1.1 Vanaf januari 2016 heeft ACT meerdere malen ‘Used Cooking Oil’ (hierna: UCO) gekocht van WG.
1.2 Op 31 oktober 2016 zijn WG en ACT overeengekomen dat WG ongeveer 2.000 mt UCO (hierna: de lading) verkoopt en levert aan ACT, dat ACT daarvoor een vooruitbetaling doet van $ 90.675,48 en het resterende bedrag van $ 1.149.324,52 voldoet via een documentair accreditief (‘letter of credit’, hierna: l/c). Vervolgens heeft ACT via Rabobank drie l/c’s uitgesteld waarin (op verzoek van WG) Youngray als begunstigde is vermeld (hierna: de l/c’s). Bij twee van de l/c’s treedt Chang Hwa Commercial Bank Ltd op als adviserende bank van Youngray, bij de derde l/c is dat Taiwan Cooperative Bank Ltd.
1.3 ACT heeft de lading doorverkocht aan een derde genaamd Green Fuel Extremadura S.A. (hierna: Green Fuel) op wiens naam de cognossementen zijn uitgemaakt. De cognossementen en andere op de zending betrekking hebbende documenten (hierna: de documenten) zijn door (de banken van) Youngray geleverd aan Rabobank. De UCO is verscheept naar Huelva, Spanje.
1.4 Onder meer omdat WG bij eerdere koopovereenkomsten met ACT geringere volumes had geleverd dan was overeengekomen, terwijl ACT de volledige koopprijs had betaald, had ACT in maart 2017 een vordering op WG van meer dan $ 1.000.000. In maart 2017 zijn WG en ACT in overleg getreden over de wijze waarop WG dat bedrag zou betalen. Op 17 maart 2017 heeft WG een ‘letter of guarantee’ opgesteld met daarin de volgende verklaring:
‘On the purpose of clearing the outstanding payment, We, Wei Guan Environmental
Protection Co., Ltd, on behalf of Youngary Co., Ltd., hereby confirm that we agree to deduct the full amount of invoices of L/C LM133318NRW & LM133465NRW & LM133580NRW, i.e. USD 1.028.806,30.
We shall guarantee that our banks (Taiwan Cooperative Bank and Chang Hwa Bank) will send official SWIFT message to RABO Bank, stating above mentioned 3 L/C shall be settled “free of payment”.
We shall pay ACT via bank transfer for the remaining amount of outstanding payment, i.e. USD 7,423.02’.
1.5 Op 23 maart 2017 heeft de Rabobank via een swift-bericht Taiwan Cooperative Bank Ltd verzocht om een bevestiging dat de documenten ‘free of payment’ kunnen worden geleverd aan ACT. Diezelfde dag heeft Taiwan Cooperative Bank Ltd aan Rabobank laten weten dat Youngray niet akkoord gaat met ‘free of payment’ met het verzoek ‘pls hold the docs until to receive further instructions from us’.
1.6 Bij e-mail van 24 maart 2017 is Youngray door ACT gewezen op de ‘letter of guarantee’ van WG. Diezelfde dag heeft Youngray per e-mail het volgende laten weten:
‘I am very shocked after I saw this letter of guarantee. Because the credit line is my company’s, to receive letter of credit is also my company, not Wei Guan. Wei Guan has no right to make any ‘one-sided’ promise, let alone this is under the circumstance that my company was not aware. This is invalid promise, we and bank would never agree to retiring the documents without payment.
My company and my bank has to follow the normal payment rule of letter of credit, then we can complete this transaction. This is also what I emphasized repeatedly as the reason why your company has to pay fully to retire the documents’.
1.7 De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft ACT op 24 maart 2017 verlof verleend voor het leggen van conservatoir derdenbeslag onder Rabobank en conservatoir vreemdelingenbeslag op de documenten voor een vordering begroot op $ 1.270.000. ACT heeft dit beslag nog dezelfde dag doen leggen.
1.8 Op 28 maart 2017 heeft ACT Youngray, WG en Rabobank in kort geding gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam. ACT heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter WG en Youngray ieder voor zich en gezamenlijk zal bevelen tot het doen afgeven van de beslagen documenten aan ACT en daartoe al het nodige te doen, waaronder het geven van een ondubbelzinnige instructie aan Rabobank om deze documenten aan ACT te overhandigen, binnen twee uren na mededeling van betekening van het vonnis en op straffe van een dwangsom. Voorts heeft ACT gevorderd dat Rabobank wordt veroordeeld om te handelen conform de aldus gegeven instructie van WG en/of Youngray en zal bepalen dat indien WG en/of Youngray niet binnen de gestelde termijn aan de veroordeling voldoet, het vonnis in de plaats treedt van de instructie aan Rabobank.
1.9 De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 29 maart 2017verstek verleend tegen Rabobank, WG en Youngray en de vorderingen van ACT toegewezen (hierna: het verstekvonnis).
1.10 Het verstekvonnis is op 30 maart 2017 ten uitvoer gelegd. Rabobank heeft de documenten aan ACT moeten afgeven. De UCO is vervolgens in Huelva geleverd aan Green Fuel.
1.11 Youngray is – als enige van de gedaagden – bij dagvaarding van 23 mei 2017 in verzet gekomen van het verstekvonnis. Zij heeft uitsluitend ACT opgeroepen te verschijnen in de verzetprocedure. ACT heeft zich onder meer op het standpunt gesteld, met een beroep op de ‘exceptio plurium litis consortium’, dat Youngray niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzet, omdat zij heeft nagelaten Rabobank en WG op te roepen.
1.12 Bij vonnis in verzet in kort geding van 6 juli 2017heeft de voorzieningenrechter het verstekvonnis vernietigd, de vorderingen van ACT alsnog afgewezen en ACT veroordeeld in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft het beroep op de exeptio plurium litis consortium afgewezen (rov. 4.1-4.5). Voorts heeft de voorzieningenrechter, kort weergegeven, het volgende overwogen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat Rabobank met het in opdracht van ACT uitstellen van het documentair krediet een zelfstandige, abstracte verbintenis op zich heeft genomen tegenover de begunstigde Youngray, om aan haar te betalen wanneer zij via haar bank op tijd de gespecificeerde documenten presenteert (rov. 4.6). Gesteld noch gebleken is van een volmacht van Youngray aan WG om haar te vertegenwoordigen. ACT mocht onder de omstandigheden van dit geval er ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat WG bevoegd was om namens Youngray op te treden (rov. 4.7). De vernietiging van het verstekvonnis moet ook de toewijzing van de vordering voor zover gericht tegen WG en Rabobank raken. De instructie van WG aan Rabobank dient, gelet op het karakter van de ten gunste van Youngray gestelde l/c’s, zonder effect te blijven zolang niet eerst ACT aan haar betalingsverplichting heeft voldaan en dientengevolge de betaling aan Youngray onder de l/c’s deugdelijk is afgewikkeld (rov. 4.9).
1.13 ACT heeft hoger beroep ingesteld tegen het verzetvonnis bij het hof Den Haag, onder dagvaarding van Youngray, WG en Rabobank. Youngray en Rabobank zijn in hoger beroep verschenen. Tegen WG is verstek verleend.
1.14 Het hof heeft bij arrest van 15 januari 2019 het verzetvonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd en ACT veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Daartoe heeft het hof, kort samengevat, het volgende overwogen. Grief 2 stelt aan de orde dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzet kon worden behandeld zonder daarbij de andere partijen die bij verstek waren veroordeeld te betrekken en dat de voorzieningenrechter ten onrechte het beroep op niet-ontvankelijkheid van Youngray heeft verworpen. Volgens het hof faalt deze grief. In dit geding is geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, maar van subjectieve cumulatie. Youngray, WG en Rabobank staan ieder in een afzonderlijke relatie tot ACT en hebben ieder ook andere verweermiddelen, die niet doorwerken in de relatie die ieder heeft met ACT. Youngray kon verzet instellen zonder daarin de andere twee partijen te betrekken (rov. 2.4-2.6).
1.15 Ten aanzien van de grieven 3, 4, 5 en 7 heeft het hof overwogen dat deze in de kern de vraag betreffen of het ACT vrijstond met WG een overeenkomst te sluiten zoals zij heeft gedaan en of Youngray daaraan was gebonden. Het hof beoordeelt dit geschil naar Nederlands recht (rov. 2.7). Terecht heeft de voorzieningenrechter als uitgangspunt genomen dat Rabobank een abstracte verbintenis op zich heeft genomen tegenover Youngray en dat deze los staat van de andere in deze zaak relevante rechtsverhoudingen. Strikte toepassing door de bank van de in de garantie gestelde voorwaarden is geboden. Bij de uitleg van een dergelijke garantie komt groot gewicht toe aan de (strikt) te lezen bewoordingen daarvan (rov. 2.8). In het kader van de rechtsverhouding tussen WG en ACT (overeenkomst van koop en verkoop) stond het ACT vrij met WG een andere (nadere) overeenkomst te sluiten met betrekking tot de betaling van de koopprijs. Deze kon ook inhouden verrekening buiten de l/c’s om. Indien de l/c’s zouden zijn gesteld op naam van WG zou ACT jegens WG (wellicht) recht hebben op afgifte zonder betaling. Zodanige (nadere) overeenkomst kan in beginsel geen wijziging brengen in de relatie tussen de bank en een rechthebbende niet-contractspartij, nu dit een zelfstandige rechtsverhouding betreft, die onafhankelijk is van de onderliggende contracten en (eventuele) in het kader daarvan gerezen geschillen. Gesteld noch gebleken is dat in de voorwaarden van de onderhavige garantie in dat opzicht een voorbehoud is gemaakt. Het voorgaande kan anders zijn indien redelijkerwijs moet of mocht worden aangenomen dat Youngray akkoord was met die verrekening (rov. 2.9). Niet is gesteld of gebleken dat WG in het bezit was van een volmacht van Youngray of dat Youngray ondubbelzinnige goedkeuring heeft gegeven aan ACT voor de verrekening (rov. 2.10). ACT stelt dat Youngray bij haar de indruk heeft gewekt dat WG haar mocht vertegenwoordigen. De feiten en omstandigheden die ACT hieraan ten grondslag heeft gelegd zijn voorshands ieder voor zich, noch in onderlinge samenhang, zodanig dat ACT op grond hiervan mocht aannemen dat WG een zo vergaande vertegenwoordigingsbevoegdheid had voor Youngray dat zij in naam van Youngray akkoord mocht gaan met een verrekening en levering van de documenten ‘free of payment’ (rov. 2.11-2.13). Omdat de verplichting van Rabobank een abstract karakter had, ontstond haar verplichting tot betalen op het moment dat krediet-conforme documenten werden aangeboden. ACT voert in dit kader aan dat Youngray niets te vorderen zou hebben van Rabobank omdat de documenten niet krediet-conform waren. De consequentie van die niet-conformiteit zou dan echter zijn geweest dat de documenten zouden zijn teruggestuurd naar de aanbieder en niet aan haar (ACT) zouden zijn vrijgegeven; zij (of haar koper Green Fuel) had de lading dan niet kunnen opeisen. ACT zet niet uiteen wat haar opstelling onder die omstandigheden zou zijn geweest, terwijl dat wel van haar verwacht mocht worden. Tot het terugsturen van de documenten is het niet gekomen, omdat Rabobank op grond van het vonnis van 29 maart 2017 de documenten heeft vrijgegeven aan ACT. Verdere bespreking van dit verweer is daarmee niet relevant. ACT voert nog aan dat afwijkingen in de cognossementen aanleiding gaven tot een debat met WG over de vraag onder welke voorwaarden ACT bereid was om de documenten toch op te nemen en dat dat heeft geleid tot de verrekeningsafspraak. ACT mocht er echter redelijkerwijs niet op vertrouwen dat deze afspraak ook namens Youngray is gemaakt, zodat daarop jegens Youngray geen beroep kan worden gedaan (rov. 2.14).
1.16 Volgens het hof falen ook de grieven 6 en 8, waarin ACT aan de orde stelt dat een belangenafweging waarbij alle feiten en omstandigheden in aanmerking zouden zijn genomen, tot de beslissing zou hebben geleid dat de documenten moesten worden overhandigd om grote schade te voorkomen. Het hof is van oordeel dat weliswaar enerzijds voorshands voldoende aannemelijk is dat ACT groot belang had bij afgifte van de documenten, maar dat anderzijds voorshands even aannemelijk is dat een vordering tot afgifte van de documenten niet zou zijn toegewezen zonder dat ACT een tegenprestatie zou hebben moeten verrichten, zoals het stellen van een (bank)garantie. De veroordeling tot afgifte van de documenten tegenover de tegenprestatie zou dan de rechtmatige toestand hebben weergegeven. Op het moment waarop de voorzieningenrechter het bestreden vonnis heeft gewezen, was dit achterhaald door de feiten en kon de rechtmatige toestand niet alsnog worden verwezenlijkt (2.16). Uitgangspunt is dat slechts indien sprake is van een kennelijk willekeurige of bedriegelijke claim van de zijde van de begunstigde, uitbetaling onder de bankgarantie kan worden geweigerd. Dat van een dergelijke situatie sprake is, heeft ACT onvoldoende onderbouwd en is voorshands evenmin onvoldoende aannemelijk geworden (rov. 2.17). Conclusie is dat ACT er naar voorlopig oordeel niet op mocht vertrouwen dat WG ook namens Youngray optrad. Evenmin kan naar voorlopig oordeel worden aangenomen dat in een procedure de documenten zonder tegenprestatie zouden zijn vrijgegeven. De overige door de grieven aan de orde gestelde onderwerpen behoeven geen bespreking, omdat zij niet kunnen leiden tot een andere conclusie. (rov. 2.18).
1.17 ACT heeft tijdigcassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 15 januari 2019. Youngray heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. ACT en Youngray hebben hun standpunt schriftelijk doen toelichten. ACT heeft vervolgens van repliek gediend. Tegen WG en Rabobank is verstek verleend.