Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
In cassatie wordt volgens mij tevergeefs geklaagd over een onjuiste toepassing van de Haviltex-maatstaf, het ten onrechte passeren van stellingen van [eisers] , miskenning van de omvang van de rechtsstrijd in appel, miskenning van (de rechtsregels uit) het arrest HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810, het ten onrechte passeren van het tegenbewijsaanbod en de begrijpelijkheid van de motivering van het oordeel van het hof.
niet(mede) gegrond op het beperken door [eisers] van hun assortiment tot uitsluitend souvenirs. In rov. 3.5 behandelt het hof het verweer van [eisers] dat de winkel in feite vanaf het begin in 1998 als pure souvenirwinkel is geëxploiteerd, hetgeen de verhuurder wist en waarmee stilzwijgend zou zijn ingestemd. Zelfs als het zo zou zijn, zo vervolgt het hof in rov. 3.5, dat het [eisers] daarom vrij zou staan om het gehuurde als pure souvenirwinkel te exploiteren, dan moet het assortiment ook wel echt uit souvenirs bestaan. Maar het hof oordeelt dat [eisers] zijn tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst door goederen te verkopen die
niets met souvenirste maken hebben, maar alles met het gebruik van verdovende middelen en dat dàt strijd oplevert met de bestemmingsbepaling (rov. 3.5 3e volzin e.v.). Dat is de tekortkoming die volgens het hof niet van zodanige aard of geringe betekenis is dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst niet kan rechtvaardigen (rov. 3.6 1e en 2e volzin). Zodoende is het hof er als het ware veronderstellenderwijs in meegegaan dat het [eisers] vrijstond de winkel louter als souvenirshop te exploiteren, maar oordeelt het hof (feitelijk) dat dáárvan in de praktijk geen sprake is. Nu dat de dragende grond is voor ontbinding, ontbreekt belang in cassatie bij de klachten van subonderdelen 2.1.1-2.1.5 over de gehanteerde uitleg van de bestemmingsbepaling en het al dan niet kunnen beperken van het assortiment tot souvenirs, die dan ook inhoudelijk onbesproken kunnen blijven.
psychotrope stoffenmeteen ook de verkoop van
geestverruimende middelenhebben betwist [10] . Dat lijkt mij niet juist. De stichting heeft in feitelijke instanties de verkoop van psychotrope stoffen juist
nietop een lijn gesteld met de verkoop van geestverruimende middelen. Zij heeft gesteld dat voor zover [eisers] de producten die een psychotrope stof bevatten daadwerkelijk hadden verwijderd, [eisers] het gehuurde ook dan in strijd met de bestemmingsbepaling gebruikten, omdat zij onder meer geestverruimende middelen verkochten (onderstreping A-G) [11] :
Gedaagden wijzen er nu op dat zij de producten die een psychotrope stof bevatten hebben verwijderd, zodat daardoor volgens de definitie uit het bestemmingsplan geen sprake meer zou zijn van een smartshop.
Als dat al zo is, dan betekent dat niet dat de winkel niet meer het karakter en de uitstraling en grotendeels het assortiment van een smartshop heeft. Gedaagden zeggen het zelf al: ze hebben slechts wat lolly’s verwijderd. Dat betekent niet dat opeens geen sprake meer is van een smartshop althans een winkel die daar alles van weg heeft. Dat dit wel het geval is blijkt wel uit de door eiseres overgelegde foto’s van de etalage en de producten die worden verkocht. De winkel heet nota bene “ [naam] ” en
verkoopt geestverruimende middelen, stimulerende middelen, drugstests, zaken waarmee men drugs tot zich kan nemen en van alles wat daar verder mee te maken kan hebben.
Dat de producten met psychotrope stoffen mogelijk verwijderd zijn doet daar niet aan af. Dat de winkel volgens het bestemmingsplan niet meer formeel kan worden aangemerkt als smartshop (als dat al zo is) betekent niet dat het gebruik dus in overeenstemming is met de bestemmingsbepaling uit de huurovereenkomst. Ook een smartshop waar een paar lolly’s uit worden weggehaald is nog altijd een winkel die op geen enkele manier te maken heeft met een winkel in zelfvervaardigde kleding, tafelkleden, souvenirs, gordijnen en gordijnstoffen.”
geestverruimende middelen, stimulerende middelen, drugstests, zaken waarmee men drugs tot zich kan nemen en van alles wat daar verder mee te maken kan hebben. Dat de producten met psychotrope stoffen mogelijk verwijderd zijn doet daar niet aan af.” In het middel lees ik geen voldoende kenbare klacht met de strekking dat de verkoop van alleen deze gerelateerde goederen een tekortkoming is van zodanige bijzondere aard of geringe betekenis dat deze de ontbinding niet rechtvaardigt; vgl. daarvoor ook de bespreking van subonderdeel 2.4.1-IV. Ik wijs er daarbij nog op dat de formulering van de bestreden rechtsoverweging en de plaats die de verkoop van geestverruimende middelen daarbij inneemt in de tekst, erop duidt dat – zelfs indien conform de klacht zou moeten worden aangenomen dat [eisers] in feitelijke instanties de verkoop van geestverruimende middelen wel hebben betwist en het hof dit in zijn beoordeling zou hebben betrokken, dit er niet toe zou hebben geleid dat het hof tot een ander oordeel zou zijn gekomen. Uit rov. 3.5, laatste volzin (
“Daarnaast verkoopt [eisers] ook drank, hetgeen, hoewel in dit verband niet doorslaggevend, ook in strijd met de bestemming is.”) lijkt mij als verdedigbare a contrario-redenering te moeten volgen dat de niet betwiste verkoop van bedoelde drugsgerelateerde producten voor het hof wél doorslaggevend is als grond voor ontbinding. Ook tegen dit impliciete oordeel richt het middel geen klacht. De besproken klachten kunnen daarom volgens mij ook niet tot cassatie leiden bij gebrek aan belang.
alleeneen assortiment aan producten verkopen dat hoort bij de exploitatie van een souvenirwinkel. De klacht kan dan al niet tot cassatie leiden bij gebrek aan feitelijke grondslag, zodat onderdeel 2.2. niet opgaat.
typisch Amsterdamse souvenirsgaat [16] , toegespitst op de locatie en het publiek in het gebied van de Wallen en de [a-straat] [17] . Daaronder vallen naar de aard nu juist ook cannabiszaden, tulpenbollenzaden, waterpijpen, hulpmiddelen om de kwaliteit van drugs te testen, asbakken, aanstekers, andere hulpmiddelen om te roken, en andere artikelen waarop cannabisbladen staan in plaats van een afbeelding Amsterdam [18] . Althans is hier sprake van een motiveringsgebrek, aldus de klacht.
Tenzij-arrest [19] miskend. Deze algemene klacht wordt uitgewerkt in de subonderdelen 2.4.1-I-2.4.1-V.
Tenzij-arrestvolgt dat de rechter bij huurovereenkomsten zich er altijd van moet vergewissen of het niet gaat om een bagatelverwijt, terwijl er in werkelijkheid sprake is van een opgeklopte poging om de huur te beëindigen teneinde bij een andere huurder een hogere huurprijs te bewerkstelligen [20] . Daarbij is in beginsel niet van belang of het gaat om huur van woonruimte of om huur van bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW Pro. In het verweer dat er geen sprake is van toerekenbare tekortkoming kan besloten liggen dat die niet een gehele of gedeeltelijke ontbinding rechtvaardigt. Het hof zou dit hebben miskend.
Tenzij-arrestvolgt dat de rechter bij huurovereenkomsten zich er altijd van moet vergewissen
“of het niet gaat om een bagatelverwijt, terwijl er in werkelijkheid sprake is van een opgeklopte poging om de huur te beëindigen teneinde bij een andere huurder een hogere huurprijs te bewerkstelligen”.Een dergelijke ambtshalve toetsing door de rechter volgt niet uit dit arrest.
NJ2007/343, rov. 5.2 ([
A]/Tycho). Dit gold ook reeds onder het oude recht; zie onder meer HR 31 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1217,
NJ1994/317 (
Abbas/Woningbouwvereniging), met verwijzing naar HR 25 juni 1971, ECLI:NL:HR:1971:AC5312,
NJ1971/398 (
Simonis/Bugshan). Deze verdeling van de stelplicht past ook bij het gegeven dat de omstandigheden die een beroep op de tenzij-bepaling ondersteunen veelal in het domein van de schuldenaar zullen liggen.
subonderdeel 2.4.1-IIIis een herhaling van zetten van subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2 in samenhang met de eerste voortbouwende klacht in onderdeel 2.4: rov. 3.6 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd omdat het hof (ook) daar miskent dat [eisers] geen geestverruimende middelen verkopen, zodat dit ook niet aan het oordeel dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst ten grondslag kan en mag worden gelegd. Uit de bespreking van bedoelde eerdere klachten in 2.7-2.11 volgt dat en waarom dit niet opgaat.
“eventueel aangevuld met dranken, zaden en drugstesten, waarbij [eisers] ‘appelleren aan het cannabistoerisme’, zonder dat zij zelf geestverruimende middelen verkopen, laat staan kunnen worden aangemerkt als ‘smart shop’.”. Vervolgens merkt het subonderdeel op dat het hof miskent dat de ‘toerekenbare tekortkoming’ dan hooguit is dat [eisers]
niet-zelfgemaaktet-shirts verkopen en ruim 20 jaar na aanvang van de oorspronkelijke overeenkomst niet het blijkbaar destijds opportune assortiment verkopen en hun assortiment in de loop van de jaren hebben afgestemd op de huidige Amsterdamse toerist. Het feit dat een winkelier zijn assortiment binnen de bandbreedte die een bestemmingsclausule biedt (die voorziet in kleding en souvenirs) in de loop der jaren aanpast aan de actualiteit van de potentiële klant is niet zó ernstig dat die tekortkoming een ontbinding rechtvaardigt.
Subonderdeel 2.5.1klaagt dat [eisers] hebben gesteld dat de bestemmingsbepaling in de huurovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat [eisers] een souvenirwinkel in het gehuurde mogen exploiteren zoals zij dat sedert 1998 doen [24] . Het hof had [eisers] moeten toelaten tot het leveren van (het door hen aangeboden [25] ) tegenbewijs ten aanzien van deze partijbedoeling [26] .