Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1richt [eiser] zich tegen de vaststelling in rov. 3.2.2. dat [eiser] heeft gesteld dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld in haar hoedanigheid als overheid en als verhuurder van [de vereniging] (hiervoor randnummer 2.3). Het onderdeel voert aan dat deze vaststelling onbegrijpelijk is, omdat [eiser] ook heeft aangevoerd dat de gemeente als eigenaar heeft te gelden als zelf hinder veroorzakend (onder verwijzing naar art. 5:37 BW Pro). Het onderdeel wijst er op dat het hof wel heeft vastgesteld dat de rechtbank die hoedanigheid heeft beoordeeld, [8] maar de vorderingen zelf niet op die grondslag heeft beoordeeld.
Onderdeel 1faalt derhalve bij gebrek aan belang.
door de gemeenteveroorzaakte onrechtmatige situatie die is beëindigd, maar dat de gemeente in het geheel niet onrechtmatig heeft gehandeld door onvoldoende te handhaven.
Subonderdeel 2.2faalt derhalve. Om dezelfde reden faalt de klacht aan het slot van het hierna te bespreken
subonderdeel 2.3, dat onvoldoende is gemotiveerd waarom het feit dat de gemeente maatregelen heeft genomen tot de conclusie leidt dat de daarvoor bestaande situatie niet onrechtmatig was.
subonderdeel 2.3betoogt [eiser] dat het hof zijn beslissingen onvoldoende heeft gemotiveerd. Het hof heeft – volgens het subonderdeel – niet aangegeven waarom de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval leiden tot de conclusie dat de gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld. Het subonderdeel somt een zevental (met a. tot en met g. aangeduide) stellingen van [eiser] op, die het hof – volgens het subonderdeel ten onrechte – niet (kenbaar) in zijn beslissing betrokken zou hebben.
mogelijkheid van schadeaannemelijk gemaakt. Dit brengt mijns inziens met zich dat het hof ten aanzien van het element schade weinig aanknopingspunten had om dat (kenbaar) mee te wegen.
subonderdeel 2.3vergeefs is voorgesteld.
onderdeel 2.
subonderdeel 3.1richt [eiser] zich tegen de vooropstelling in rov. 3.11.2. dat [eiser] zijn stelling dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld niet heeft gebaseerd op enig publiekrechtelijk besluit dat in de bestuursrechtelijke kolom geen stand heeft gehouden maar enkel op feitelijk handelen of nalaten van de gemeente. Deze vooropstelling is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk gezien de vaststellingen van het hof over de door [eiser] aangedragen bestuursrechtelijke gang van zaken. [13]
Subonderdeel 3.1faalt derhalve.
Subonderdeel 3.2betoogt dat het hof met die overweging het recht heeft geschonden, omdat het afwegen van tegenstrijdige belangen niet aan handelen dat zonder belangenafweging onrechtmatig zou zijn, het onrechtmatig karakter kan ontnemen. Het hof had, zo betoogt het subonderdeel, de jurisprudentiële ondergrens voor onrechtmatige hinder moeten hanteren. [15] Het subonderdeel voert daarbij een viertal redenen aan waarom (ook) de gemeente zelfstandig zou kunnen worden aangesproken voor de veroorzaakte hinder. Het subonderdeel faalt nu de bestreden rechtsoverweging ziet op hinder door geluidsoverlast, de rechtbank heeft vastgesteld dat de gemeente ten aanzien daarvan niet als veroorzaker kan worden aangemerkt en [eiser] tegen dit oordeel niet heeft gegriefd (hiervoor randnummer 3.4).
subonderdeel 3.2, faalt ook
subonderdeel 3.3dat betoogt dat voor het geval het hof is uitgegaan van een juiste maatstaf, zijn beslissing onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de door [eiser] aangevoerde, in het kader van subonderdeel 3.2 weergegeven, feiten. Deze klacht veronderstelt immers dat het hof wél de maatstaf voor onrechtmatige hinder heeft toegepast (zij het op onbegrijpelijke wijze), hetgeen gezien het voorgaande niet het geval is.
onderdeel 3doel.
onderdeel 4wordt vooropgesteld dat in de APV van de gemeente geluidsnormen zijn opgenomen die gelden voor versterkte muziek, maar niet voor onversterkte muziek. Het subonderdeel wijst er op dat [eiser] heeft gegriefd over het feit dat de rechtbank niet is ingegaan op de stelling dat de gemeente de normering van onversterkte muziek heeft opgenomen in de huurovereenkomst en nagelaten heeft de handhaving van normeringen in de huurovereenkomst in haar overwegingen te betrekken. Het subonderdeel betoogt dat het hof wel heeft vastgesteld dat (civielrechtelijk) optreden tegen het geluidsoverlast van de gemeente was te vergen, maar dat het hof ten onrechte in rov. 3.11.3. en 3.11.4. niets heeft vastgesteld over de – volgens het subonderdeel – essentiële stellingen dat:
onderdeel 4doel mist.