Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 2.1.2gaat, evenals subonderdeel
2.1.3, met het hof ervan uit dat de bewijslast van zijn stelling over een schenking door de vrouw op de man rust. Volgens de man het hof heeft zijn aanbod van bewijslevering door middel van getuigen gepasseerd op de grond dat die getuigen niets zouden kunnen verklaren dat ter zake dienend is. De klacht houdt in dat het hof hierdoor het bepaalde in art. 166 Rv Pro heeft miskend en zich schuldig maakt aan een verboden prognose van de uitkomst van eventueel te leveren getuigenbewijs. Subsidiair klaagt de man over een ontoereikende redengeving.
in de rechtsverhouding tussen partijen onderlinggeen schenking heeft plaatsgevonden. Het hof heeft het aangeboden getuigenbewijs gepasseerd met het argument dat de door de man genoemde getuigen enkel zullen kunnen verklaren over de aflevering van deze auto aan de man, maar niet over de totstandkoming van de door hem gestelde gift. Zonder nadere motivering is niet begrijpelijk waarop het hof dit oordeel baseert. Voor zover dit oordeel berust op een waardering van de overlegde schriftelijke verklaringen, heeft het hof miskend dat de rechter niet vooruit mag lopen op het resultaat van een getuigenverhoor dat nog niet heeft plaatsgevonden. Als de schriftelijke verklaringen op dit punt onvoldoende duidelijkheid boden, zouden de aangeboden getuigen hierover nader kunnen worden ondervraagd.
onder 2.1.4houdt in dat het bestreden oordeel in rov. 7 bovendien rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk, omdat de man zelf als getuige kan worden gehoord. Hij zou zelf als getuige een verklaring kunnen afleggen over hetgeen tussen partijen is afgesproken met betrekking tot de gestelde gift van € 130.000. Voor het antwoord op de vraag of de vrouw haar vordering van € 130.000,- geldend kan maken, is volgens het middelonderdeel bovendien niet beslissend
hoede gestelde schenking tot stand is gekomen, maar slechts
ofde gestelde schenking tot stand is gekomen.
nietgeldend zou kunnen maken (zie rov. 7), onbegrijpelijk is. Daarover kan ik kort zijn. Gezien de verwijzing door het hof naar HR 5 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:504), NJ 2019/225 m.nt. L.C.A. Verstappen, heeft het hof kennelijk voor ogen dat zich hier niet een geval voordoet zoals bedoeld in dat arrest (kort gezegd, in de woorden van Verstappen: de vraag of bij de echtscheiding recht op vergoeding bestaat van met uitsluitingsclausule geschonken bedragen die in de huwelijksgemeenschap zijn gevloeid door overboeking op een gemeenschappelijke bankrekening). Dat oordeel is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk.
per kalenderjaarinzicht heeft gegeven in: (i) de totale kosten van de huishouding, (ii) wie wat betaald heeft in het betreffende kalenderjaar, (iii) wie welke inkomen heeft genoten dan wel heeft kunnen genieten in het betreffende kalenderjaar, (iv) wie welke vermogen heeft in het betreffende kalenderjaar. Het hof besloot dat het zo niet mogelijk is, aan de hand van de evenredigheidsmaatstaf in art. 6 van Pro de akte van huwelijkse voorwaarden ieders fourneerplicht – en, op grond daarvan, een eventuele betalingsverplichting van de vrouw jegens de man – vast te stellen.
onder 2.2.1komt hierop neer dat het hof de geldvordering van de man had moeten toewijzen omdat hij zijn vordering behoorlijk heeft onderbouwd met bewijsstukken, terwijl de vrouw van haar kant − door onvoldoende inzicht te geven in háár inkomsten en financiën – dit verzoek van de man onvoldoende heeft betwist. In het middelonderdeel merkt de man dit zelfs aan als een weigering van de vrouw om inzicht te geven in haar inkomsten en financiën. Hij wijst in dit verband op art. 21 Rv Pro (nader uitgewerkt in de klacht
onder 2.2.2), op art. 149 Rv Pro (nader uitgewerkt
onder 2.2.3) en op het niet voldoen door de vrouw aan de in rov. 9 door het hof in punt 1 tot en met 4 genoemde verplichtingen.
onder 2.3is gericht tegen de laatste zin in rov. 9, waarin het hof overwoog dat aldus niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 827, lid 1 letter f, Rv zodat het verzoek van de man wordt afgewezen.
Onder 2.3.1klaagt de man dat het hof miskent dat art. 827, lid 1 onder b, Rv specifiek is geschreven voor verrekeningen op grond van huwelijkse voorwaarden. Daarom geldt volgens de man in deze zaak niet de (in art. 827, lid 1 onder f, Rv bedoelde) eis dat niet te verwachten is dat behandeling tot onnodige vertraging van het geding zal leiden.
onder 2.3.3behoeft na het voorgaande geen bespreking meer.