Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
proces-verbaal van aangifted.d. 5 december 2017 van de politie Eenheid Rotterdam, district Zuid-Holland-Zuid (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
verklaring van [betrokkene 2] :
proces-verbaal van verhoor getuiged.d. 7 december 2017 van de politie Eenheid Rotterdam, district Zuid-Holland-Zuid (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
verklaring van [betrokkene 1] :
eerstemiddel klaagt dat het hof onder feit 1 ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat de oplichting door listige kunstgrepen is gepleegd door onder meer een biljet van € 50 te pakken uit handen van verkoper [betrokkene 1] . Uit de verklaring van [betrokkene 1] zou blijken dat hij het betreffende biljet heeft teruggegeven. Het
tweedemiddel klaagt dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd oplichting door middel van listige kunstgrepen, door de onder feit 1 omschreven feitelijke handelingen heeft bewezenverklaard. Noch uit de verklaring van [betrokkene 1] noch anderszins zou blijken dat deze handelingen erop gericht waren [betrokkene 1] te misleiden of in verwarring te brengen. Het
derdemiddel klaagt dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft overwogen dat het er niet toe doet wat de opleiding en achtergrond van verkoper [betrokkene 1] was. De steller van het middel verwijst naar HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889,
NJ2017/157 m.nt. Keijzer (onder
NJ2017/162), rov. 2.4, alwaar onder meer is overwogen (citaat met weglating van voetnoten):
NJ2017/162 uitgebreid op het geciteerde deel van rov. 2.4 in (onder 2.8). Hij stelt daarbij voorop dat eigen schuld bij veel andere delicten dan oplichting niet aan strafrechtelijke aansprakelijkheid in de weg staat. Zelf heeft hij een voorkeur voor een benadering die uitgaat van de bedrieger. Keijzer meent dat de gekozen benadering vragen oproept, en vestigt daarbij onder meer de aandacht op de formulering ‘had moeten doorzien’. Hij leest daarin een ‘maatschappelijke verplichting tot het doorzien van bedrog’. Keijzer stelt ook de vraag naar de rechtsgrond: ‘Waarom moet wie misbruik maakt van al te goed vertrouwen vrijuit gaan?’ In andere landen ontwaart Keijzer ten slotte geen vergelijkbare rechtspraak.
bewust en openlijkbetrachten van verminderde waakzaamheid’ (p. 84). Dat zou vooral bereikt zijn door een ruime uitleg van het ‘aannemen van een valse hoedanigheid’ (p. 85).
gebruikelijk(gewoonte) is en de
mogelijkhedendie de betrokkenen in redelijkheid hebben om te controleren (toerusting)’ (p. 146). Technisch-juridisch zou een en ander een vertaling kunnen krijgen in de causaliteit. ‘Het causaal verband kan komen te ontbreken als in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat het middel zo
duidelijk doorslaggevend(…) is geweest bij het bewegen, dat gezegd kan worden dat de bedrogene door dit middel (als oorzaak) is bewogen (het gevolg)’. Van den Hout noemt als voorbeeld dat de benadeelde meer wordt ‘gedreven door eigen blinde hebzucht of het wagen van een gokje dan door de geloofwaardigheid van het middel’. Ook ‘onredelijke zuinigheid’ zou ‘als relevante hoofdoorzaak (kunnen) gelden’ (p. 156).
NJ2017/158 was de door het middel geciteerde vooropstelling aan de orde. Bewezenverklaard was dat de verdachte door het aannemen van een valse hoedanigheid het slachtoffer had bewogen tot afgifte van een geldbedrag van € 50.000,-. De valse hoedanigheid had erin bestaan dat de verdachte ‘toen daar opzettelijk valselijk in strijd met de waarheid’ aan de betrokkene kenbaar had gemaakt ‘dat het investeren van geld in de coöperatie [A], welke coöperatie tot doelstelling had geld te investeren in bedrijven in het midden- en kleinbedrijf, een gegarandeerd goede investering zou zijn met een op jaarbasis uitbetaald rendement van 10%’, zulks terwijl hij, kort gezegd, wist dat hij de activiteiten van coöperatie [A] op last van DNB moest stoppen. Namens de verdachte was in hoger beroep onder meer aangevoerd dat het slachtoffer had verklaard ‘meer tijd aan onderzoek’ naar de verdachte te hebben kunnen doen; dat het slachtoffer ‘extra zekerheid in de vorm van een persoonlijke borgstelling’ van de verdachte had gewild, en dat sprake was van ‘een lichte verblinding van een mooi in het vooruitzicht gesteld rendement’. Uw Raad overwoog:
proces-verbaal van aangifted.d. 5 december 2017 van de politie Eenheid Rotterdam, district Zuid-Holland-Zuid (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
[betrokkene 3]:
proces-verbaal van bevindingend.d. 5 december 2017 van de politie Eenheid Rotterdam, district Zuid-Holland-Zuid (…). Dit proces-verbaal houdt onder, meer in - zakelijk weergegeven - (…):
opsporingsambtenaar [verbalisant] :
vierdemiddel klaagt dat het hof onder feit 2 ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat de oplichting door listige kunstgrepen is gepleegd door onder meer een biljet van € 50 te pakken uit handen van verkoopster [betrokkene 3] . Uit de verklaring van [betrokkene 3] zou blijken dat zij het betreffende biljet heeft teruggegeven. Het
vijfdemiddel klaagt dat het hof oplichting, door middel van listige kunstgrepen, door de onder feit 2 omschreven feitelijke handelingen ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft bewezenverklaard. Noch uit de verklaring van [betrokkene 3] noch anderszins zou blijken dat deze handelingen erop gericht waren [betrokkene 3] te misleiden of in verwarring te brengen. Het
zesdemiddel klaagt dat het gerechtshof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft overwogen dat het er niet toe doet wat de opleiding en achtergrond van verkoopster [betrokkene 3] was. De steller van het middel verwijst ook bij dit middel naar HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889,
NJ2017/157, rov. 2.4. Ook deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.