ECLI:NL:PHR:2020:1263

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 2020
Publicatiedatum
16 februari 2021
Zaaknummer
19/02526
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 2 OpiumwetArt. 27a SrArt. 435 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

De verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf voor onder meer medeplegen van een drugsmisdrijf, medeplegen van witwassen en deelname aan een criminele organisatie. Tevens is een jerrycan onttrokken aan het verkeer. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld.

De aanzegging van het cassatieberoep is niet persoonlijk betekend binnen de wettelijke termijn. Vervolgens heeft de raadsman van de verdachte niet binnen zestig dagen na de aanzegging schriftelijk middelen van cassatie ingediend bij de Hoge Raad.

Op grond van artikel 437, tweede lid, Sv kan de Hoge Raad de verdachte daarom niet in zijn cassatieberoep ontvangen. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep van de verdachte.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02526
Zitting15 december 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 21 mei 2019 door het Gerechtshof Amsterdam wegens in zaak A onder 1 ‘medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen, een vervoermiddel en gelden voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’; onder 3 ‘medeplegen van witwassen’; onder 4 ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’ alsmede in zaak B onder 1 ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ en onder 2 ‘medeplegen van een reisdocument vervalsen, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft voorts de onttrekking aan het verkeer bevolen van een jerrycan.
Er bestaat samenhang met de zaken 19/02502, 19/02496, 19/02490, 19/02618, 19/02620, 19/02621, 19/02501 en 19/02503. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op vrijdag 1 mei 2020 niet in persoon betekend. Namens de verdachte is niet binnen zestig dagen nadien een schriftuur, houdende middelen van cassatie ingediend.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG