leeftijd van de erkenner ontegenzeggelijk een moreel oordeel in en laat een dergelijk oordeel zich ook niet verenigen met de huidige opvattingen van de wetgever, waarin de mogelijkheden voor erkenning van een kind zijn uitgebreid tot relaties waarin het verwekkerschap uit haar aard geen enkele rol speelt, waarbij wordt gewezen op de Wet Lesbisch Ouderschap. Volgens het subonderdeel heeft het hof overigens dit deel van de gronden van de rechtbank kennelijk niet overgenomen, nu het in rov. 3.9.3 (tweede alinea) “de kwaliteit van de relatie tussen de moeder en [de erkenner] ” uitdrukkelijk in het midden laat.
Voorts klaagt het subonderdeel dat de overweging dat de erkenning “
niet nodig was geweestom de huidige opa-kleinzoon relatie tot stand te brengen” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Het wijst er daarbij op dat het hebben van een feitelijke en emotionele relatie en het bestaan van een familierechtelijke betrekking twee verschillende zaken zijn en dat aan de erkenning rechtens niet de eis wordt gesteld dat de totstandbrenging van een juridisch ouderschap noodzakelijk is om de feitelijke en emotionele relatie tot stand te brengen. Die voorwaarde geldt niet ten aanzien van de verwekker en ook niet voor de erkenner die niet de verwekker of biologische vader is. Indien de rechtbank (en daarmee het hof) van een andere zienswijze zijn uitgegaan, vindt die opvatting geen steun in het recht. Indien rechtbank (en daarmee het hof) zou hebben bedoeld dat de door de rechtbank genoemde omstandigheid niettemin gewicht in de schaal legt bij de beantwoording van de vraag of de moeder door het geven van toestemming aan [de erkenner] voor de erkenning ‘slechts het oogmerk heeft gehad de belangen van de man te schaden’, is dat oordeel niet toereikend gemotiveerd, omdat het hof verzuimt inzicht te geven in de gevolgde gedachtegang.
Tot slot heeft de moeder zowel in de stukken als ter zitting ondubbelzinnig kenbaar gemaakt dat zij door de erkenning een familieband met de man krijgt en dat zij deze niet wil.”).
NJ1991/374 en HR 22 oktober 1993,
NJ1994/65 en klaagt, kort weergegeven, dat het hof lijkt te hebben miskend dat het bezwaar van de moeder tegen het krijgen van een familierechtelijke betrekking met de verwekker als zodanig niet ongeoorloofd is en een rechtens te respecteren belang vormt.
family lifeheeft in de zin van art. 8 EVRM Pro ook zonder toestemming van de moeder tot stand kon komen wanneer haar weigering slechts als misbruik van haar bevoegdheid kon worden opgevat. In de situatie waarin de moeder voogdes is over het kind, daarmee in gezinsverband samenleeft en het verzorgt en opvoedt (de ‘gebruikelijke situatie’), was van misbruik van bevoegdheid slechts sprake als de moeder in feite geen enkel te respecteren belang bij haar weigering had. [37]
zijdoor de erkenning een familieband met de man krijgt. Die stelling is evenwel niet juist; door erkenning door de man ontstaat ingevolge art. 1:197 in Pro verbinding met art. 1:199, aanhef en onder c BW een familierechtelijke betrekking tussen de man en [de zoon], maar niet tussen de man en de moeder.
Het subonderdeel klaagt in de derde plaats dat niet duidelijk is wat de rechtbank bedoelt met de overweging dat de moeder de erfrechtelijke aspecten er later bij heeft gehaald en de kennelijke redenering dat dit ook blijkt uit de overeenkomst. Het wijst er daarbij, kort weergegeven, op dat de overeenkomst niet is getekend, omdat de man daaraan (uiteindelijk) zijn medewerking niet wilde verlenen, en dat uit de conceptovereenkomst dus geen verplichtingen voortvloeien. Volgens het subonderdeel blijkt uit de conceptovereenkomst wel dat de moeder reeds tijdens haar zwangerschap aan de man heeft duidelijk gemaakt dat zij niet wenste in te stemmen met een erkenning door de man en wat daarvoor haar redenen waren. Aanvankelijk heeft de moeder een en ander door middel van de overeenkomst willen regelen – er kennelijk van uitgaande dat de daarin gemaakte afspraken geldig zouden zijn en de man aan zijn toezegging om niet te erkennen rechtens gehouden zou kunnen worden – en tegenover die verplichting van de man van haar kant de toezegging gedaan om dan ook een andere man niet te laten erkennen. [39] Hoe daarin een argument kan worden gevonden dat de moeder de erfrechtelijke aspecten ‘er later bij heeft gehaald’, valt aldus het subonderdeel zonder nadere motivering niet in te zien. Volgens het subonderdeel is vervolgens ook volstrekt onduidelijk wat de rechtbank bedoelt met de toevoeging “Verder was er ten tijde van het opstellen van de overeenkomst – aan het einde van de zwangerschap – al reeds langdurig sprake van de door de moeder geduide hechte relatie met de erkenner”. Het subonderdeel oppert de lezing dat de rechtbank heeft geoordeeld dat, gelet op deze hechte band, het onaannemelijk is dat de moeder bereid was de mogelijkheid van erkenning door een andere man (en dus ook door [de erkenner] ) prijs te geven, en, daarop verder redenerend, dat om die reden de stelling van de moeder dat zij met en door de erkenning door [de erkenner] van [de zoon] de hechte band wenste te bevestigen op voorhand ongeloofwaardig is. Het subonderdeel klaagt dan, kort weergegeven, dat, nog daargelaten dat de rechtbank (en daarmee het hof) zich daarmee schuldig maakt aan een verboden aanvulling van de feitelijke grondslag van het verzoek van de man (art. 24 Rv Pro), een dergelijk redenering, zonder nadere, ontbrekende motivering, onbegrijpelijk is. Het subonderdeel ontwikkelt tot slot de lezing dat de rechtbank zou hebben bedoeld dat, waar [de erkenner] met toestemming van de moeder [de zoon] reeds tijdens de zwangerschap had kunnen erkennen, de wens van de moeder tot bevestiging van de hechte band tussen [de zoon] en [de erkenner] na de geboorte van [de zoon] niet als geloofwaardig kan worden aangemerkt, en klaagt dan dat dat oordeel eveneens onbegrijpelijk is.
aan [de erkenner] gegeven toestemmingtot erkenning van [de zoon]. Dat is te onderscheiden van de rol die de erfrechtelijke aspecten spelen bij de beoordeling in het kader van de vraag of
de man[de zoon] mag erkennen en of hem vervangende toestemming daartoe moet worden verleend.
aan [de erkenner]gegeven toestemming tot erkenning van [de zoon] (anders dan dat daardoor erkenning door de man wordt verhinderd, althans bemoeilijkt). Zo is m.i. ook de overweging over de door de moeder aan de man aangeboden overeenkomst te begrijpen. In deze conceptovereenkomst zijn immers de erfrechtelijke aspecten benoemd, maar staat ook dat de moeder een ander niet zal laten erkennen (en dus ook niet [de erkenner] , met wie de moeder ook op dat moment al een hechte band had). Anders gezegd: uit die conceptovereenkomst kan worden afgeleid dat de erfrechtelijke aspecten niet een reden voor de moeder waren voor erkenning van [de zoon]
door [de erkenner].
bijgehaaldtoen haar wensen/emoties tegenover die van de man bleven staan. Voor de rechtbank telt dit “het zwaarst”. De vrouw kan de rechtbank hierin niet volgen.
.”
de man[de zoon] zou erkennen. [51] Dat is een betoog dat bij de beoordeling van de door de man verzochte vervangende toestemming van belang is, en door het hof ook in dat verband in de beoordeling is betrokken (zie rov. 3.9.6 van de bestreden beschikking). De moeder heeft
nietgesteld dat in de erfrechtelijke aspecten, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, wél een (positieve) aanleiding was gelegen voor erkenning van [de zoon]
door [de erkenner](anders dan, wellicht, dat daarmee een drempel is opgeworpen tegen erkenning van [de zoon] door de man).
tweede onderdeel [52] is tot slot gericht tegen “het oordeel dat het hof aan [de] belangenafweging ten grondslag legt over de mogelijkheden voor de moeder om de erfrechtelijke belangen ‘op vergaande wijze’ te beschermen door constructies die wettelijk mogelijk zijn”. Het is het onderdeel klaarblijkelijk te doen om het oordeel in rov. 3.9.6 van de bestreden beschikking in het kader van de door de man verzochte vervangende toestemming tot erkenning van [de zoon]. Het hof heeft in dat verband, voor zover hier van belang, als volgt overwogen (mijn cursivering, A-G):
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van de man tot verkrijging van vervangende toestemming tot erkenning van [de zoon] kan worden toegewezen.
(…)
Naar het oordeel van het hof worden de belangen van [de zoon] en het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de zoon] door de erkenning niet geschaad.
Van de zijde van de moeder wordt als bezwaar tegen de erkenning aangevoerd dat zij zekerheid wenst omtrent de beheersing van de financiële situatie rondom het kind in die zin, dat zij bij erkenning van [de zoon] door de man niet met volstrekte zekerheid kan bereiken dat de man in die situatie op geen enkele wijze enige invloed kan doen gelden op de financiële middelen waarover [de zoon] direct of indirect kan beschikken na vooroverlijden van de moeder. Het hof acht de bezwaren tegen de erkenning door de man die gegrond zijn op de financiële belangen van [de zoon] ontoereikend om op die grond aan de man vervangende toestemming tot de erkenning van [de zoon] te weigeren. Naast het feit
dat in de bescherming van dergelijke belangen op vergaande wijze tegemoet kan worden gekomen door constructies die wettelijk mogelijk zijn, is het hof op geen enkele wijze gebleken dat de man een bedreiging vormt voor de financiële belangen van [de zoon] dan wel dat de man de bedoeling zou hebben om zich het vermogen van [de zoon] toe te eigenen. (…)”