Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 3.5 en 3.6, waar de Ondernemingskamer oordeelt dat het bestreden besluit valt onder het ‘primaat van de politiek’.
Onderdeel 2is gericht tegen rov. 3.7, waar de Ondernemingskamer oordeelt dat de uitzondering van art. 46d onder b (slot) WOR niet van toepassing is. Alvorens de beide onderdelen te bespreken, maak ik enkele inleidende opmerkingen.
beleidten aanzien van die taken en (iii) de
uitvoeringvan die taken zijn uitgesloten van het in art. 23 WOR Pro omschreven overlegrecht. Uit het stelsel van de wet volgt dat zulke besluiten – hierna ook kortweg: ‘politieke besluiten’ genoemd [20] – tevens zijn uitgesloten van het in art. 25 WOR Pro omschreven adviesrecht en het in art. 26 WOR Pro omschreven beroepsrecht. [21] Het ‘primaat van de politiek’ strekt zich volgens de slottournure van art. 46d onder b WOR niet uit tot de
personele gevolgenvan politieke besluitvorming (“behoudens voor zover het betreft de gevolgen daarvan voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen”). Dit wordt ook wel de ‘uitzondering op de uitzondering’ genoemd.
trias politica’). Bij de invoering van art. 46d WOR (in 1995) is hierover opgemerkt:
aard van het orgaanis niet vereist dat het besluit is genomen als onderdeel van het politieke proces in democratische organen met (mede-)wetgevende bevoegdheid. Ook besluiten van andere democratisch gecontroleerde overheidsorganen, zoals organen die behoren tot de uitvoerende macht, kunnen onder het ‘primaat van de politiek’ vallen. [31] Wat betreft (b) de
aard van het besluitgeldt dat een besluit dat een politieke afweging vergt van de daaraan verbonden voor- en nadelen, zoals een besluit met financiële consequenties voor de overheidsbegroting, [32] onder het ‘primaat van de politiek’ kan vallen. Voor de toepassing van art. 46d onder b WOR op een dergelijk besluit is niet vereist dat aan de hand van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk wordt gemaakt
op welke wijzehet besluit noopt tot politieke afwegingen en keuzes. [33]
fasering. Bij overheden is de medezeggenschap (voor zover het politieke besluiten betreft) veelal in een later stadium gesitueerd dan bij particuliere ondernemingen. Het gebruikelijke stramien is dat de politiek eerst een principebesluit op hoofdlijnen neemt, waarna dit besluit op ambtelijk niveau wordt uitgewerkt in concrete(re) uitvoeringsbesluiten over bijvoorbeeld de personele gevolgen. De Hoge Raad accepteert een dergelijke fasering, met uitstel van de medezeggenschap tot gevolg. [36]
uitvoeringeen politiek karakter heeft. De invloedssfeer van de politiek is uiteraard niet beperkt tot besluitvorming op hoofdlijnen. Ook (en juist) op uitvoeringsniveau kunnen politieke vragen rijzen. Uit de rechtspraak valt af te leiden dat, indien de uitvoering van een politiek besluit door lagere overheidsorganen zozeer is verweven met de achterliggende politieke besluitvorming dat zij daarvan niet los kan worden gezien, ook de desbetreffende uitvoeringsbesluiten [44] onder het ‘primaat van de politiek’ kunnen vallen (en in dat geval dus alleen zijn onderworpen aan medezeggenschap voor zover zij strekken tot, of in het bijzonder gericht zijn op, de regeling van personele gevolgen). Illustratief is een recente cassatieprocedure waarin het ging om een besluit van de korpschef van de Politieregio Oost-Brabant om de regionale politieafdeling ‘ZSM’ tijdelijk elders te huisvesten. Dat besluit was genomen in overleg met ketenpartners in de landelijke ‘ZSM-aanpak’, ter uitvoering van het landelijke ‘ZSM-beleid’. De Ondernemingskamer oordeelde dat de locatie waar het ZSM-beleid wordt uitgevoerd “zodanig verbonden” is met de inhoud en uitvoering van dat beleid, dat zij moet worden gezien als een “essentieel onderdeel” van dat beleid. Hieruit leidde de Ondernemingskamer af dat het bestreden besluit – als strekkend ter uitvoering van beleid ten aanzien van de publiekrechtelijke taak van de politie (criminaliteitsbestrijding) – onder het ‘primaat van de politiek’ viel. [45] De Hoge Raad liet dat oordeel in stand; de conclusie van A-G Timmerman wees op de “verwevenheid van de locatiekeuze met het hogere niveau”. [46]
IND-beschikking van de Ondernemingskamer, die dateert van kort voor de in cassatie bestreden beschikking. Het ging in die zaak om een besluit dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in samenwerking met ketenpartners – het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) – had genomen. Het besluit strekte tot wijziging van het aantal en de locaties van Gemeenschappelijke Vreemdelingenlocaties (GVL’s). De Ondernemingskamer oordeelde “dat de uitvoering van het GVL-beleid onlosmakelijk verbonden is met de concrete invulling van de samenwerking tussen de ketenpartners en dat de locatie waar dat beleid zal worden uitgevoerd (…) zodanig is verbonden met de inhoud en uitvoering van dat beleid dat de locatiekeuze moet worden gezien als een essentieel onderdeel van dat beleid”. Tegen die achtergrond kon het bestreden besluit volgens de Ondernemingskamer “niet los worden gezien van het vreemdelingenbeleid als zodanig”, zodat het onder het ‘primaat van de politiek’ viel. Daarbij merkte de Ondernemingskamer nog op dat de ondernemingsraad te zijner tijd wel adviesrecht toekomt ten aanzien van de personele gevolgen van de locatieveranderingen. [48]
randnummer 12wordt aangevoerd dat bij de beoordeling daarvan mede gewicht toekomt aan de vraag (i) of het besluit is genomen in een
politieke contexten (ii) of het besluit leidt tot een
verschuiving van politieke verantwoordelijkheden. GOR Rijk heeft aangevoerd dat het een noch het ander in deze zaak aan de orde is. [49] De klacht luidt dat de Ondernemingskamer daarop in het geheel niet heeft gerespondeerd. Daarom zou het oordeel in rov. 3.5 en 3.6 over de toepasselijkheid van art. 46d onder b WOR onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd zijn. In zijn schriftelijke toelichting heeft GOR Rijk deze klacht aldus uitgewerkt dat in een “gefaseerd besluitvormingsproces” als hier aan de orde, “steeds weer de vraag gesteld zal moeten worden of dat specifieke deel van de besluitvorming onderworpen is aan het politieke primaat”. Het enkele feit dat een “principebesluit”, als onderdeel van een gefaseerd besluitvormingstraject, is onderworpen aan het ‘primaat van de politiek’, betekent niet dat ook alle daarop volgende “deel- en uitvoeringsbesluiten” onder dat primaat vallen. Elk van die besluiten zou volgens GOR Rijk op zijn eigen merites beoordeeld moeten worden. [50]
wijzevan huisvesting daar dus niet meer onder valt”. In de schriftelijke toelichting namens GOR Rijk is de klacht nader uitgewerkt met de stelling dat het in deze zaak gaat om een “regulier bedrijfsorganisatorisch (uitvoerings)besluit van de onder de minister ressorterende ambtelijke organisatie ten aanzien van de wijze van huisvesting van Rijksambtenaren”. Het oordeel dat een dergelijk besluit per definitie zou zijn onttrokken aan medezeggenschap, is volgens GOR Rijk niet goed verenigbaar met voornoemde uitgangspunten. [56]
a contrariovan het Vaststellingsbesluit geeft het middel ook geen ondersteunende argumenten. De Staat heeft er in deze procedure op gewezen dat politieke prioriteiten en huisvesting “niet los van elkaar [kunnen] worden gezien”. [59] Dat bij de huisvesting van Rijksdiensten politieke keuzes moeten worden gemaakt en dat die keuzes niet beperkt zijn tot de specifieke locatiekeuze als zodanig, mag als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd. Zo valt te denken aan financiële consequenties voor de Rijksbegroting, maar ook aan de plaatselijke of regionale werkgelegenheid, verkeersstromen etc.
onverplichtadvies aan ondernemingsraden te vragen over politieke kwesties. Een dergelijk ‘bovenwettelijk’ adviesrecht schept nog geen beroepsrecht in de zin van art. 26 WOR Pro. [62] De slotsom is dat de klachten van onderdeel 1 geen doel treffen.
welke Rijksdienstente zijner tijd in dit kantoorpand gevestigd zullen worden; (ii) evenmin is besloten wat dan de
definitieve inrichtingvan het pand zal zijn, nu (iii) het bestreden besluit slechts de keuze inhoudt om, in het kader van de verdere ontwikkeling van het pand,
vooralsnoguit te gaan van een inrichting als standaard Rijkskantoor. Hierop baseert de Ondernemingskamer haar oordeel dat het bestreden besluit “op dit moment nog geen gevolgen [heeft] voor de werkzaamheden van de bij de betrokken rijksdiensten werkzame personen”.
randnummers 15-16). Volgens GOR Rijk behelzen die argumenten niet dat het besluit geen definitieve of onomkeerbare personele gevolgen heeft. Gelet hierop heeft de Ondernemingskamer volgens GOR Rijk miskend dat, ook bij gefaseerde besluitvorming als in deze zaak aan de orde, ingevolge art. 25 lid 2 WOR Pro advies moet worden gevraagd op een zodanig tijdstip, dat het advies van “wezenlijke invloed” kan zijn op het te nemen besluit (
randnummer 17). Toegespitst op argument (i) wordt aangevoerd dat onzekerheid over de vraag
welke Rijksdienstenin het kantoorpand zullen worden gevestigd, onverlet laat dat
delenvan het door GOR Rijk vertegenwoordigde overheidspersoneel in het kantoorpand zullen worden gehuisvest. Toegespitst op argument (ii) wordt aangevoerd dat de mogelijkheid om de inrichting te zijner tijd
ten deleaan te passen, onverlet laat dat de gevolgen voor het betrokken overheidspersoneel
medebepaald zullen worden door de keuze om vooralsnog uit te gaan van een inrichting als standaard Rijkskantoor (
randnummer 18). Zo beschouwd heeft het bestreden besluit volgens GOR Rijk wél definitieve gevolgen, althans laten de door de Ondernemingskamer genoemde argumenten onverlet dat het bestreden besluit definitieve gevolgen kán hebben (
randnummer 19).
tijdelijk en voorlopig karakterheeft, nu het niet verder reikt dan de keuze om vooralsnog, in afwachting van verdere besluitvorming over de in het kantoorpand te vestigen Rijksdiensten en de daarvoor benodigde inrichting, uit te gaan van een inrichting als standaard Rijkskantoor. [63] Hieruit volgt dat − en waarom − het bestreden besluit geen definitieve gevolgen heeft voor de door GOR Rijk vertegenwoordigde personeelsleden. Zulke definitieve gevolgen zullen zich pas (kunnen) manifesteren als (meer) duidelijkheid is verkregen over de toekomstige gebruikers en de benodigde gebruikersvoorzieningen. Het betreft hier een feitelijk oordeel, dat niet onbegrijpelijk is voor de lezer.
niet uitgeslotenzijn. Zulke (mogelijk) aan het bestreden besluit
inherentepersonele gevolgen zijn onvoldoende voor de toepassing van de ‘uitzondering op de uitzondering’. [65]