Conclusie
3.Waarom het in deze zaak gaat
4.De tenlastelegging en de overwegingen van het hof
Vordering van het openbaar ministerie
Op vragen van mr. Korvinus:
Op vragen van de rechter-commissaris:
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die als chauffeur betrokken was bij het gecontroleerd doorlaten van softdrugs in de jaren 1991-1993, de zogenaamde IRT-periode. Het hof Amsterdam sprak hem vrij van witwassen van de opbrengsten van deze drugstransporten, omdat de overheid feitelijk gedoogde dat de verdachte zijn criminele inkomsten behield. Het hof oordeelde dat deze inkomsten daardoor niet uit misdrijf afkomstig waren in de zin van art. 420bis Sr.
De advocaat-generaal bij de Hoge Raad stelde echter dat het hof onterecht het oordeel heeft gegeven dat het feitelijk gedogen door de overheid betekent dat de inkomsten niet uit misdrijf afkomstig zijn. De Hoge Raad overweegt dat het gedogen van strafbare feiten niet het strafbare karakter opheft, maar dat de vraag of inkomsten uit gedoogde feiten als uit misdrijf afkomstig moeten worden aangemerkt, een andere is. Daarbij wordt verwezen naar het Black Widow-arrest waarin werd geoordeeld dat inkomsten uit gedoogde handel onder omstandigheden niet als wederrechtelijk verkregen gelden worden beschouwd.
De Hoge Raad constateert dat het hof de vraag of de verdachte op grond van het feitelijke gedogen gerechtvaardigd mocht vertrouwen op niet-vervolging onbeantwoord heeft gelaten en dat het oordeel van het hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Daarom wordt het middel van cassatie gegrond verklaard en het arrest van het hof vernietigd voor zover het betrekking heeft op het witwassen. Voor het overige wordt het beroep verworpen.
De zaak illustreert de complexe juridische afwegingen rond het begrip "uit misdrijf afkomstig" in situaties van feitelijk gedogen en bijzondere opsporingsmethoden zoals de IRT-affaire.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd voor het onderdeel witwassen wegens onjuiste rechtsopvatting over feitelijk gedogen.