Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt over de verwerping van het verweer dat de rechtbank Leeuwarden in eerste aanleg en het hof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep onbevoegd waren om op de ontnemingsvordering te beslissen.
Bij gebrek aan voldoende zittingscapaciteit of aan gespecialiseerde zittingscapaciteit in de hoofdplaats, een nevenvestigingsplaats of een nevenzittingsplaats binnen het arrondissement kan het bestuur van een rechtbank, de Raad voor de rechtspraak verzoeken tijdelijk een of meer nevenzittingsplaatsen buiten het arrondissement aan te wijzen voor de behandeling van een zaak of categorieën van zaken met het oog op een snellere behandeling van zaken.”
Bevoegdheid van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
beslissingin de zin van artikel 358 lid 3 Sv Pro te geven op de ter terechtzitting door de raadsman gevoerde verweren over de onbevoegdheid van de rechtbank en het hof. Evenmin heeft het hof verzuimd om die beslissing op grond van artikel 359 lid 2 Sv Pro te
motiveren. [5] Het hof maakt immers kenbaar dat, en op welke gronden het de rechtbank en zichzelf bevoegd acht om over de ontnemingsvordering te oordelen. In zoverre faalt het middel reeds.
oorspronkelijkbevoegde gerecht tot uitgangspunt (de rechtbank Rotterdam); het hof neemt als vertrekpunt het gerecht dat op grond van artikel 8 lid 1 van Pro het Besluit als nevenzittingsplaats optrad en waar de hoofdzaak
feitelijkaanhangig was (de facto: de rechtbank Leeuwarden).
Uit de aard der zaak vloeit voort dat de rechtbank die tot kennisneming van de strafzaak zelve bevoegd is, tevens de bevoegde rechter is tot kennisneming van de vordering.
eerbiedigende werkingaan de bepalingen van het Besluit meer op z’n plaats is: is een zaak eenmaal aanhangig gemaakt bij een bevoegde rechter, dan blijft de bevoegdheid ter zake na het vervallen van het Besluit in stand. [9] Voor die opvatting vind ik steun in een nauw samenhangende overgangsrechtelijke regeling. Artikel XXII lid 1 van (kort gezegd) de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie [10] bepaalt dat bij de behandeling van en de rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van zaken die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de wet bij een gerecht aanhangig waren, het recht van toepassing blijft zoals het gold vóór dat tijdstip. Op grond van artikel CIII van (wederom kort gezegd) de Wet herziening gerechtelijke kaart is vervolgens geregeld dat zaken die op 1 januari 2013 van die wet aanhangig waren bij het hof te Leeuwarden van rechtswege overgaan naar het hof Arnhem-Leeuwarden. [11]
bleefhet hof Arnhem-Leeuwarden bevoegd de vordering te behandelen. [12] Kortom, ook indien de motivering van ‘s hofs oordeel over zijn eigen bevoegdheid tekort zou schieten, acht ik dat oordeel op zichzelf juist. Bij cassatie heeft de betrokkene hoe dan ook geen belang.