Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1richt [eiser] zich tegen het oordeel in rov. 2.2.2. dat [eiser] gehouden is de schade aan de inventaris aan Kogra te vergoeden. Het onderdeel bevat meerdere klachten. Met de eerste klacht (randnummer 3. van de procesinleiding) betoogt [eiser] dat het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de processtukken, dan wel buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, door te oordelen dat de stellingen van [eiser] inhouden dat de schade aan de inventaris door toedoen van Kogra is ontstaan tussen het moment van ontruiming en opname door de deurwaarder. Het onderdeel betoogt dat [eiser] juist uitdrukkelijk heeft gesteld dat de gebreken – voor zover daar al sprake van was – reeds aanwezig waren toen de apparatuur bij de levering onder de huurkoopovereenkomst aan hem ter beschikking werd gesteld.
onderdeel 1vergeefs is voorgesteld.
in ieder gevalwat betreft de omzetdaling. Uw Raad heeft in het verwijzingsarrest ten aanzien van deze klachten als volgt geoordeeld:
wegens gemiste omzetniet had mogen afwijzen zonder Kogra toe te laten tot het bewijs van haar stelling dat (i) sprake is geweest van omzetderving, omdat het restaurant vanwege de noodzakelijke herstelwerkzaamheden pas medio september 2010 kon worden heropend, en (ii) er ook nadien omzetdaling is geweest als gevolg van de eerdere sluiting van het restaurant op last van de gemeente.” (onderstreping van mij, A-G)
herstelvan het gehuurde (het pand), en niet de noodzaak tot vervanging van beschadigde
inventaristen grondslag heeft gelegd (hiervoor randnummer 3.12) is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk het oordeel dat de door Kogra gevorderde omzetschade voor rekening van [eiser] komt vanwege het feit dat zij aansprakelijk is voor de schade aan de inventaris. In zoverre zijn de in randnummers 8. en 9. opgenomen klachten terecht voorgesteld.
standby’ zou staan om het restaurant zelf te exploiteren. Dat zij daartoe niet meteen in staat zou zijn (zoals door [eiser] betoogd), omdat zij hiervoor nog een vergunning had moeten aanvragen, komt in beginsel voor rekening van [eiser] als tekortschietende partij. Het is in zoverre niet van belang of Kogra de eerste 3,5 maanden na de ontbinding nog niet zelf het restaurant kon exploiteren doordat zij het restaurant moest herstellen, of omdat zij nog een exploitatievergunning moest aanvragen omdat deze (externe) omstandigheid voor risico van [eiser] dient te komen.
onderdeel 2gedeeltelijk slaagt, gedeeltelijk onbesproken kan blijven en voor het overige faalt.
onderdeel 4richt [eiser] zich tegen het oordeel in rov. 2.2.4. dat de vordering van [eiser] tot vergoeding van de gederfde (cash) omzet over de periode september-oktober 2009 reeds afstuit op het ontbreken van enige toelichting omtrent de vraag hoe cashbetalingen, door klanten van [eiser] in het door hem geëxploiteerde restaurant, bij Kogra zouden zijn terechtgekomen. Dit oordeel is volgens het onderdeel onbegrijpelijk nu [eiser] heeft verwezen naar een verklaring van de chef-kok waaruit, kort gezegd, zou blijken dat de kasgelden wel werden geregistreerd maar door de chef-kok in een kluis werden gedaan waar [eiser] de sleutel niet van had. Verder wordt in het onderdeel verwezen naar rov. 2.3. van de eerste hofuitspraak (hiervoor randnummer 1.3) waarin het Haagse hof vaststelt dat [eiser] en [betrokkene 1] , namens [betrokkene 2] /Kogra, een handgeschreven verklaring d.d. 6 oktober 2009 hebben opgesteld, waarin onder meer staat dat “de kasopbrengst bij [betrokkene 2] blijft totdat het contract is opgesteld”. [21]
onderdeel 4faalt.